+ Meer informatie

Vragen over de euro

11 minuten leestijd

De gulden verdwijnt. De D-mark, de Franse frank en al die andere geldsoorten binnen de Europese Unie moeten eveneens het veld ruimen. Zij maken plaats voor de euro. Het ligt in de bedoeling dat in de toekomst alle inwoners van de EU met dezelfde munteenheid hun boodschappen afrekenen. Geld. Iedereen gebruikt het. Een verandering op dat terrein raakt ons allemaal. Voor het eerst ondervindt elke burger dagelijks en direct de gevolgen van een beslissing in het kader van de Europese eenwording Er wacht ons een ingrijpende operatie. Die roept veel vragen op. We hebben er een aantal, met bijbehorende antwoorden, op een rij gezet.

1. Waarom wordt de euro ingevoerd?
Tot nu toe heeft elk land zijn eigen muntsoort. Tussen die valuta's bestaat geen vaste wisselkoers (waardeverhouding). Die kan van het ene op het andere ogenblik stijgen of dalen. Voor bedrijven die zaken doen over de grens is dat duur en lastig. Zij moeten steeds geld omwisselen en daarmee zijn kosten gemoeid. Bovendien lopen zij risico. Bijvoorbeeld: een ondernemer heeft spullen gekocht in Italië. Over een maand dient hij de rekening (een bepaald bedrag aan lires) te voldoen. Hij weet op dit moment echter niet hoeveel guldens hij daarvoor nodig heeft, want de koers tussen gulden en lire gaat op en neer. Invoering van de euro maakt een einde aan deze kosten en aan deze onzekerheid.

2. Wanneer gaan we over op de euro?
Volgens de huidige plannen beschikken we per 1 januari 2002 in onze portemonnee over de euro. Dan komt hij in tastbare vorm in omloop. Gedurende enkele maanden kunnen we zowel het oude als het nieuwe geld gebruiken. Uiterlijk halverwege genoemd jaar verliest de gulden de status van wettig betaalmiddel en is de overschakeling voltooid. Maar veel eerder al, op 1 januari 1999, doet de euro zijn intrede op papier, in wat we noemen het girale verkeer. Vanaf dat moment zullen steeds meer overboekingen plaatsvinden in de euro. In de overgangsperiode hanteren de banken een dubbele boekhouding. Er gaan thans overigens stemmen op om de invoering uit te stellen en/of de normen (zie vraag 4) te versoepelen.

3. Welke landen krijgen de euro?
Het is de bedoeling dat op termijn de euro circuleert in het hele gebied dat tot de EU behoort. Maar een land mag het nieuwe geld pas introduceren als het aan bepaalde oorwaarden voldoet. Het moet eerst een gezonde economie hebben, want anders dreigt het de waarde van de euro te ondermijnen. In het voorjaar van 1998 beslissen de vijftien regeringsleiders in welke lidstaten meteen vanaf het begin, dus op 1 januari 1999, de Europese munt wordt geïntroduceerd. In Nederland verkeert de economie in een dusdanig goede conditie dat het vrijwel zeker is dat wij meteen slagen voor het 'toelatingsexamen'. De landen die nog niet rijp zijn voor de overstap kunnen op een later tijdstip aansluiten bij de Economische en Monetaire Unie (EMU). Dat is de benaming voor de groep van landen die met de euro werkt.

4. Aan welke normen moet een land voldoen om te mogen toetreden tot de EMU?
Die zogeheten convergentiecriteria zijn opgenomen in het Verdrag van Maastricht, dat tijdens de Europese topconferentie van eind 1991, in het Limburgse provinciehuis, is vastgesteld. Ze vereisen een geringe inflatie, een lage rente, een bescheiden begrotingstekort, een beperkte overheidsschuld en een stabiele wisselkoers. Het Verdrag bevat ten aanzien van deze punten gedetailleerde en cijfermatige voorschriften. Zo mag het begrotingstekort niet hoger zijn dan 3 procent van het bruto binnenlands product (bbp), de waarde van wat de mensen in een land met z'n allen produceren.

5. Wat gebeurt er wanneer een land dat de euro heeft ingevoerd na enige tijd niet meer aan die criteria voldoet?
Het financieel-economisch beleid wordt in steeds sterkere mate in Europees verband gecoördineerd. De landen leggen elkaar hun plannen voor. Dreigt er ergens iets verkeerd te gaan, dan zullen ze de desbetreffende regering aansporen de situatie te corrigeren, haar eventueel confronteren met concrete aanbevelingen. In het uiterste geval zijn zelfs strafmaatregelen denkbaar. Onderling toezicht moet dus ontsporingen voorkomen. In dit kader is tijdens de Europese top van afgelopen december, in Dublin, een akkoord bereikt over het zogenaamde stabiliteitspact. Dat voorziet in spelregels voor de omvang van het begrotingstekort. Worden die niet nageleefd, dan kan de EU dat land een fikse boete opleggen.

6. Gaan de mensen op de Nederlandse Antillen ook met de euro betalen?
Nee. Dat onderdeel van ons Koninkrijk heeft zijn eigen munt, de Antilliaanse gulden, en dat blijft zo.

7. Wat wordt de waarde van de euro?
Die wordt bepaald aan de hand van de wisselkoersen die op 31 december 1998 van kracht zijn op de valutamarkten; al beluisteren we ook pleidooien om reeds op een eerder tijdstip hierover duidelijkheid te verschaffen. In ieder geval is zij afhankelijk van de onderlinge krachtsverhoudingen van de verschillende munten in het dagelijkse financiële verkeer. Op dit moment ziet het ernaar uit dat de waarde van de euro ten opzichte van de gulden ergens tussen 2,10 en 2,20 gulden zal liggen.

8. Hoeveel biljetten en munten van de euro komen er?
Eerst dit: één euro wordt onderverdeeld in 100 centen. Alle lidstaten hanteren straks die voor ons vertrouwde naam. Er komen van het Europese geld zeven biljetten (van 5, 10, 20, 50, 100, 200 en 500 euro) en acht munten (van 1, 2, 5, 10, 20 en 50 centen en van 1 en 2 euro). Het rekenen met een kwart (zoals wij dat nu doen met behulp van ons kwartje en ons briefje van 250 gulden) verdwijnt dus. Voor alle EU- -landen samen moeten er 70 miljard munten en circa 12 miljard biljetten worden gemaakt.

9. Krijgen alle landen dezelfde biljetten en munten?
Ja, al zijn er ook verschillen. Het uiterlijk van de biljetten kennen we inmiddels. De definitieve ontwerpen zijn eind vorig jaar gepubliceerd. Op hooguit een vijfde deel van één kant mag een land een nationaal symbool aanbrengen. Hoe de munten eruit zullen zien, weten we nog niet. Afgesproken is wel dat één zijde daarvan wordt gereserveerd voor een nationaal kenmerk. In Nederland zal dat waarschijnlijk de afbeelding van de Koningin zijn. Er is binnen de EU nog geen besluit gevallen over de vraag of de munten ook een, per land verschillend, randschrift bevatten. Ondanks de verscheidenheid kunnen we met alle biljetten en munten in alle landen die deelnemen aan de EMU betalen.

10. Zal de euro even hard zijn als de gulden?
Dat moeten we afwachten. De regeringen en de op te richten Europese Centrale Bank, met naar alle waarschijnlijkheid onze landgenoot Duisenberg als eerste president, streven daar natuurlijk wel naar. De gulden -en hetzelfde geldt voor de D-mark- ontleent zijn kracht in het internationale verkeer aan een solide economische politiek, met als resultaat daarvan een lage inflatie en gezonde overheidsfinanciën. Dat geeft een munt vertrouwen. Het komt er dus op aan dat Europa als geheel straks een net zo degelijk beleid voert als nu Nederland en Duitsland afzonderlijk doen. Niet iedereen is ervan overtuigd dat dit zal lukken. Er zijn immers diverse EU-landen die wat dit betreft bepaald geen beste reputatie bezitten.

11. Waarom gaat de nieuwe munt niet ecu heten, zoalf aanvankelijk iedereen verwachtte?
Het begrip ecu kennen we al lange tijd als benaming voor een Europese rekeneenheid. Er worden wél bedragen in uitgedrukt, maar er zijn geen munten of biljetten van in omloop. De waarde ervan is afhankelijk van de waarde van de diverse nationale valuta's. Zij schommelt nogal. Vooral de Duitsers voelden er niets voor het nieuwe geld de naam ecu te geven. Zij waren bang dat die aanduiding te veel zou herinneren aan de oude en weinig stabiele rekeneenheid en dat daardoor het beoogde Europese betaalmiddel het imago zou krijgen van een zwakke munt.

12. Wat gebeurt er met mijn inkomen en wat zijn de gevolgen van de invoering van de euro voor de prijzen en voor de koopkracht?
Het inkomen wordt vanaf omstreeks 1 januari 2002 uitbetaald in euro's. Doordat één euro gelijk zal zijn aan ruim twee gulden, lijkt het dan alsof het maandelijks te ontvangen bedrag meer dan gehalveerd is. Maar hetzelfde geldt voor de prijzen. De koopkracht verandert dus niet. Niemand gaat er op vooruit of achteruit.

13. En wat zijn de consequenties voor mijn spaargeld en mijn hypotheek?
Tegoeden en schulden worden in 2002, tegen de dan vastgestelde koers (zie vraag 7), omgerekend van guldens in euro's. Dat geschiedt op basis van wetgeving binnen de EU. Daarin is tevens opgenomen dat de overige voorwaarden, zoals de afgesproken rente, geen wijziging mogen ondergaan. Ook in dit vlak zijn er voor de consument dus geen voor- of nadelen. Nee. Te zijner tijd moeten de mensen alleen de bankbiljetten en de muntstukken waarover zij beschikken, in een oude sok of in een kluis, omwisselen. Dat kan overigens nog lange tijd nadat de gulden als wettig betaalmiddel heeft afgedaan. De bedragen in contracten die iemand heeft lopen, in de sfeer van bijvoorbeeld leningen, pensioenen, verzekeringen en, reeds genoemd, hypotheken, worden door de betrokken financiële instelling omgezet in euro's, zonder dat de klant daarom behoeft te vragen.

14. Moet ik als burger maatregelen treffen met het oog op de komst van de euro?
Nee. Te zijner tijd moeten de mensen alleen de bankbiljetten en de muntstukken waarover zij beschikken, in een oude sok of in een kluis, omwisselen. Dat kan overigens nog lange tijd nadat de gulden als wettig betaalmiddel heeft afgedaan. De bedragen in contracten die iemand heeft lopen, in de sfeer van bijvoorbeeld leningen, pensioenen, verzekeringen en, reeds genoemd, hypotheken, worden door de betrokken financiële instelling omgezet in euro's, zonder dat de klant daarom behoeft te vragen.

15. Welke voorbereidingen zijn nodig binnen het bedrijfsleven?
Voor het bedrijfsleven ligt het anders. Dat moet zijn hele administratie en de daarbij behorende geautomatiseerde systemen aanpassen, van de prijzen en de lonen tot en met de software voor de boekhouding. De banken willen we in dit opzicht afzonderlijk vermelden. Die nemen immers een bijzondere positie in als het gaat om geld. Alles wat zij doen, heeft daarmee te maken. Vooral voor hen betekent de omschakeling een omvangrijke operatie.

16. Moeten alle automaten worden aangepast?
Ja; de automaat waaruit we bij de bank ons geld halen, maar ook de parkeermeter en het apparaat waarmee we op het NS-station een treinkaartje kunnen kopen, om eens enkele voorbeelden te noemen.

17. Wat zijn de kosten van de omschakeling?
De banken -we wezen er reeds op- moeten de meeste kosten maken. Zij hebben in het afgelopen jaar al flinke bedragen opzij gelegd in verband met die toekomstige uitgaven. ABN Amro, de grootste bankinstelling in ons land, schat dat er voor haar aan de introductie van de euro een prijskaartje hangt van rond 500 miljoen gulden. Ook bedrijven hebben kosten en daar draaien ze zelf voor op.

18. Wat zijn uiteindelijk de voordelen van de invoering van de euro?
De burger die binnen Europa op reis gaat en een grens passeert, behoeft geen geld meer te wisselen. Dat betekent voor hem een kostenvoordeel. En het is natuurlijk prettig dat straks overal in de EU de producten op dezelfde wijze zijn geprijsd als in Nederland. Dat maakt vergelijking een stuk eenvoudiger. Maar de euro komt er vooral met het oog op de voordelen in de zakelijke sfeer. We hebben dat bij vraag 1 al aangegeven. De euro beperkt voor ondernemingen de kosten en de risico's. De verwachting is dat dit de handel en de investeringen binnen Europa bevordert. Dat leidt tot een hogere economische groei en daarmee tot meer werkgelegenheid en meer welvaart.

19. Treden er ook nadelen op?
De wisselkoers was altijd een instrument binnen het kader van het economisch beleid. Bij een verzwakte concurrentiepositie, als gevolg van een te hoge inflatie, kon een land een correctie aanbrengen door de koers te wijzigen. Die optie vervalt, waarbij we moeten aantekenen dat een land als Nederland, met een strikte koppeling van de gulden aan de D-mark, in de praktijk toch al niet meer over die mogelijkheid beschikte. Als in de toekomst een lidstaat van de EU onverhoopt de inflatie laat ontsporen, zullen de lonen omlaag moeten of loopt de werkgelegenheid flinke klappen op. Devalueren is er niet meer bij. De EMU dwingt dus tot discipline, anders krijg je een hoge rekening gepresenteerd.

20. Bestaan er principiële bezwaren tegen de euro?
EMU en euro moeten we plaatsen binnen het kader van de Europese eenwording. Dat proces is niet vandaag of gisteren van start gegaan, maar EMU en euro zijn wel de tot nu toe belangrijkste stappen op weg naar één Europa. De ontwikkelingen op dit gebied gaan gepaard met verlies van nationale zelfstandigheid. Het verdwijnen van de gulden brengt bijvoorbeeld mee dat we de beslissingsbevoegdheid over de rente overdragen aan een Europese instelling, de Europese Centrale Bank. Overigens waren we in de praktijk op dit vlak toch al met handen en voeten gebonden aan de besluiten van de Duitsers. Ook voor wat betreft de begrotingspolitiek krijgen de lidstaten beperkingen opgelegd (zie vraag 5). Kortom, de ruimte voor nationaal beleid wordt kleiner.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.