+ Meer informatie

Verantwoordelijk, verbonden en verwonderd

5 minuten leestijd

Het kerkeraadsgebed voor en na de eredienst

In de kerkeraadskamer staat een groepje mannen bijeen. Het is zondagmorgen. Ze hebben elkaar met een handdruk begroet. Straks zullen ze de kerk in gaan, waar de gemeente is samengekomen. Een van hen zal een bijzondere taak verrichten. Hij staat ervoor. Op het moment dat zij hun handen vouwen en hun ogen sluiten, worden ze gewaar dat er één meer bij hen is dan ze met hun ogen open zagen. „Waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen”.

Er gaat aanstonds iets gebeuren, dat in de wereld zijn weerga niet vindt. God gaat Zijn gemeente ontmoeten. Hij wil hen begroeten, troosten, vermanen, versterken, in de ogen zien, levenstaken meegeven. Hij wil op hun lofzangen tronen.

Het groepje mannen vertegenwoordigt de gemeente. Ze zijn als kerkeraad verantwoordelijk voor de samenkomst. Daarom beginnen zij met een consistoriegebed, als uitdrukking van hun verwondering en hun verantwoordelijkheid. Ze staan om de dienaar heen, aan wie het zo „hoge en verantwoordelijke ambt” is toevertrouwd. Het kerkeraadsgebed is ook uitdrukking van verbondenheid met de predikant. Moge dit gebed hem bemoedigen en vreugde geven.

„Voorgaan in gebed is niet gemakkelijk, om niet te zeggen soms erg moeilijk. Om een ander te zeggen hoe het wel of niet gedaan moet worden is nog moeilijker, om niet te zeggen vrijwel onmogelijk”. De redactie vroeg mij in te gaan op een brief waarin gevraagd wordt om een artikel over het gebed in de kerkeraadskamer voor en na de kerkdienst. Het citaat zoëven was uit die brief. Als medeambtsdrager wil ik proberen op de gestelde vraag een reactie te geven - ook al is dit inderdaad „vrijwel onmogelijk”. Wat ik u voorleg is niet als aanwijzing of voorschrift bedoeld, maar als overweging.

Eerst wil ik iets zeggen over „hoe” en dan over „wat” er in de kerkeraadskamer gebeden zou kunnen worden.

Het kerkeraadsgebed voor en na de dienst moet, denk ik, kort zijn. Geen overbodige woorden, zoals „aan de morgen van deze dag zijn wij aan deze plaats bijeen gekomen”. Geen doublure van het gemeentegebed dat straks in de dienst opgezonden zal worden of herhaling van wat in de dienst gebeden is. Geen klakkeloze vraag om vergeving, zonder aanduiding van wat bedreven of nagelaten werd. Laten het verstaanbare woorden zijn, duidelijk uitgesproken en deelbaar onderling. Deelbaar vooral voor de predikant, een bemoediging voor hem, een ervaring van broederschap op dit heilige moment.

Bij de inhoud van het gebed zouden we een variabel en een vast gedeelte kunnen onderscheiden. Met het eerste bedoel ik dat deel, dat veelal een plaats krijgt in de eerste helft van het gebed en waarin degene die voorgaat mag uitspreken dat waar zijn hart hem toe dringt. Dat kan per zondag verschillen. We kunnen vol zijn van eerbied, omdat we tot Hem opzien wiens troon in de hemel is. Van schroom, omdat Hij zo heilig is en wij zo bevlekt. Van vreugde, omdat Hij met ons wil verkeren. Of van spanning omdat bepaalde gebeurtenissen ons allemaal sterk bezighouden. Deze dingen mogen (niet: moeten) uitgesproken worden. Als de dienst een bijzonder karakter draagt - een doop- of avondmaalsbediening, een feest, een bid- of dankstond - zal ook dat in de intentie en de woorden van het gebed uitkomen.

Het vaste gedeelte vormen de gebeden waarin de predikant en de gemeente die wij op dit moment bijzonder vertegenwoordigen mogen, aan de Here worden opgedragen.

„Zegen Uw dienaar, geef hem Uw Geest, om U, de grote Herder der schapen, hier vandaag wezenlijk te vertegenwoordigen” (naar Joh. 21). Of: „om als gezant van Christus Uw gemeente te vermanen en aan te sporen, ons met U te laten verzoenen” (naar II Cor. 5). Of: „om ons werkelijk en doelbewust toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van Uw lichaam” (naar Ef. 4). Of: „om namens U de vreugdebode te zijn, die heil verkondigt” (naar Jes. 52). Bijbelwoorden wijzen altijd het goede spoor voor ons gebed (de hier genoemde ontleen ik aan het bevestigingsformulier).

Voor en namens de gemeente: „Zegen Uw gemeente, dat wij niet in naam van onszelf, maar in Uw Naam vergaderd zijn: dan zult U naar Uw belofte in ons midden wezen”. Of: „Open onze harten, om de dienaar te ontvangen die Gij zendt, en zo U, onze Koning, Profeet en Hogepriester te ontvangen”.

Na de dienst past opnieuw een kort, duidelijk gebed. Daarin mag tot uitdrukking komen (het „variabele” deel), wat we gezamenlijk in de dienst hebben beleefd, wat het ons gedaan, geleerd, gegeven heeft; wat we aan dankbaarheid en zorgen meenemen naar huis. Ook hier gaat het niet om een herhaling van het gebed in de kerkdienst zelf, maar om uitdrukking van onze verantwoordelijkheid als kerkeraad en van verbondenheid met de predikant. Het is een bemoediging voor hem als hij in het kerkeraadsgebed voelt dat hij ons bereikt heeft.

In het vaste gedeelte past de bede om Gods geleide bij de verwerking van onze ontmoeting met Hem. „U hebt ons uitgezonden met Uw zegen. Sterk ons tot onze opdrachten. Open ons oog voor de kansen die U ons geeft. Maak ons als predikant, ambtsdragers en gemeente trouw en blijmoedig en houd ons dicht bij U”.

Ten slotte zullen wij, hierin onderwezen door de Heiland zelf, Hem lofprijzen en daarna „gelovig amen zeggen op het gebed”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.