+ Meer informatie

Het Geref.-bisschoppelijk stelsel wurgt ons met ijzeren hand!

Hongaarse ds. Jószef Elias in „Vlissinger" rede (I):

9 minuten leestijd

„Admiraal help ons!" Wat zouden de Hongaarse Gereformeerden nu aan admiraal De Ruyter vragen? In dit jaar op 11 februari was het 300 jaar geleden, dat de In de Nederlandse stad Vlissingen geboren admiraal Michiel Adriaansz de Ruyter 26 Gereformeerde predikanten, vertegenwoordigers van het Christelijk Hongaars geweten, van de galeien verloste. Eén enkel mensenleven is al van onschatbare waarde, hoeveel te meer 26 levens.

Maar toch noopt dit herdenkingsfeest ' ons niet om te constateren, dat deze f overigens legendarische figuur een menselijke daad heeft verricht, maar veel meer, dat hij door zijn daad een sein aan Europa gegeven heeft en ongetwijfeld er op wees, dat de geloofsvrijheid niet alleen gewenst moet worden en dat er niet alleen getobd moet worden over de erbarmelijke omstandigheden van de gewetensdragers, maar dat men vooral handelen moet in hun belang. Indrukwekkend en altijd op een wijze, zoals het voor de omstandigheden van dat tijdperk het meest doelmatig is.

Zo is admiraal De Ruyter het symbool geworden van een indrukwekkende en doelmatige verlossing. Wij herinneren ons dit; wij stellen hen tot een voorbeeld; zijn persoon staat als het ware levend voor ons, terwijl we aan zijn daad denken als aan een versteend kostbaar overblijfsel.

Toen, 300 jaar geleden, was er voor De Ruyter de mogelijkheid om mensen te helpen, terwijl we vandaag van geen De Ruyter weten, omdat het leven en de omstandigheden van de Gereformeerden zo geordend zijn, dat het eenvoudigweg geen gelegenheid biedt aan zulk een optreden, dat de Hollandse admiraal beroemd heeft gemaakt. Is dat zo? Met andere woorden: zijn er vandaag daarom geen De Ruvters, omdat er geen behoefte aan ze bestaat? In de vraag schuilt het antwoord: vandaag aan de dag heeft de Gereformeerde kerk indrukwekkende en doelmatige hulp evenzeer nodig als 300 jaar geleden. En omdat dit zo is, is in verband met het jubileum de vraag actueel, die op de feestelijkheden in Hongarije, officieel niemand heeft opgeworpen, maar die in werkelijkheid in onze harten brandde: ,,VVat zou de Hongaarse Gereformeerde Kerk nu aan de zeeheld De Ruyter verzoeken?"

Voordat ik een poging doe onze wensen van van daag onder woorden te brengen, moet ik u wijzen op de verleidingen, waaraan ik was blootgesteld, terwijl ik me voorbereidde op deze voordracht, verleidingen, die naar mijn mening niet alleen mij tot doelwit hebben.

De eerste verleiding is, dat we van de vereerde persoon van De Ruyter een mythe maken, d.i. dat we hem afzonderlijk gaan zien, afgescheiden van de gemeenschap, waarin hij geboren en opgevoed is en waar hij gediend heeft. Wat hij gedaan heeft, heeft hij gedaan als een volwassen lid van de Vlissingse Gereformeerde Kerk en dat hij redding kon brengen, gebeurde omdat hij een zoon was van dat Hollandse volk, dat de vrijheid niet als tweederangs kwestie beschouwde. Dus, zowel de kerk als het volk hebben niet alleen eigen lichamelijke en geestelijke vrijheid als hartezaak gezien, maar ook die van anderen. Met andere woorden: de zeeheld was niet een uitzonderlijke, afwijkende en ongewone figuur van zijn kerk en volk, maar een type van deze; wel een opvallend type, maar een type van de algemene mentaliteit, dus één uit velen.

Zoals wij de houding van De Ruyter als een uitzondering zien, zo zou evenzeer de Hongaarse Gereformeerde houding van heden ten dage datzelfde effect sorteren. De verleiding van het mythologiseren uitbannend, houden we de lering over, dat tot ontplooiing en karaktervorming van zulke tot daden en tot redding bekwame mensen een bestaand milieu gunstig is. Ook op een bijzondere manier en uit een ongunstig milieu kan één tot grote daden geroepen persoon optreden. God kan ook uit een verpieterde wortel in een verschroeide aarde een nieuwe scheut laten groeien.

Toen en thans

Het voorbeeld van De Ruyter richt toch onze aandacht op het algemeen verschijnsel, dat de door Gods Woord gerichte omgeving, de lieden, die zich daaraan houden, in staat stelt gevangenen te bevrijden, zieken te genezen en voor verdrukten te strijden. Niet als een buitengewone daad, maar als natuurlijke openbaring van hun persoonlijkheid.

 De tweede verleiding ontspruit uit het feit, dat de zeeheld voor de Hongaarse Gereformeerden in die tijd, de van buiten komende redding betekende en wel in de letterlijke betekenis van het woord. Gemakkelijk en aangenaam is het te bedenken, dat er anderen, buitenstaanders ons helpen zonder dat we er zelf onze pink voor hoeven uit te steken. Zo zou De Ruyter voor ons de „deus ex machina" betekenen en de in verbeelding hem voorgestelde vragen' niet eigentijds en tevens onwaardig voor ons zijn.

Oe derde verleiding zou zijn: een parallel te trekken tussen de situatie van 300 jaar geleden en nu. Toen was de Habsburg-dynastie en de daarmee verbonden clerus de vijand; nu is de vijand de op strijdbare, dialektisch materialisme gebaseerde politieke orde. Dit kan geconstateerd worden door een ieder, die nadenkt. En toch, tussen toen en nu is niet alleen een tijdsverschil, maar ook een kwalitatief verschil; wat toen zich betrekkelijk eenvoudig manifesteerde is nu fijner en gecompliceerder geworden. Tot de eenvoud behoorde, dat de identiteit van de vijand niet twijfelachtig was, terwijl bij de huidige ingewikkeldheid kenmerkend is, dat hij aanwezig kan zijn.

De vierde verleiding zou kunnen zijn, dat we in details vervallen en niet op de wortel van het kwaad wijzen, maar op de vertakkingen, dat we de verschijnselen laten zien en daarmee als het ware de grondoorzaak van het kwaad vergeten. Daarom moest ik deze verleidingen laten zien en ze opsommen, opdat we ze vermijden zouden en bevrijd van deze, de grondoorzaak van het kwaad zouden kunnen bekend maken, voor welks verwijdering we op broederlijke hulp zijn aangewezen, 't Zal natuurlijk niet te omzeilen zijn. de gevolgen van het fundamentele kwaad, eventueel met illustraties, op te noemen.

De fundamentele fout, de wortel van het probleem — elke benaming is gemotiveerd — van de Hongaarse Gereformeerden, is niet de verdrukking door een vijand van buiten, zoals dat 300 jaar geleden was. Hierom al kan men het verre verleden niet automatisch parallel laten lopen met het heden.

Onze Gereformeerde Kerk is uitgeput door innerlijke wanorde, door het niet geordend zijn van het kerkbestuur, kerkconstructie en -organisatie, 't Is een eigenaardige ordeloosheid, want het is een produkt van principe, theologie en geloofs-inconsequentie. Wat haar ontstaan betreft, ze is niet van jonge datum, ze reikt terug in de 19e eeuw en zelfs tot vroegere tijden. Haar inconsequentie spruit daaruit voort, dat wij ons voor Gereformeerden uitgeven, dat wij de Tweede Helvetische Confessie en de Heidelbergse Catechismus 'als geloofsbelijdende boeken erkennen en dat we ons op de Constitutie van Calvijn als richting-gevende bron beroepen, maar terzelfdertijd de overdreven praktijk van het episcopalisme volgen. Deze inconsequentie was altijd nadelig, maar nu zijn we dicht aan de top genaderd van het schadelijk-zijn. Nu is het niet alleen schadelijk meer, maar eenvoudig onverdraaglijk!

In de voorbije eeuwen hebben het presbytenale en het bisschoppelijke denken een harde strijd met elkaar gevoerd. Bijna was er de hoop, dat de Calvinistische zienswijze zou zegevieren en dat onze landskerk volgens het principe van de presbyter-synode zou worden ingericht. Helaas, dat is niet gebeurd, maar er ontstond een slecht compromis; een in het kleed van het presbyteriale principe verstopte episcopalisme, nam de overhand. Dit wordt enigszins in onze wetboeken weerspiegeld; vooral in de allerlaatste; het is o.a. kenmerkend voor het Hongaarse overwoekerende episcopalisme, dat ze zelfs niet zoveel terrein aan kerkvisitatie toelaat, als zelfs de geschreven wetten schijnen te verzekeren.

Tussen haakjes wil ik opmerken, dat het Hongaarse episcopalisme niet daérom zo'n alarmerend verschijnsel is, omdat het van alle Gereformeerde kerken in de wereld, slechts bij ons heeft wortel geschoten, maar omdat het in een vreselijke tegenspraak is met het Bijbelse oerkerkelijke geloofsfundament en vooral ook omdat er elementen aan ontbreken, die bij het episcopalisme van de klerikaal ingerichte kerken (de R.K. Kerk, de AnElicaanse Kerk) positief tot hun recht komen.

In deze kerken is er in de loop der tijden een controle-stelsel, een maatregel ontstaan, die van de schadelijke invloed van het episcopalisme bevrijdt. In verband hiermede kunnen we slechts zeggen, dat we hun episcopalisme op grond van principe theologie en geloof onjuist achten, maar niet bewezen, dat dit episcopalisme op zich een broeikas zou zijn van misbruiken.

In deze voordracht verhef ik mijn stem niet tegen het episcopalisme in het algemeen, want dit hoort niet tot mijn onderwerp, maar wel tegen het Hongaarse episcopalisme, dat van een houten tot een ijzeren band geworden is, die onze hals toesnoert. In onze kerk kiezen we de bisschop (püspök) voor levenslang, de deken (esperes) voor slechts 12 jaar, maar deze zelfde predikant kan daarna voor de volgende 12 jaar ook gekozen worden, zoals 't merendeels het geval is, zodat het een levenslange eer is.

Rondom deze, in definitieve machtspositie geraakte kerkelijke personen, ontstond een stabiel belanghebbend net, met een modern woord gezegd: een leidinggevend kader, die op grond van gemeenschappelijke interesse en verplichtingen elkaar niet alleen steunden, maar ook dekten!

Het trapsgewijze verkiezen wordt * ook slechts „spel", daar er ten aanzien van bijv. het voorzitterschap van de kerkkring (classis), kerkprovincie en synode pariteit is. Voor het uitkiezen en kiezen van niet-kerkelijke personen doen alleen de geestelijken (de deken, de bisschop, de bisschop-voorzitter van de synode) voorstellen. Zij stellen zo'n niet-geestelijke medevoorzitter voor, die door zijn privé-werkkring en zijn werk in het openbare leven totaal opgeëist wordt, zodat hij slechts een minimum aan representatief werk op zich kan nemen. Bijv. het ondertekenen van belangrijke documenten, waarbij hij — door tijdgebrek — niet in staat is van de inhoud, de achtergrond en van de gevolgen behoorlijk kennis te nemen en te overwegen.

Ze kiezen zo'n niet-geestelijke, voorzitter-collega die ze van te voren al voor zijn leven aan zich hebben verplicht, of zo één, die door zijn overheersende domineesverering alles overlaat aan de geestelijke voorzitter-collega, zodat hij in de handen van de geestelijken een willoze stropop is".

(Aldus het eerste deel van deze rede van ds. Elias, die hij niet in ons land heeft kunnen houden. Morgen hopen wij het tweede deel te publiceren, waarin hij o.a. voorbeelden aanhaalt van de kwalijke praktijken, die het bisschoppelijk stelsel in deze Geref. (of; Hervormde) kerk met zich mee brengt.

 red.K

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.