+ Meer informatie

De Christinnereis is voor jong en oud

8 minuten leestijd

33.

Met blijdschap mochten wij het vernemen, dat Vreesachtig vriendelijk en hartelijk door Uitlegger is ontvangen. Hij beminde hem en liet hem van alles het beste geven. En deze verkwikkingen had de arme man nodig om de vreesaanjagende stem van het ongeloof wat tot zwijgen te brengen. Het was net alsof hij zijn smader nu wat had te antwoorden. Het was voor hem zo onnoemelijk groot een plaats te hebben in het hart en huis van Gods kinderen. Daar hij veeltijds dacht vanuit zijn verdorven bestaan, dacht hem dit niet mogelijk. Maar die plaats heeft hij dan ook niet van Adamswege, doch van Christuswege, en dat wist hij niet zo goed te onderscheiden. „Hierop reikte Vreesachtig zijn brief over, en toen mijn Meester, de Meester van Stoutmoedig, die gelezen had, zeide Hij, dat al zijn noden zouden vervuld worden. Langzamerhand begon hij nu moed te vatten en zich meer op zijn gemak te voelen. Want mijn Meester, moet gij weten, is zeer goedertieren en zeer teder voor de vreesachtigen, daarom deed Hij alles wat nodig was om hem op te beuren. Hij toonde hem dan ook alles wat de plaats voor merkwaardigs bevatte, en toen de reis weer zou worden voortgezet, gaf mijn Meester hem, evenals vroeger aan de Pelgrim, alles mee wat tot versterking kon dienen, en nu vertrokken wij samen, want ik moest hem tot gids verstrekken en voor hem uitgaan.

Hij sprak echter niet veel, het enige wat ik vernam, waren zuchten, waarin hij zijn gemoed lucht gaf.

En begrijpelijk, want het was de aard van deze man zichzelf te verfoeien in al de zwakheden en tekortkomingen, die hem in het huis van Uitlegger kwamen aan te kleven. In al zijn doen en laten zag hij heel veel gebrek. Maar hij verliet onder dat alles het vermaarde huis van Uitlegger toch niet zonder gids. Hij wist het dus heel goed, dat hij met het genot der zaak geen vijand op de vlucht kon slaan en dat in onderscheiding van anderen, die daarmee wel op stap gingen, tot schade van hun innerlijk leven.

„Toen wij gekomen waren op de plaats waar de drie rovers zijn opgehangen, gaf hij zijn vrees te kennen, dat hun lot ook eenmaal het zijne zou wezen”. En begrijpelijk, want door te denken vanuit zijn verdorven bestaan, is er wel terdege reden vrees te hebben voor de uitleving van dat kwaad, daar wij allen van één lap gescheurd zijn.

„Doch hoe blijde was Vreesachtig toen hij het kruis zag en het geopende graf. Hier had hij wel willen blijven staan, en nog een geruime tijd daarna was hij verkwikt en blijmoedig. De gedachte, dat de gekruiste Christus was opgewekt en gesteld in de heerlijkheid des Vaders, was hem dierbaar. Ja, Hij is opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Hij heeft de vergeving der zortden en het recht ten eeuwigen leven verworven. Hij heeft over dood en graf getriomfeerd om het door Hem verdiende heil toe te passen. In het geheiligde graf van. Christus hoopt Vreesachtig eenmaal begraven te worden tot bevrijding van alle vreesachtigheid. Onze beste vriend zag het heel goed, dat de grond van zijn zaligheid was in Christus, in Zijn borgtochtelijk lijden en sterven.

Bij de heuvel Moeilijkheid gekomen, was hij echter volstrekt niet uit het veld geslagen, en ook joegen de leeuwen hem geen schrik aan, want gij moet begrijpen, dat zijn onrust geen betrekking had op die soort van dingen. Neen, wat hij vreesde was, dat hij ten slotte toch zou worden buitengesloten! ”

Gedacht vanuit het standelijk leven draagt Gods kind de grote verantwoordelijkheid van het volharden tot het einde toe in het geloof. „Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden”, zegt de Heere Jezus ons. En wie zich met de staat der genade in de slordigheid van het standelijke leven op de been kan houden, is daarin verwerpelijk. Want dan kan het hart zich niet echt en recht verheugen in de hoop der heerlijkheid. Maar Vreesachtig heeft door Gods genade geen slordige levenswandel. Het wonder van in te mogen gaan, wordt hem bij de dag groter, want als hij ziet op zichzelf, dan kan het nooit.

„Ik bracht Vreesachtig nu in het paleis Liefelijkheid, ik geloof eer dan hij het wenste. Toen hij daar binnen was, bracht ik hem in kennis met de maagden in dat paleis, maar hij vond zich zeer ongeschikt om in hun gezelschap te verkeren. Hij verlangde meestal alleen te zijn, en toch luisterde hij gaarne naar een goed gesprek, en als hij daar naar kon horen, terwijl hij zelf voor het oog van anderen verborgen was, genoot hij daar het meest van. Hij hoorde ook gaarne spreken van dingen, die lang geleden geschied waren, en placht dan veel daarover na te denken. Zelfs verhaalde hij mij, dat hij gaarne veel zou weten van hetgeen op het huis betrekking had, maar dat hij niet veel durfde vragen”.

Zie, Vreesachtig had zichzelf altijd tegen in de dingen van Gods Koninkrijk, en dat verdroot hem. Hij kon het inwonend verderf maar niet te boven komen. „Toen wij uit het paleis Liefelijkheid de heuvel afgingen en in de vallei Verootmoediging kwamen, was Vreesachtig zo wel te moede als ik nog nimmer iemand zag. Het deerde hem niet hoe laag hij gesteld werd, als hij maar veilig mocht aanlanden. Waarlijk, ik geloof, dat er een soort overeenstemming was tussen deze vallei en zijn karakter, want nergens op de gehele reis zag ik hem zo opgewekt als hier het geval was. Hier vlijde hij zich neder en kuste de bloemen van deze vallei”.

In de diepte der verootmoediging voor het aangezicht des Heeren worden de bloemen van Gods beloften hem steeds meer dierbaar. Hij bad of de Heere hem wilde zijn als de dauw om te bloeien als een lelie en zijn wortelen uit te mogen slaan als de Libanon. Het zou zeker zijn tot verheerlijking van de grote Koning.

„Iedere morgen was hij op bij het aanbreken van de dag om het dal in alle richtingen te doorkruisen. Toen wij echter gekomen waren aan de ingang van de vallei van de schaduwen des doods, dacht ik, dat ik mijn man zou verloren hebben; niet omdat hij aan teruggaan dacht, die gedachte verfoeide hij ten enenmale, maar hij scheen het van angst te zullen besterven. „O, de spoken zullen mij grijpen, de spoken zullen mij grijpen! ” riep hij uit, en dat kon ik hem niet uit het hoofd praten. Hij maakte zulk een leven en schreeuwde hier zo hard, dat, als zij hem slechts gehoord hadden, zij moed genoeg zouden hebben gehad naar buiten te komen en op ons aan te vallen. Maar ik bemerkte, dat het in deze vallei, toen wij er doorgingen, zo kalm en rustig was, als ik nog nimmer had gezien. Ik houd het er voor, dat de machten der duisternis op een bijzondere wijze door mijn Meester in bedwang werden gehouden, zodat zij zich niet konden roeren noch bewegen gedurende de tijd, die Vreesachtig nodig had er door te gaan”.

Wanneer wij blikken in de Vallei van de schaduwen des doods, dan zien wij van alle kanten de boze geesten op ons afkomen om ons te grijpen en was het mogelijk ten verderve te voeren. En zo was het bij de arme man een roepen uit de banden van de dood en de angsten van de hel tot de Heere, waarop hij verhoring ontving. Want Hij wendt Zich tot het gebed desgenen die gans ontbloot is.

„Het zou te lang ophouden indien ik u alle bijzonderheden wilde mededelen, doch een paar voorvallen moet ik u nog verhalen. Toen wij op de Udelheidskermis kwamen, dacht ik, dat hij met een ieder de strijd zou hebben aangebonden, en ik vreesde, dat de lieden ons zouden vermoorden, zó krachtig getuigde hij tegen hun dwaasheden. Op de Betoverde Grond was hij volkomen wakker, terwijl gefundeerde pelgrims daar wel slaperig werden”. Vreesachtig zou ons dat alles nooit gezegd hebben, want de vrees, dat hij daar te hoog zou worden aangeslagen, weerhield hem daarvan. Gelukkig voor hem en ons, dat Stoutmoedig zijn gids was, anders zouden wij bitter weinig van hem geweten hebben.

Maar toen wij aan de rivier waren gekomen en hij bespeurde, dat geen brug naar de overzijde voerde, was de moeilijkheid weer onoverkomelijk, naar hem dacht. „Nu zal ik stellig jammerlijk verdrinken”, riep hij uit, „en nimmer zal de vreugde mij te beurt vallen dat gelaat te aanschouwen, waarvoor ik deze lange tocht heb ondernomen”.

Gedurig werd Vreesachtig, en dat van meet af, en tot het einde toe, door een boze twijfelgeest gekweld. Maar daarom was hij geen twijfelaar, daar werd onder de reizigers naar Sion niet getwijfeld aan de oprechtheid van zijn beginsel. Gelijk een schip op zee ballast nodig heeft om door winden en golven niet omgeslagen te worden, heeft een reiziger naar Sion dat ook nodig tot gebondenheid aan de troon der genade. Maar het is en blijft ballast.

Nijkerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.