+ Meer informatie

4. CULTUURWAARDERING EN CULTUURGEBRUIK

9 minuten leestijd

A. ORIENTATIE

Cultuur als zodanig is een zeer breed en veelomvattend begrip. In dit stuk willen we met name aandacht geven aan de kunst, aan het esthetische in de cultuur. Hierover eerst enkele algemene opmerkingen.

1. De vraag hoe door ons de cultuur gewaardeerd dient te worden, en in hoever door ons van de voortbrengselen van de cultuur gebruik gemaakt mag worden, is niet los te maken van de positieve cultuuropdracht, die door God bij de schepping aan de mens gegeven is. Zie Gen. 1 :26–28, en vgl. ook Psalm 8.

Het tot ontwikkeling en ontplooiing brengen van de gaven en de krachten die in de schepping aanwezig zijn is een taak, die door God heel speciaal aan de mens, als naar zijn beeld geschapen, is opgedragen. Deze goddelijke taak en opdracht brengt met zich mee, dat de mens bij het bezig zijn met de cultuur zich tegenover God verantwoord moet weten. Dit moet zijn tot ontwikkeling en tot ontplooiing brengen van de gaven en krachten die God in de schepping gelegd heeft bepalen en beheersen. Daardoor moeten de resultaten van zijn cultuurarbeid zijn gewijd en geheiligd, terwijl daarin ook de norm voor de wijze waarop wij de „cultuur” waarderen en gebruiken voor ons is gesteld.

2. Door de zonde is de mens aan de door God hem gegeven cultuuropdracht ontrouw geworden. Zijn bezig-zijn met de cultuur is komen te staan onder de beheersing van de macht der zonde, en staat niet meer in het teken van de gehoorzaamheid aan God, zijn Opdrachtgever.

Dat brengt met zich mee de ontstellende mogelijkheid en werkelijkheid, dat het tot ontwikkeling brengen van de scheppingsgaven en -krachten nu in een geheel andere richting plaats vindt dan God dit bedoelt. De resultaten daarvan zijn dienovereenkomstig. Daarbij is de macht der zonde de mens niet alleen gaan beheersen in de wijze waarop hij nu zijn cultuuropdracht vervult, maar ook in de wijze waarop hij de Produkten hiervan beoordeelt en gebruikt.

3. Tegenover dit verwordingsproces der zonde staat dat God toch zijn schepping niet loslaat, maar zijn doel met de schepping handhaaft, en dit doel ook zal verwezenlijken. Het verlossingswerk van Christus Jezus is hierbij van het allergrootste belang. Dit verlossingswerk betekent niet alleen de redding van de enkele gelovige, en het behoud van Zijn gemeente, maar ook het herstel van de schepping, door deze van de macht en van de verwoesting door de zonde vrij te maken.

Dat de volle doorwerking van de zonde beteugeld wordt is te danken aan dit verlossingswerk van Jezus Christus, aan de koninklijke macht die op grond van dit verlossingswerk Hem toekomt. Waar zijn koningschap erkend wordt (het koninkrijk van God), daar is herstel in de oorspronkelijke positie, zowel wat de cultuuropdracht en het vervullen daarvan, als ook wat de cultuurwaardering en het gebruik ervan betreft. Enerzijds is er in deze bedeling de doorwerking van het koninkrijk van God, door en vanuit Jezus Christus, ook daar waar dit koningschap niet werkelijk door het geloof wordt erkend en beleden, anderzijds zijn er de tegenkrachten van de zonde, die niet alleen tegen God de Schepper, maar ook tegen het koninkrijk van God in Jezus Christus zich verzetten, en dit in hun van God afvoerende stroom trachten mee te sleuren.

4. Waar het geloof in Jezus Christus van grote invloed is op het beoefenen als ook op het waarderen en gebruiken van de cultuur, brengt de verloochening van dit geloof een wel zeer negatieve beïnvloeding met zich mee. Met name ten aanzien van onze westerse cultuur kan gesteld worden dat in de nieuwere tijd in groeiende mate sedert de Renaissance de cultuur haar christelijk stempel is kwijtgeraakt, en als zodanig een geseculariseerde, verwereldlijkte, verzakelijkte, veruitwendigde cultuur is geworden, die veelszins echte levensdiepte mist. In een ontkerstenende wereld zijn het steeds meer de onchristelijke en antichristelijke machten die de cultuur gaan beheersen. Wanneer de cultuur zo door onchristelijke en antichristelijke machten wordt beheerst moet gesproken worden van een demonisering van de cultuur, ondermeer openbaar wordend in een steeds sterkere chaotisering van de werkelijkheid.

5. Ook in deze ontwikkeling mogen we niet voorbij zien dat het koninkrijk van God door Jezus Christus toch zal overwinnen. Zoals ook de cultuur die niet aan Gods scheppingsopdracht gelovig beantwoordde, toch steeds weer aan de dienst van God dienstbaar werd gemaakt (denk aan de cultuur-resultaten vermeld in Gen. 4), zo zal eens heel de cultuur-ontwikkeling dienstbaar gemaakt worden aan de overwinning van God en van zijn Christus. Openb. 21 :24–27 opent ons daarbij een machtig perspectief.

B. NADERE POSITIEBEPALING

1. Er is een persoonlijke christelijke verantwoordelijkheid ten aanzien van datgene dat we als cultuuruiting produceren. Een christen kan dit nooit neutraal doen. Ons kennen en kunnen dient aan God en Jezus Christus gewijd te zijn. Wie als christen dit niet betracht schiet te kort in het volbrengen van de opdracht die hij tegenover God heeft. God vraagt ons rekenschap van wat wij met onze (Zijn!) gaven gedaan hebben. Een gelovige heeft in dit opzicht een veel stringentere opdracht dan een nietgelovige.

2. Cultuuruitingen die niet opkomen uit het geloof zijn niet per definitie als onaanvaardbaar af te wijzen. Ze kunnen de resultaten zijn van wat God in zijn genade aan deze wereld gelaten heeft, of van datgene wat als de doorwerking van het koninkrijk van God in Jezus Christus mag worden beschouwd.

3. In het waarderen en gebruiken van wat als cultuur geboden wordt, is altijd een christelijk-kritische levenshouding noodzakelijk; deze moet des te meer worden betracht ten aanzien van wat niet vanuit het geloof als cultuur wordt gepresteerd en gepresenteerd. F il. 4 :8 wijst ons de juiste richting aan.

4. Er zijn voortbrengselen van de cultuur, die zodanig door de demonische macht van de zonde beheerst worden (zie verder onder C), dat ze voor ons onaanvaardbaar zijn. Meer echter dan op de Produkten van de cultuur, legt het Woord van God nadruk op de persoonlijke verantwoordelijkheid van wat we er mee doen. Wat niet uit het geloof opkomt, moet door ons in het geloof worden gewijd en geheiligd. Zo dit niet mogelijk is, dienen we er afstand van te nemen en te houden, vgl. 2 Cor. 7:1.

5. Ook bij een toenemende ontkerstening van de cultuur mogen wij vanuit het geloof in het koningschap van God en van Christus aan de ons door God gegeven opdracht ten aanzien van de cultuur niet ontrouw zijn.

6. Tegenover een toenemende cultuurvervuiling dient door de gemeente van Jezus Christus extra waakzaamheid te worden betracht. Vgl. Openb. 22 :11.

7. Het vaststellen van een zwarte en een witte lijst voor het wel of niet meedoen met bepaalde cultuuruitingen en voor het wel of niet gebruiken van bepaalde cultuur-produkten, moet in bijbels licht niet alleen onmogelijk, maar ook onjuist worden geacht. Veel belangrijker dan een dergelijke catalogisering is het zorgen voor geestelijke rijpheid en weerbaarheid, zowel bij ouderen als vooral bij jongeren.

8. Bij het bevorderen van het verstaan van een positief-christelijke cultuuropdracht en van het betrachten van een positief-christelijke cultuurwaardering en -gebruik moet over het algemeen niet moraliserend te werk worden gegaan. Er zijn mensen met een geconditioneerd geweten, wat echter nog iets geheel anders is dan het beleven van de christelijke levensroeping, zoals de bijbel hierover spreekt. Het betrachten van de christelijke vrijheid in de bijbelse zin van het woord, doet krachten vrijkomen, die door een moraliserend optreden worden gedood.

9. Ook bij alle moeite en strijd, die de christelijke levenshouding ten aanzien van de cultuur met zich meebrengt, mag en moet de christelijke gemeente van de overwinning van het koninkrijk van God door Jezus Christus verzekerd zijn.

C. ENKELE CONCRETE ZAKEN

1. Literatuur

Veel moderne literatuur kenmerkt zich door het absurde, het schokkende, het sombere, het psychologische. Zonder God of mens staan de personen alleen, walgelijk, vol walging. Alle aspecten van het leven worden fel belicht: het uiterlijke tot en met het allerintiemste toe. In de moderne literatuur weerspiegelt zich de werkelijkheid van onze tijd. Alles wat deze tijd aan denken, voelen, aan onberedeneerde angst en existentiële ervaringen, aan hoop en vrees, aan lusten en listen kent, komt tot uitdrukking in de literatuur.

Het lezen van deze moderne literatuur betekent voor de jeugd met name een uitermate indringende en evenzo gevaarlijke confrontatie met „de wereld van vandaag”. Als zodanig is het kennisnemen van deze literatuur niet onbelangrijk mits dit vanuit het juiste christelijke standpunt wordt betracht en begeleid. Positieve christelijke literatuur is daartegenover een noodzaak van de eerste orde. Zowel om deze te produceren als te consumeren. Richtsnoer daarbij moet ook Fil. 4 :8 zijn!

2. Muziek

Evenals de literatuur komt ook de muziek niet uit één bepaalde, maar uit meer verschillende bron: uit geestelijke, uit menselijke of uit demonische bron. Niet iedere muziek dient dan ook tot Gods eer en tot zegen van de mensen. Zo is ook niet iedere muziek geschikt voor jeugdwerk en evangelieverkondiging, of deze nu in de kerk of elders wordt gebruikt. Sentimentele, meeslepende muziek kweekt een sentimentele meeslepende stemming, een gevoelssfeer en bewerkt daardoor een openheid voor allerlei invloeden, vooral in combinatie met een bepaald ritme e.d. Ook de muziek staat hier onder invloed van de geest van de tijd, draagt het karakter van deze tijd, en staat mede bloot aan de toenemende verwereldlijking, sexualisering en demonisering van het leven, denken en voelen. Ook satan weet muziek en ritme te hanteren als middel om massa’s vooral jonge mensen schadelijk te beïnvloeden. M.n. valt hier te noemen de beat-, jazz-, pop- en rock-muziek.

Een christelijke tekst kan de erotische, antichristelijke en demonische bron van deze muziek niet reinigen, evenmin de goedbedoelde motieven om de buitenkerkelijke jeugd te trekken, in de veronderstelling dat de moderne jeugd alleen nog maar via de muziek aanspreekbaar zou zijn. Een ernstig gevolg is dat de kerkelijke, gelovige jeugd via deze muziek tot de wereld kan worden getrokken. Groot is de invloed, die van muziek uitgaat. Zal muziek echter verantwoord zijn, dan moet zij èn naar vorm èn naar inhoud onder de tucht staan van Woord en Geest.

Gespreksvragen:

1. Wat verstaan we onder „cultuur”?

Welke bijbelse principes en normen zijn hiervoor aan te wijzen?

2. Wat is het verschil tussen cultuur-mijding en cultuur-heiliging?

Wat is de juiste bijbelse levenshouding? (Rom. 12 :2,Col. 1 :9–11, 2 Cor. 7: 1).

3. Welke betekenis heeft Christus voor de cultuur?

4. Hoe moet het resultaat van wat in de cultuur niet opkomt uit het geloof, door ons gewaardeerd en gebruikt worden?

5. Welke vereisten vloeien hieruit voort b.v. ten aanzien van literatuur en muziek?

Voor verdere studie:

Algemeen:

H. Goedhart, Christendom en cultuur.

K. Schilder, Christus en cultuur. Franeker, 1948 (19785).

Over literatuur:

G. Slings, Een boos en overspelig geslacht. De moderne literatuur als teken des tijds. Goes, 19752.

H. v.d. Ent, Literatuur en ethiek. 1977.

Over (pop)muziek:

Johan van Gelder, Popmuziek en christendom, Moria, Amsterdam - uitgave met muziekcassette.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.