+ Meer informatie

OPENINGSWOORD VOOR DE AMBTSDRAGERSCONFERENTIE VAN 24 OKTOBER 1981 IN DE ICHTHUSKERK TE AMERSFOORT

5 minuten leestijd

Waarde broeders,

Het is mij nooit erg moeilijk gevallen bij het thema van onze conferenties in het verleden een passend gedeelte uit de bijbel te vinden om bij de opening voor te lezen. Ik wil niet verhelen dat ik er voor deze conferentie nogal moeite mee heb gehad. Niet dat de Heilige Schrift maar weinig uitspraken zou bevatten van waaruit lijnen kunnen worden getrokken naar de zaken waarover wij vandaag met elkaar willen nadenken, maar ik heb gezocht naar een Woord van onze God dat ons bij de start van onze bezinning in deze conferentie de juiste opstelling zou kunnen doen kiezen. En dat dan niet om ons in onze diversiteit en in de ongelijkheid van ons denken al bij voorbaat plat te walsen en op die wijze van tevoren een bepaald resultaat van onze discussie te waarborgen. Dat zou christelijke demagogie zijn. In de kerk van Christus mag het nooit zijn als wel eens in de politiek en in het bedrijfsleven gebeurt, namelijk dat de notulen van een vergadering al geschreven zijn nog vóór de vergadering is gehouden.

Ik heb gekozen voor psalm 139. Als we dit lied goed op ons laten inwerken - en omdat we er zowel uit gelezen als uit gezongen hebben moet dat mogelijk zijn - kunnen we er voor deze dag naar mijn overtuiging een gezindheid aan overhouden die ik een voorwaarde vind, niet alleen voor een goed verloop, maar vooral ook voor een goed resultaat van onze bezinning. Welke gezindheid dan wel? Die van oprechtheid en bescheidenheid. Twee dingen springen uit psalm 139 naar voren: Gods aanwezigheid in en Gods alwetendheid met betrekking tot alle dingen van ons leven. Het opschrift boven de psalm duidt deze dingen aan als der vromen troost. En dat zijn ze ook. Maar zij prenten ons ook in dat wij tegenover deze God in een relatie van persoonlijke verantwoordelijkheid staan. God kent onze gedachten; Hij proeft onze intenties, doorziet onze voornemens en toetst de motieven van ons handelen; God weet waar onze zwakheden liggen en waarin wij mogelijk sterk zijn. Het ligt alles open voor Zijn ogen. Ons hele leven is blijkens deze psalm door Hem omgeven.

Dat besef lijkt ons leven vandaag niet meer zo sterk te beheersen. Wij hebben het met deze God van psalm 139 in deze tijd wel eens een beetje moeilijk. Als mensen van een tijd, waarin wetenschap en techniek een exhorbitant snelle en in zeker opzicht beangstigende ontwikkeling doormaken, lopen wij gevaar ons leven zo te leven als zou God nog slechts aan de grenzen van ons leven en niet meer in het centrum daarvan staan. Wat vroegere generaties voor vraagtekens plaatste, windt ons niet meer op. De resultaten van de wetenschap hebben ons geleerd in termen van oorzaak en gevolg te denken. De werkelijkheid van het leven heeft voor ons nauwelijks nog geheimen. Wat vroeger aan God werd toegeschreven heeft inmiddels zijn rationele en natuurlijke verklaring gekregen en wat in onze kennis nog aan witte vlekken over is zal spoedig ook zijn invulling krijgen. De God van de Bijbel is voor velen, ook voor kerkmensen, een enigszins onzekere factor geworden. Is er wel echt een God Wiens aanwezigheid wij in ons leven op overstelpend heerlijk wijze kunnen ervaren en staan wij wel echt tot een persoonlijk God in een verhouding van verantwoordelijkheid voor al ons doen en laten? Psalm 139 kan ons daaromtrent zekerheid verschaffen. Onder miljoenen heeft God ons op deze zandkorrel in een duizelingwekkend groot heelal op en in het oog. Het grootste en meest overtuigende bewijs van Zijn creatieve presentie in ons leven heeft God gegeven in Jezus Christus, rond Wiens persoon en werk God een boodschap liet schrijven waarin Hij ons Zijn wil te kennen heeft gegeven. Dat die boodschap de sporen draagt van de tijd waarin zij tot stand kwam, doet geen afbreuk aan het feit dat de grondgedachten van Goddelijke wijsheid die erin vervat zijn, ook nu nog volle geldigheid hebben en een reikwijdte hebben tot op de jongste dag. Niet weinigen staan vandaag op het standpunt dat God ons in die geschreven boodschap toch nog veel te raden heeft overgelaten en dat sommige uitspraken van de Bijbel op de werkelijkheid van vandaag niet meer toepasbaar zijn. Nu is het onmiskenbaar dat de vraag welke normatieve betekenis de geboden en verboden uit de Bijbel in onze concrete situaties hebben, onderzoek en bezinning vraagt. Evenmin valt te ontkennen dat wij in ons weten, kennen en kunnen verder zijn dan de voorgaande geslachten, maar alle omgang met de Bijbel zal ook nu ten diepste beheerst moeten zijn door het besef dat wij ons te wachten hebben voor de neiging God te willen vertellen wat wij ervan vinden - en die neiging is er vandaag van ultrarechts tot hyperlinks - terwijl God ons wil leren aangaande de weg die wij zullen gaan. Wij roepen voor deze conferentie de genadige medewerking van Gods Geest in om te leren niet slechts de letter van de Bijbel te lezen maar ook de geest ervan te proeven. En moge onze gedachtenwisseling vandaag beheerst worden door dat bescheidenheid bijbrengende woord uit de voorgelezen psalm: „Want er is geen woord op mijn tong, of zie. Here, Gij kent het volkomen”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.