+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

7.

Het dorp Zedelijkheid is voor de Pelgrim helaas begeerlijk geworden. Daar klaagt niemand over zijn ellende, de kwellingen van het ongeloof en de bestrijdingen van satan zijn daar geheel onbekend. Van wedergeboorte en bekering wordt er niet gesproken. Alle burgers zijn kant en klaar voor de hemel.

Inderdaad, het dorp Zedelijkheid is een gezellig dorp. Die burgers weten met een grote handigheid en godsdienstigheid sfeer te scheppen en in stand te houden.

Hier wonen geen onbekeerde mensen en hier kerkt de heer Wereldwijs met zijn vrouw. Nooit spreekt de leraar onbekeerde mensen aan, want die zijn er niet. Van week tot week wordt het de hoorders betuigd dat zij op reis zijn naar de hemel en dat gelooft men op commando.

Wel kan hij soms erg te keer gaan tegen de hypocrieten, maar dat streelt de hoorders, want zij zijn geen hypocrieten. Wie sterft, gaat naar de hemel. En waarom niet, want men houdt het zedelijke leven voor een gezond geestelijk leven. Wanneer men het gezag, het leven, de vrouw, het goed en de naam van zijn naaste eerbiedigt, dan is dat een wandelen op de weg van heiligmaking.

Maar hiermee willen wij het zedelijk leven als zodanig niet veroordelen. Dat is in de samenleving werkelijk te waarderen. De rijke jongeling was wat het zedelijke leven betreft, een beminnenswaardig mens. Maar dat zedelijke leven sproot niet voort uit hartvernieuwende genade, het was vrucht van de algemene genade. En die genade heeft enerzijds een inbindende kracht, zodat het de mens bewaart voor de uitleving van zijn totale verdorvenheid. Want wij zijn van nature geneigd God en onze naaste te haten.

Anderzijds wordt ons de algemene genade geschonken om de eigenschappen van onze ziel en de zintuigen van ons persoonlijk leven tot ontwikkeling te brengen in de samenleving. De Heere wil dat wij in het natuurlijke en zedelijke leven wat betekenen voor onze medemensen. Maar al te weinig wordt die kracht in de ontwikkeling van de algemene genade gewaardeerd. Het is door de Heere Jezus niet veroordeeld dat de rijke jongeling zich in de samenleving verdienstelijk had gemaakt door die kracht in de ontwikkeling van de algemene genade.

Wij mogen in dat opzicht bij het dorp Zedelijkheid niet achterstaan. Slordigheid in het zedelijke leven is altijd en in iedereen te veroordelen. Wie heeft nu toch graag te doen met iemand die liegt, niet eerlijk is en lastert. Deze mensen maken het zich in de samenleving moeilijk, zo niet onmogelijk. Daarom willen wij dan ook het zedelijk leven van het dorp Zedelijkheid niet veroordelen, maar met des te meer klaarheid wijzen op het gemis van het geestelijke leven.

Met de grootste tederheid heeft de Heere Jezus de rijke jongeling gewezen op het gemis van een nieuw geestelijk leven. Om het eeuwige leven te beërven had hij alles te verkopen en aan de armen te geven, want dan pas zou hij de Heere Jezus kunnen volgen.

Maar is het dan mogelijk dat een mens vanuit zijn natuurstaat de Heere Jezus kan volgen door de kracht van de algemene genade? In geen geval! Om Hem te volgen tot verkrijging van het eeuwige leven hebben wij niet alleen de wedergeboorte in engere zin, maar ook in ruimere zin nodig.

En toch heeft de Heere Jezus dat tot deze jongeling gezegd, al kende hij het leven der genade niet, maar in verband met de wijze waarop hij tot Hem kwam. Voor hem was de Heiland, al was het met een gradueel verschil, één van zijn gelijken. En inderdaad als waarachtig mens heeft Hij ook voor Zichzelf het recht ten eeuwigen leven verworven door een volmaakte onderhouding van de wet. De jongeling kwam niet tot de Heere Jezus om vergeving van zonde tot bevrijding van het oordeel. Dat was reeds in orde, althans daarvan had de dienstdoende priester hem verzekerd. En zolang dat in orde was kon men zich niet bekommeren over het beërven van het eeuwige leven.

Als hij dan het recht ten eeuwigen leven wilde verdienen zoals de Heiland dat deed, dan moest hij al zijn goederen verkopen en het geld aan de armen geven. Want de Heere Jezus was arm geworden daar Hij rijk was. Hij had geld noch goed, huis noch bed. Uit liefde tot Zijn God en tot Zijn wet was Hij arm geworden. Een zaak die door en door geestelijk is. En daarop is het dan ook vastgelopen bij deze jongeling.

Deze man had dus wel een hoogstaand zedelijk leven, was daarin zelfs beminnenswaardig, maar het geestelijke leven miste hij. Hij was de Goddelijke natuur niet deelachtig door wederbarende genade.

De levenden kennen de innige en zoete droefheid naar God, die opkomt uit het nieuwe leven. Met deze woorden: „Ik zal U hartelijk liefhebben”, is het hart aan God verbonden. De Kenner der harten wist, dat hartelijk liefhebben was in de diepste diepte van het innerlijk leven. Wist dat het hart treurde over het kwaad tegen Hem bedreven.

Het geestelijke leven is in zijn aard en natuur geheel onderscheiden van het zedelijke leven. Mensen met een godsdienstig zedelijk leven weten niet wat het is vanuit het gemis van God te treuren, te smeken om Zijn zoete en zalige gemeenschap. Het licht van Zijn vriendelijk aangezicht kunnen zij missen.

Maar hoe kon de Pelgrim nu zijn schreden richten naar het dorp Zedelijkheid? Hij kende toch het nieuwe leven der genade? We hebben hem daarin toch mogen ontmoeten en hebben het hartelijk overgenomen?

Volkomen waar, en toch is hij op weg naar het dorp Zedelijkheid. De raad, zich aldaar metterwoon te vestigen, heeft hij nog wel niet aangenomen, maar ook niet van de hand gewezen. Wat denkt u, want u denkt toch met ons mee, wat zou daarvan toch wel de oorzaak zijn?

Wel heel eenvoudig, het staat allemaal nog in verband met zijn val in de poel Moedeloosheid. Als er geen hulp van buiten af, zo denkt hij, tot mij gekomen was, dan zou ik vanwege de steile kant er nooit uitgekomen zijn. En wat dan?

Door zich heel ver van die poel te verwijderen is hij tegelijkertijd van het rechte pad afgeweken. En nu dwaalt hij uit vrees voor die verschrikkelijke poel steeds verder af naar links. Vreesachtigheid is een heel slechte onderwijzeres. Zij heeft haar opleiding gehad op de school van mijnheer Ongeloof. Zij gaat geheel en al met berekening te werk en dan weet u het wel wat daarvan te verwachten is. Zo is ook David uit vrees voor Saul veel te ver uitgeweken naar links, en dat deed hem komen in het land der Filistijnen. Een land waarvan niet iets goeds te zeggen is. Althans David heeft er zijn God niet ontmoet, hij heeft het daar voor zijn innerlijk leven echt slecht gehad.

Als David nu, een man naar Gods hart, een held in Israël, de raad van Vreesachtigheid opvolgt, dan is dat van een man als de Pelgrim met weinig of geen ervaring goed te begrijpen. Maar dit laatste moet u hem niet vertellen, want dat zou schadelijk kunnen werken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.