+ Meer informatie

Himalaya. Op 5000 meter in een Landcruiser

9 minuten leestijd

Ja, het kan, er loopt een weg van de stahd Lhasa in Tibet naar Kathmunda in Nepal: de Tibetaanse Friendship Highway. Op de kaart is het net zo'n streepje als de snelweg van Amsterdam naar München. Een ook ongeveer zo lang: 950 kilometer. Daarmee houden alle overeenkomsten op. De Friendship Highway naar Nepal is vrijwel volledig zandweg en heeft een lelijke hobbel in de route: de Himalaya. Om in Kathmandu te komen moet je over passen van 5000 meter hoogte. Verslag van een barre toch over het dak van de wereld.

Het begint met een lichte hoofdpijn. Want Lhasa, de hoofdstad van Tibet, ligt al op 3.607 meter boven zeeniveau. Op zo'n hoogte is de luchtdruk anders dan in een Nederlandse polder en het lichaam moet daar even aan wennen. Door de verminderde toevoer van zuurstof kan er gemakkelijk hoogteziekte optreden. Een lichte hoofdpijn en snelle vermoeidheid zijn de eerste tekenen. Eerst een paar dagen rustig aandoen om het lichaam te laten acclimatiseren. Waar een weg is, gaan auto's. Dus op een mooie morgen in augustus zijn we startklaar voor een zesdaagse autorit over de Friendship Highway naar Kathmandu. We: dat zijn Joe en Judd, twee Amerikanen uit Californië, Christian, een Fransman, ikzelf en de chauffeur die van Chinese afkomst is. En niet te vergeten een Toyota Landcruiser Customwagon die al behoorlijk afgejakkerd is, maar ondanks klapper- en trilverschijnselen de barre tocht moeiteloos zal volbrengen. De grootste problemen hebben we met de chauffeur, die zich simpelweg als Cho heeft voorgesteld.

Honden
Cho heeft al een tijdje ongeduldig zitten kijken tot we allemaal klaar zijn. Het wachten was nog op Joe, die een flinke stok wilde zoeken om onderweg de honden van zich af te kunnen slaan. Joe heeft een hekel aan honden en het geval wil dat Tibet een land is waar duizenden blaffers rondlopen. De meeste behoren tot het 'uiterst vals' en laten zich door niemand de les lezen. Ze opereren vaak in autonome groepjes; als je ze tegenkomt, is een stok geen overbodige luxe. Joe wilde echter een extra grote stok en het vinden daarvan duurde even. Cho is daardoor een beetje chagrijnig geworden en als we Lhasa uitrijden, zet hij er dan ook direct een flinke vaart in. De eerste honderd kilometer dat er nog asfalt is, rijdt Cho constant met gas op de plank. De achtcilinder benzinemotor vindt dat prima - grommend sjeest de Toyota door de Nyang-Qu vallei - maar diverse Tibetanen steken een vuist op: alles wat zich op de weg bevindt, wordt er door Cho zonder pardon afgeblazen. Dan is het asfalt plotseling afgelopen en brengt een enorme kuil ons tot bescheidenheid terug. De auto krijgt zo'n optater dat hij wel een meter omhoog vliegt. Even stoppen om jerricans en gereedschap weer op hun plaats te leggen en onder de auto te kijken of er niks kapot is. En daar gaan we weer.

Kjomme tenen
De eerste pas heet Kamba La en bereikt een hoogte van 4794 meter, slechts 13 meter lager dan de Mont Blanc. Op het hoogste punt van de pas stoppen we. Dat is wel nodig ook, want ik heb het grootste deel naar boven met ingehouden adem meegemaakt. De rijstijl van Cho bezorgt me kromme tenen. Even zorgeloos ademen is me zeer welkom. En even zorgeloos genieten van het uitzicht zonder de gedachte dat we ieder moment een ravijn in kunnen kukelen. Yamdrok Tso heet het enorme meer waar we op uitkijken aan de andere kant van de pas. De kleuren zijn als van een Picasso-schilderij. Het groenblauwe meer, met daaromheen roodbruine bergen combineert totaal niet met de felgele plakken van de koolzaadvelden. Boven het geheel hangt een vaalgrijze lucht. Op de voorgrond onze terreinwagen: kleur vaalbruin. Bij de afdaling zet Cho er weer flink de sokken in. Het gaat nu nog harder dan bergop natuurlijk. Ik duw met kracht op een denkbeeldig rempedaal als hij door de haarspeldbochten dendert en op een zeer smal stukje een vrachtwagen voorbijsteekt. Het ravijn links naast het raampje is zo diep dat het waarschijnlijk enkele minuten zal duren voor de auto helemaal beneden weer contact met de aarde zou maken.

Karo La
's Middags rijden we alweer op een volgende pas, de Karo La, op een hoogte van 5010 meter. We zien weinig van de omringende bergwereld, want een grijze deken houdt de pieken aan het oog onttrokken. De enorme gletsjers die hier en daar uit de brei naar beneden komen, doen wel vermoeden dat het zeer hoge bergen zijn. Het hoogste punt van de pas wordt gemarkeerd door stapels stenen en gebedsvlaggetjes. De Tibetanen zijn een zeer religieus volk. In een van de dorpjes willen we een groepje meisjes fotograferen. Ze stellen zich bereidwillig op voor de camera. Maar vlak voor het afdrukken rennen ze opeens alle kanten uit. Op de foto komt alleen een kale muur en wat wegrennende paardenstaarten. Een lol dat ze hebben: humor op z'n Tibetaans. Gyantse is een plaatsje waar nauwelijks buitenlanders komen. Het ziet er zeer exotisch uit met zijn typische bouwstijl, grote kloosters en zelfs een middeleeuws aandoend kasteel. Het hotelletje waar Cho ons naartoe brengt is van het type 'drie sterren', maar kost niet meer dan vijf gulden per nacht. Het geheim van die scherpe prijs wordt al snel duidelijk: de kamers hebben weliswaar bad, wc en tv, maar geen van die voorzieningen heeft de laatste tien jaar gewerkt. Van de gang komt een misselijkmakende stank en we vragen ons af of de lakens eens per maand of eens per jaar gewassen worden. Volgens mij is het eens per jaar.

Gereïncarneerd
We rijden naar Shigatse, de derde stad van Tibet, waar in een enorm kloostercomplex de zesjarige Panchen Lama woont. Hij zou de reïncarnatie zijn van de Panchen Lama die in 1989 overleed in Peking. Vermoord, volgens de Tibetanen. We zien het kleine jongetje echter niet. Sowieso zijn er weinig mensen te zien: de Chinezen zijn tijdens de Culturele Revolutie (on)behoorlijk bezig geweest met het uitroeien van de boeddhistische monniken. Veel monniken, waaronder de grote Dalai Lama, zijn naar India gevlucht. De Chinese overheid probeert de nog steeds sluimerende Tibetaanse opstand te breken door de import van grote groepen Han-Chinezen. Ook onze chauffeur Cho is een Han-Chinees die enkele jaren geleden aangemoedigd door de Chinese regering naar Tibet is geëmigreerd. Van de Tibetanen moet hij eigenlijk niets hebben en van de interesse van westerlingen voor dat ruige land begrijpt hij ook niet veel. Tijdens de tocht is zijn enige belang dan ook zo snel mogelijk van de ene plaats naar de andere te rijden. En dat begint ons behoorlijk te vervelen.
Neem nu de plaats Sakya waar we op de derde dag aan het eind van de ochtend doorkomen. Een schitterend Tibetaans stadje met karakteristieke zwart-wit geblokte huizen, jaks als lastdieren, vrouwen en mannen in Tibetaanse klederdracht en kindertjes die bloot in de het riviertje spelen. En ook nog een enorm klooster waar in het halfduister monniken in donkerrode gewaden en gele puntmutsen zitten te mediteren. Daar zou je toch wel uren willen ronddwalen. Maar Cho gebaart naar de dop van de benzinetank (hij spreekt nauwelijks Engels) en naar zijn horloge. Hij wil voor vijf uur in de volgende plaats zijn om benzine te kunnen tanken. Met moeite krijgen we een extra uurtje. En dan blijkt in de volgende plaats dat de benzinepomp nog tot acht uur open is... Maar we willen ons goede humeur niet laten vergallen: op de Tibetaanse Friendship Highway mag je niet chagrijnig zijn. Lhatse bestaat uit een aantal kromme huisjes langs de weg met een paar winkeltjes en een cafeetje. De schone Chinese serveerster die op een stoel zat te dommelen, heeft weinig zin heeft voor ons een Quintao-biertje in te schenken. Maar even later komt ze toch los en wordt het warempel nog gezellig. Totdat er in de keuken bij de bereiding van de geroosterde kip iets mis gaat. In een wolk van roet vluchten we het cafeetje uit.

Achtduizenders
Over een stoffige zandweg gaat het weer verder door een nauwe vallei. De lucht is op deze hoogten zo helder dat je tientallen kilometers ver kunt kijken. De bewolking is ook wat losgebroken en rondom kunnen we boven de roodbruine, nauwelijks begroeide bergen nu de toppen zien uitsteken van de Himalaya-reuzen: bergen van zes-, zeven- en achtduizend meter hoogte. Weer gaat de route over een pas en rijden we een tijdje over een zompige hoogvlakte waar de regen van de vorige week grote modderpoelen op de route heeft achtergelaten. We moeten een tijd wachten op een vrachtwagen die er tot over zijn assen is ingezakt. Met behulp van twee andere vrachtwagens wordt hij ten slotte weer losgetrokken. Cho bewijst zijn kunde als chauffeur. Hij ploegt de oude Toyota in één keer door de bruine blubber en tegen de steile tichel op. Veel erbarmen met het mechaniek van de wagen heeft hij echter niet. Op rotsachtige stukken scheurt hij even hard als op rul zand en wanneer af en toe een flinke steen tegen de ophanging kletst, deert dat hem niet in het minst. Hij voedt even later onze irritatie weer behoorlijk als hij op een mooi uitzichtpunt niet wil stoppen om foto's te kunnen maken van het landschap. Toch staan we even later stil: een enorm gerinkel onder de auto heeft aangegeven dat er iets kapot is. Nu natuurlijk net op een weinig interessant gedeelte. Het gerinkel blijkt van een beschermplaat onder de uidaat die is losgetrild. Cho trekt het ding helemaal weg en gooit hem achter een rots. We kunnen weer verder.

Hoogste klooster
Bij Tinggri verlaten we de 'hoofdweg' om een uitstapje te maken naar Rongbuk, het hoogste klooster ter wereld. Vandaar is het nog twee uur lopen naar het base camp van de Mount Everest, met 8848 meter de hoogste berg ter wereld. De lange rit naar Rongbuk gaat over nauwe, steile paadjes en nu blijkt dat Cho met zijn niets ontziende rijstijl niet helemaal ongelijk heeft. Als hij niet steeds stug door zou rijden, zouden we zeker niet voor het donker bij Rongbuk zijn. We rijden door een onbarmhartige bergwereld en zien prachtige achtduizenders om ons heen. Maar de top van de Mount Everest zien we net niet: die zit precies verborgen achter een paar irriterende wolken, 's Avonds is het in het gastenverblijf van het klooster onbarmhartig koud. Wat wil je ook: we zitten vijf kilometer hoog. We mogen ons echter komen warmen in het keukentje van het klooster waar een enorme boomstronk brandt en een paar giechelende nonnetjes ons een kop thee inschenken. Als we een tijdje later buiten staan, zien we de Mount Everest ineens in z'n volledige grootsheid. De maan doet de sneeuw tegen de blauwzwarte lucht glinsteren als wit zeepsop. De volgende morgen laat de gigant zich nog een keer zien.

Maar als we na twee uur lopen bij het base camp zijn en foto's willen maken van ons persoonlijk hoogterecord (5200 m), is de top weer net achter de wolken. Wachten op een opklaring heeft geen zin. Want Cho staat alweer te wachten en het is nog een heel eind terug naar de hoofdweg en vervolgens naar Kathmandu.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.