+ Meer informatie

KERKENRAAD, WAT DÓE JE TOCH!?

27 minuten leestijd

Het zou niet verwonderlijk zijn wanneer u als ouderling of diaken die vraag zo nu en dan te beantwoorden krijgt, bijvoorbeeld als u thuis weer eens aankondigt dat u vanavond kerkenraadsvergadering hebt: ‘Pa, wat doen jullie daar toch altijd?’ Het diepste antwoord zal dan zijn: ‘Wel, geestelijk leiding geven aan de gemeente’! En dat is Bijbels. Maar wat ís geestelijk leiding geven aan de gemeente in de praktijk eigenlijk? Het comité wil deze vraag vandaag centraal stellen. Ze is te veelomvattend om overal op in te gaan. Het comité legde mij enkele zaken voor, die ik graag nader met u onder de loep neem:

1. Hoe ziet de kerkenraad de gemeente?

2. Hoe geeft de kerkenraad geestelijk leiding aan de gemeente in een tijd waarin het aantal beschikbare broeders afneemt?

3. Wat is er te zeggen over het begrip ‘geestelijk leider’?

I. DE GEMEENTE

In de Bijbel worden ons verschillende beelden aangereikt die typerend zijn voor de gemeente, en dus ook voor de vraag hoe de kerkenraad de gemeente in beeld heeft.

1.1. De kudde van de Goede Herder

Het bekendste beeld is wel dat van de kudde schapen, die door de Herder worden geweid en gehoed. Die Herder is de Heiland, Jezus Christus. Al in het Oude Testament wordt die Herder beloofd, tegen de achtergrond van vele slechte herders: Ez. 34:23 spreekt in dat kader over de éne Herder die zal opstaan: ‘Mijn Knecht David’. Een heenwijzing naar de grote Zoon van David, die zelf zegt: ‘Ik ben de Goede Herder’, Joh. 10:14. En in dat spoor neemt deze Opperherder allerlei kleine, menselijke ‘onderherders’ in zijn dienst. Dat moge o.a. blijken uit Joh. 21:15-17. Daar neemt de opgestane Here zijn leerling Petrus opnieuw in dienst na zijn woorden van aanhankelijkheid, met de woorden: ‘Weid mijn lammeren. (…) Hoed mijn schapen. (…). Weid mijn schapen.’ En in Hand. 20:28 schrijft Paulus: ‘Zie dan toe op uzelf en op heel de kudde, waarvan de Heilige Geest u tot opzieners heeft gesteld om de gemeente van God te weiden’. En men kan ook denken aan 1 Petr. 5:2-4: ‘Hoed de kudde van God die bij u is en houd daar toezicht op (…), als mensen die voorbeelden voor de kudde geworden zijn’. De dienst die Petrus van de Heiland ontvangen had, geeft hij weer aan anderen door.

Het beeld geeft veel in handen voor het geestelijk werk van de kerkenraad. In de gemeente wordt een ‘kudde’ aan hem toevertrouwd. En die kudde heeft hij te hoeden en te weiden. Hij zal dus zorg dragen voor ‘grazige weiden’, voor voedsel in overvloed. En hij zal de gemeente daar naar toe leiden en daar bij laten blijven. Het moge voor zichzelf spreken dat van hieruit er duidelijke lijnen te trekken zijn naar de prediking en het pastoraat. In de prediking wordt het geestelijk voedsel uitgereikt: het Woord van God wordt immers doorgegeven, er wordt gepreekt en zodoende wordt het Woord bij de harten van de schapen gebracht, met de bede dat de Heilige Geest dat Woord daarin zal leggen. En in het pastoraat wordt dat nog eens in kleine kring voortgezet. Én in het pastoraat is verder ruimte om na te gaan hoe dat geestelijk voedsel wordt verwerkt en of er ontwikkeling is in het geloofsleven. Het gesprek maakt duidelijk hoe de groei of de neergang is van het geloofsleven, en of het aangereikte voedsel ‘stevig’ genoeg is om de gemeente te weiden en te hoeden. Om het met de woorden van de Ned. Geloofsbelijdenis (art. 30) te zeggen: ‘…en aldus de ware godsdienst in stand te houden en te zorgen dat de ware leer voortgang heeft’.

1.2. De mondige gemeente

Het beeld van de kudde en de herder geeft dus veel aanwijzingen voor het geestelijk leiding geven aan de gemeente. De schijnwerper staat daarbij vooral gericht op het herderschap. Daarnaast is het verleidelijk om ook iets over de kudde te zeggen. Het is bekend dat schapen niet de gewilligste dieren zijn. Ze moeten altijd weer bij de kudde gehouden worden, en er moet altijd weer op gelet worden dat ze niet verdwalen. Dan dienen ze teruggehaald te worden. Ook daarin gaat de Schrift ons met beelden voor. Het bekendste is ongetwijfeld dat van Mat. 18:10-14 - de gelijkenis van het verloren schaap.

Dit mag ons echter niet ertoe verleiden om de gemeente te beschouwen als een stel lastige, onmondige schapen, die niets te zeggen hebben, maar die enkel en alleen maar gehoorzaam hebben te luisteren naar wat de kerkenraad hen voorschrijft. Dit onder het thema: ‘Wij weten wel wat geestelijk goed voor u is’. Dát de kerkenraad dit weet, is te hopen, maar het betekent niet dat de gemeente niets heeft in te brengen.

Dat wordt duidelijk wanneer we een ánder beeld in het oog vatten dat in de Bijbel voor de gemeente wordt gebruikt. In de brief aan Efeze schetst Paulus de verhouding tussen de ambtsdragers (de oudsten) en de gemeenten. In 4:7-16 zegt hij daarover dingen die voor ons onderwerp van groot belang zijn. Degenen die geroepen worden om de gemeente voor te gaan (4:11) hebben daartoe gaven gekregen (7); zij zullen de heiligen toerusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus (12). De bedoeling van die toerusting is dat de gemeenteleden geen jonge kinderen (of met de NBG 1951 onmondig) zouden zijn (14). Nee, de gemeente zal door de dienst van de oudsten groeien in geloof, hoop en liefde. Zo houdt zij zich in liefde aan de waarheid en groeit zij naar het Hoofd Jezus Christus (15). Zo wordt de gemeente zoals God haar wil laten zijn: een lichaam dat bijeengehouden wordt door ondersteuning gevende banden, die alle een plek in dat lichaam hebben ‘overeenkomstig de mate waarin ieder deel werkzaam is. Zo verkrijgt het lichaam zijn groei, tot opbouw van zichzelf in de liefde’ (16).

Het is opvallend dat hier telkens in zelfstandige termen over de gemeente wordt gesproken. De geestelijke leiding van de kerkenraad haalt haar van het klein-kind-zijn weg, en brengt haar tot geestelijke mondigheid. Dat betekent dat de kerkenraad niet zomaar óver de gemeente in zijn kerkenraadsvergaderingen spreekt en tegelijk zónder haar. Nee, de kerkenraad zal ook met de gemeente in gesprek zijn en haar zo de plaats gunnen die haar van Godswege toekomt. De kerkenraad wil de gemeente niet klein houden, maar haar geestelijk volwassen laten worden. Zo verwerkt de raad ook de zinsnede uit de NBG, art. 27 waar over de gemeente gezegd wordt: ‘Zij is een heilige vergadering van de waarlijk gelovige christenen, die al hun heil verwachten van Jezus Christus’. Meestal steken wij in de CGK in op de gemeente als verbondsgemeente, met de terechte gedachte dat daarin ongetwijfeld leden zullen zijn die zich nog niet tot de Heiland van de Schriften hebben gewend. En wij denken aan de zogenaamde hypocrieten, de ‘huichelaars, die in de Kerk onder de goeden gemengd zijn en toch niet tot de Kerk behoren’ (art. 29 NGB). Maar dat mag ons niet van het hoge niveau afbrengen die de Schrift en de belijdenis ons leren!

Enkele voorbeelden:

1.2.1. De verkiezing van ambtsdragers

Deze mondigheid van de (belijdende leden van de) gemeente komt o.a. uit in de wijze waarop ambtsdragers worden gekozen. In het concept-reglement dat de kerken daarvoor opgesteld hebben (bijlage 61 K.O.) staat dat dit ‘met medewerking van de stemgerechtigde leden van de gemeente’ zal gebeuren. En die medewerking komt op drie momenten tot uiting:

• bij de gelegenheid die de kerkenraad biedt om bij de kerkenraad broeders te noemen bij wie men gaven opmerkt die voor het dienen in het ambt van belang zijn;

• bij de daadwerkelijke verkiezing, waarvoor de gemeente in een speciale kerkenraadsvergadering wordt samengeroepen;

• bij de approbatie van de verkozen en benoemde broeders.

Hier en daar is waar te nemen dat niet elke kerkenraad deze drie zaken ter harte neemt. Zo gebeurt het wel dat een kerkenraad tot talstelling komt zonder de gemeente vooraf te vragen om hem op bepaalde broeders te attenderen. Dat kan de gedachte bij de gemeente oproepen dat de kerkenraad redeneert: ‘Wij weten dat wel voor u’. En er zullen gemeenten zijn die daarmee tevreden zijn. Maar de ambten zijn zowel door Christus gegeven als dat zij uit de gemeente opkomen. Terecht werd onlangs op een studiedag van de Gereformeerde Bond in de PKN (19 november 2014) door een van de inleiders, ds. H.J.C.C.J. Wilschut, gezegd: ‘Nadenken over het ambt begint bij de gemeente. De gemeente gaat principieel aan het ambt vooraf’.

En de kerkenraad zal de gemeente serieus nemen in haar geestelijke mondigheid om gaven op te merken bij bepaalde broeders en daar de kerkenraad op te attenderen. Het kan de kerkenraad ook helpen om te zien hoe namen van bepaalde broeders in dit opzicht in de gemeente ‘leven’ of niet.

In verreweg de meeste gemeenten wordt een verkiezingsvergadering uitgeschreven. Maar ook dit gebruik blijkt aan slijtage onderhevig te worden. Dat gebeurt met name wanneer het niet meer lukt om tot meervoudige talstelling te komen. Men komt niet verder dan een enkelvoudige kandidaatstelling en zelfs dan nog blijven er in sommige situaties één of meer vacatures. Het hoeft geen betoog dat dit voor kerkenraden - en hopelijk ook voor de gemeenten die aan hun geestelijke zorg zijn toevertrouwd - knellende en zorgelijke situaties zijn. Die wordt nog groter wanneer men zich moet afvragen of een gekandideerde broeder ‘het wel zal halen…’.

Men gaat zich vervolgens blijkbaar afvragen: is het nodig om de gemeente bijeen te roepen als wij toch geen ‘keuzemogelijkheden kunnen aanbieden’? Kunnen we die fase niet overslaan en meteen de gemeente voorstellen die ene broeder voor die ene vacature of die drie broeders voor die drie vacatures maar te benoemen? In feite komt een kerkenraad met een dergelijk voorstel meteen bij de zogenaamde approbatie: benoemde broeders worden op twee achtereenvolgende zondagen bekendgemaakt aan de gemeente, opdat deze haar recht kan uitoefenen om gegronde bezwaren tegen een benoemde broeder bij de kerkenraad ter kennis te brengen. Ik las deze gang van zaken onlangs nog weer in het Kerkblad voor het Noorden; dankbaar dat er weer kandidaten zijn schrijft de kerkenraad: ‘De namen zijn aan de gemeente voorgelegd. U hebt nu 2 weken de tijd om te stemmen. Als u voor stemt, hoeft u niets te doen. Als u tegen stemt, kan u dat, met opgaaf van een reden, aangeven bij de scriba’. Juist daarover schreef ik in Ambtelijk Contact september 2014: dit is geen verkiezing, het is approbatie! Onze kerken kennen deze gang van zaken niet, in tegenstelling tot de Geref. Kerken (vrijg.). Daar kan ‘bij uitzondering benoeming zonder verkiezing plaatsvinden’ (Kerkorde GKv 2015, art. B24.5).

Met alle begrip voor de moeiten die kerkenraden kunnen hebben en die hierboven omschreven zijn, moet toch gezegd worden dat de procedure van ‘niet verkiezen en toch benoemen’ op gespannen voet staat met de kerkorde. In art. 22 staat heel helder: ‘De ouderlingen wordt tot hun ambt geroepen via verkiezing door de gemeente uit een voordracht van de kerkenraad’. Dat is met opzet zo geformuleerd. Er zit de overtuiging achter dat het Christus zélf is die de ambtsdragers roept en schenkt aan de gemeente (Ef. 4:7-12). Hoger kan het niet. In de eerste bevestigingsvraag klinkt dit hoge principe door: ‘Bent u in uw hart overtuigd dat God zelf u door zijn gemeente tot deze heilige dienst geroepen heeft?’

Het is Geestelijke voortgang dat we in den beginne in Hand. 1:14-26 lezen dat de verkiezing van Mattias na gebed bij loting gebeurt, maar dat vervolgens in 6:1-6 te lezen is dat de gemeente zeven broeders kiest (vers 3 en 5). De gemeente krijgt dus een voorname plaats, zij is mondig (Ef. 4:14-16) en krijgt haar geestelijke verantwoordelijkheden. En… die zal een kerkenraad haar dus niet uit handen nemen!

Ten slotte over de approbatie: ook na verkiezing en benoeming kan het nog zijn dat een gemeentelid om zwaarwichtige redenen niet kan instemmen met die benoeming. Dan zal het moeten gaan om ketterijen of een zondig leven, waarvan hij/zij weet heeft. En dan is daar het recht om een voorgenomen bevestiging te blokkeren, mits daarvoor natuurlijk eerst de geestelijke route naar Mat. 18 is gevolgd.

1.2.2 Communicatie

De mondige inbreng van de gemeente komt ook op andere momenten ter sprake. Zo zal iedere kerkenraad elk jaar de gemeente bijeenroepen om met haar te spreken over de manier waarop de financiële gaven zijn besteed. En daar zal de kerkenraad transparant in zijn.

Soms komt een kerkenraad tot de overtuiging dat er een nieuw kerkgebouw moet komen, of dat er een belangrijke verbouwing moet plaatsvinden, waarmee veel geld is gemoeid. Dat zal niet gebeuren zonder raadpleging van de gemeente.

Een kerkenraad die een nauwere samenleving (naar bijlage 8 K.O.) met een andere plaatselijke gemeente van gereformeerd belijden wil aangaan, heeft daarvoor een ‘genoegzame eenparigheid van gevoelen’ van de gemeente nodig. Anders zal de classis er niet mee instemmen.

En wanneer een kerkenraad ingrijpende wijzigingen in de kerkdiensten overweegt, zal hij ook daarover in gesprek gaan met de gemeente.

Het sleutelwoord hierbij is: communicatie. Het is een begrip dat in de samenleving steeds belangrijker wordt, nu deze opgedeeld dreigt te worden in allerlei groepen die elkaar niet meer bereiken, en mede daardoor steeds verder uit elkaar groeien. Dat is het begin van ontbinding, en dat is heel gevaarlijk. In de gemeente van Christus is het niet anders. Wat van Godswege is geboden duldt geen tegenspraak. In die zaken mag de kerkenraad stellig en met innerlijke overtuiging spreken en handelen. Eigenlijk is dat alleen voor te stellen wanneer de gemeente zich op een geestelijke dwaalweg zou willen begeven. Dan is het zelfs de heilige róeping van de raad om dat te weerstaan. Het hoort principieel bij zijn taak om de gemeente te hoeden en te weiden. Dan nóg is hij geroepen die stelligheid en overtuiging met de gemeente te delen. En de geestelijke mondigheid van de gemeente zal dan - hopelijk - blijken: zij zal met die stelligheid en overtuiging instemmen.

Maar heel veel zaken liggen niet zo scherp - gelukkig niet. En dan is het aftasten van de meningen en gevoelens van gemeenteleden des te belangrijker. Zo zal uiteindelijk ook het gezag van de kerkenraad blijken. Men kan al lange tijd in de samenleving vernemen dat gezag ‘verworven moet worden’. Zo is het in de gemeente van de Here Jezus niet: dat geestelijk gezag wordt door Hem geschonken. Maar - opnieuw met de woorden van ds. Wilschut - ‘een ambtsdrager moet bedenken dat hij van God autoriteit heeft gekregen, maar hij moet zich niet autoritair opstellen. Hij moet geen ambtelijk troontje bestijgen’. Waarvan wat mij betreft acte!

In de GKv is dit zelfs zo geregeld dat er bij ‘beslissingen met verstrekkende financiële gevolgen (…) vooraf de instemming van de gemeente’ wordt gevraagd (Kerkorde GKv 2015 art. G83.4). Zover gaan onze regels niet, maar het moge duidelijk zijn dat een kerkenraad zich op heel glad geestelijk ijs begeeft wanneer hij bij zwaarwegende zaken tegen de mening van de gemeente in gaat.

1.2.3. Voor alle zekerheid

Twee zaken wil ik in dit kader nog aanstippen: Allereerst het principe dat de kerkenraad altijd het orgaan is dat het besluit neemt, gehoord de gemeente. Daartoe is hij ten principale kerkenraad, het geestelijk bestuur van de gemeente. In theorie kan dit betekenen dat een besluit ingaat tegen de mening van de gemeente in, in de praktijk is dat vrijwel ondenkbaar.

Vervolgens: het begrip mondigheid heeft een geheel geestelijke inhoud. Het heeft in de samenleving een geheel andere klank dan in de kerk. Ik bedoel daarmee: men dient het duidelijk te onderscheiden van ‘niet op je mondje gevallen zijn’, of zelfs ‘goed gebekt zijn’. Dat laatste komt namelijk ook in de gemeente voor, maar het gaat niet altijd gepaard met geestelijke mondigheid. Ook op dit gebied moeten de geesten onderscheiden worden, of zij uit God zijn.

2. DE INSTRUMENTEN VOOR GEESTELIJKE LEIDING

De kerkenraad heeft ouderlingen (oudsten, naar het Bijbelse woord). Zij worden in de Bijbel ook de herders genoemd. Daarom is pastoraat vanouds een belangrijk onderdeel van de taak van de ouderlingen – en predikanten! – geweest. Dat principe staat onder druk, zo kan iedereen uit de praktijk waarnemen. In grote gemeenten, maar ook in kleinere. Maar het hoort wél bij het geestelijk leiding geven aan de gemeente, of niet?

Vanouds zijn onder ons prediking en pastoraat de zaken geweest waarvan we vonden dat dit de instrumenten zijn die de Heilige Geest geeft, en waardoor de kerkenraad geestelijke leiding geeft aan de gemeente. Vanuit het zondagse onderwijs uit de Schriften zoekt de Grote Herder van de schapen de schapen op en brengt ze bij de veilige stal. Daarvoor is dan wel van belang dat de herders die door de Herder in dienst zijn genomen, hun schapen kennen. Niet alleen van naam - dat is wel het minste, maar ook geestelijk. Ook hier geldt dat het communiceren van groot belang is; ik schets dat als volgt.

2.1 De taak van de predikant

Vanouds - opnieuw! - hebben de kerken daarover gezegd: van de predikant mag verwacht worden dat hij de gemeente geestelijk bouwt. Speciaal via de prediking, de catechese en het pastoraat. Leraar en herder zijn dus. Dat is in verschillende documenten verankerd:

• art. 16 K.O. spreekt over de predikanten als volgt: tot zijn taak behoort dat zij ‘in de gebeden en in de bediening des Woords en der sacramenten volharden, dat zij als goede herders zorg en verantwoordelijkheid dragen voor hun medeambtsdragers (…) en voor de hele gemeente’;

• het bevestigingsformulier spreekt achtereenvolgens over de bediening van Woord en sacramenten, het ‘onderrichten’ van de jeugd ‘in de Schriften, die hen wijs kunnen maken tot zaligheid’, opdat zij door Gods genade zal komen tot belijdenis van het geloof in Jezus Christus’ en van het ‘bezoeken van de gemeente in getrouwheid, met zorg en liefde, naar de opdracht (!!) van de grote Herder der schapen’;

• in de beroepsbrief staat het leiden van kerkdiensten, catechiseren en doen van zieken- en huisbezoek bij de taken die van de predikant worden gevraagd.

Ik teken bij dit alles aan dat in deze citaten met opzet het ‘leren’ voorop staat. De hoofdtaak van de predikant is (zijn titel zegt het al): het preken. Dat gaat allereerst met gebed gepaard, hoe zou het anders vrucht kunnen dragen? Maar wie zal kunnen preken zonder dat hij zijn gemeente kent en zonder dat hij weet hoe ‘de schapen gelegerd zijn’? Daarom zal een predikant ook catechiseren. In veel gemeenten doet hij niet meer álle catechisaties - er moet onder druk van het vele werk soms een keuze gemaakt worden. Maar om nu als predikant alleen de belijdeniscatechisatie ter hand te nemen… Het moge verleidelijk zijn, want het is vaak het mooiste onderdeel van het catechiseren; maar de predikant zal toch ook zijn catechisanten in hun weerbarstige fase van hun leven dienen te kennen. Het zal zijn prediking geestelijk voeden.

En pastoraat - het helpt hem om in de prediking in te gaan op de geestelijke vragen die in de gemeente leven. En je merkt als predikant op de kansel hoe gespitst er geluisterd wordt, als dat gebeurt. Zo krijgt het geven van geestelijke leiding concreet gestalte.

2.2 De taak van de ouderlingen

Bij de ouderlingen gaat het pastoraat voorop en staat het leren op de achtergrond. Art. 23 K.O. zegt: ‘Zij zullen jaarlijks huisbezoek afleggen. Daarbij zullen ze de leden van de gemeente vertroosten, vermanen en onderwijzen, onder andere met het oog op de avondmaalsviering’. En ook het bevestigingsformulier voor ouderlingen spreekt over deze geestelijke taak: ‘Het behoort tot hun taak de leden van de gemeente trouw te bezoeken en hun geestelijke leiding te geven’. Deze richt zich overigens niet alleen op het geestelijk leven ‘naar binnen’: het is de roeping van de gemeente ‘anderen voor Christus te winnen’.

2.3 Spanningen

Dit alles staat mooi beschreven, maar het staat in veel gemeenten ook onder druk. Meer en meer kan men waarnemen dat predikanten zich uit het pastoraat dreigen terug te trekken. Het wordt getypeerd als ‘thee drinken met de oudjes van de gemeente’, en men hoort er bijna dezelfde relativering in - bijna schreef ik: minachting - als bij de heer Wilders, toen hij over het theedrinken met de moslims door de vroegere burgemeester van Amsterdam had. Ik wil er een principiële lans voor breken dat de kerkenraad zijn predikant toch zó aan het werk zet. Opdat deze zo zijn aandeel heeft in het geven van geestelijke leiding die tot de roeping van de kerkenraad behoort.

Maar ook het pastoraat van de ouderlingen staat onder druk. Niet zelden door de nog steeds toenemende moeite om voldoende ouderlingen te kunnen benoemen. Noodgedwongen neemt men zijn toevlucht tot een kleine ‘rompkerkenraad’, die vrijwel alleen bestuurlijk bezig is. En soms is dat ook een heel bewuste keuze. In de wijken functioneren bezoekbroeders, bezoekzusters, oftewel pastorale medewerkers. Ze zijn wat mij betreft zeer gewenst en van grote waarde. Maar niet ter vervanging van het pastoraat door de ouderlingen. Die nood mag nooit een deugd worden. Dan geeft de kerkenraad namelijk wel leiding, maar geen geestelijke leiding. Het kennisnemen van opmerkingen van pastorale medewerkers kan wel hélpen bij het eigen pastoraat om geestelijk zicht op de kudde van de Here te hebben, maar het kan dat eigen pastoraat nooit vervangen.

In januari 2015 verscheen er een interessant geschrift van drs. Machiel Vennik: Telt haar torens. Een onderzoek van de cijfermatige ontwikkeling van gemeenten en gemeenteleden in de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland. Als vroegere beoefenaar van het wiskundige ambacht kon ik het niet laten dat boekje te kopen. Van de dingen die mij positief aanspraken wil ik u er één doorgeven: de schrijver wijst aan hoe lastig het is om een gemeente die meer dan 500 leden telt geestelijk verder te brengen. Hij breekt een lans voor een ‘tweede kudde’ (o.a. blz. 21). De betrokkenheid van de gemeenteleden boven die kritische grens neemt zichtbaar af. En ik voeg eraan toe: het overzicht van de kerkenraad over zijn leden raakt zoek. Het zou de vermindering van het aantal vacatures in positieve zin kunnen beïnvloeden! Ik ben de afgelopen tijd meer en meer in mijn mening bevestigd dat de CGK een goede lijn volgden in het verleden, wanneer men gemeenten die groot ‘dreigden’ te worden, op tijd splitste. Diezelfde gedragslijn zien we momenteel weer in zendingsgemeenten in de grote steden. Het komt de geestelijke betrokkenheid van gemeenteleden ten goede.

2.4 Voor alle zekerheid

Voor alle zekerheid: met deze uiteenzetting bedoel ik niet dat geestelijke leiding zou bestaan uit het intern bewerken van de gemeente en inhoudelijk laten zoals zij van eeuwen her geweest is. In de wandelgangen hoor ik dat wel eens typeren als ‘pappen en nathouden’; ik laat deze typering voor wat zij is. Zo ooit, dan zullen we er in dit tijdsgewricht van doordrongen zijn dat de gemeente een heilige roeping voor de wereld heeft. En ze heeft er ook een heerlijke boodschap voor. Begin 2015 kwam naar buiten dat voor het eerst geconstateerd is dat er in Nederland meer niet-gelovigen dan wel-gelovigen zijn. Dat moet ons wakker houden. We hebben een Woord voor de wereld.

Dat leidt kerkenraden niet zelden tot fundamentele bezinning: waar willen wij geestelijk met onze gemeente heen? Er vallen dan termen als bijv. ‘Gemeente 2.0’. En: ‘de stip op de horizon’. Dat is geestelijk niet verkeerd! Maar dan zal het er des te meer op aankomen dat de gemeente haar kerkenraad herkent als een stel broeders die hart en oor voor de kudde heeft. Dergelijke veranderingen gaan namelijk meestal met interne spanningen gepaard. En wil een kerkenraad dat die spanningen - voor zover het van hem afhangt - niet tot breuken leiden, dan zal hij investeren in pastorale zorg. Dan weten de schapen zich herkend en erkend, en dan zal de herkenning daarvan ook tot erkenning van de kerkenraad leiden. En dan kan dat ook leiden tot relativering van de eigen mening in dat opzicht. Ik spreek hier niet over geestelijk onvolwassen reacties. Dat zijn vaak wrange vruchten, en ze zullen er tot de dag van de wederkomst van de Heiland zijn. Ze kunnen zeer doen, maar ze hoeven niet zwaar te wegen.

3. DEGEESTELIJK LEIDER

Het wordt tijd om aandacht te geven aan dat waar velen de mond vol van hebben: de zogenaamde geestelijk leider. Dat is de benaming waarmee meer en meer de voorganger van de gemeente wordt aangeduid. Nu heeft de predikant/voorganger ongetwijfeld zijn eigen plaats binnen de kerkenraad, zie boven. Hij heeft te maken met het hoge Woord van God. De HERE wil daarmee zijn gemeente in het hart raken. De predikant is geroepen om daarin zijn dienaar te zijn. Laat hij die taak trouw waarnemen en daarin bescheiden blijven. Maar laat hij het ook sámen met zijn kerkenraad doen! Dan is het duidelijk dat de term ‘geestelijk leider’ op hem niet van toepassing is.

3.1. Terreinverkenning

Hoe komt het toch dat die term meer en meer terrein wint? Heeft het te maken met het gegeven dat in veel gemeenten het geestelijk gehalte, het geestelijk vermogen om leiding te geven aan de kerkenraad als geheel is gaan ontbreken? Dat is een zorgwekkende vraag wat mij betreft. Het betekent automatisch dat er meer naar de predikant gekeken en gewezen wordt. Gewenst of tegen zijn zin in wordt hij dan de enige die geestelijke leiding geeft, en daarmee is hij de leider geworden. En nog een stap verder en hij wordt de ‘kop van Jut’.

Komt het doordat de predikanten zich meer gaan profileren? En stimuleren kerkenraden die ontwikkeling, omdat ze het als een goede en moderne wijze van geestelijk leiding geven beschouwen?

Heeft het te maken met een invloed van evangelisch gedachtegoed in de gereformeerde traditie? Het moge bekend zijn dat binnen de evangelische wereld het begrip ‘geestelijk leider’ gemeengoed is. Misschien is de term ook wel op die manier bij ons op tafel gekomen. Maar het moge een teken aan de wand zijn dat juist in die evangelische kringen op dit moment de nadelen en valkuilen ervan zichtbaar worden en openlijk besproken worden.

Men kan, om het begrip te bekritiseren, aandacht vragen voor het gegeven dat het sterke benen zijn die de weelde kunnen dragen. En niet zelden blijkt dat die geestelijk leiders niet die sterke benen hebben die nodig zijn. Soms omdat ze het contact met hun gemeente en kerkenraad echt verloren hebben… grote schade is het gevolg, en de gemeente is per saldo niet opgebouwd, maar afgebroken. Ze opereerden te vrij en ongecontroleerd, soms ook met persoonlijke drama’s als gevolg.

Dergelijke ongelukken gebeuren ook in een setting waarin de kerkenraad als geheel de geestelijke leiding van de gemeente in handen houdt. Maar de omgeving waarin iemand opereert kan extra valkuilen tot gevolg hebben…

3.2. Geestelijke dieptepeiling

Het begrip ‘geestelijk leider’ doet denken aan de politiek: in de Tweede Kamer zetelen de ‘politieke leiders’. Wie hen volgt weet aan welke gevaren zij bloot staan. Zolang het het volk naar de zin gaat, levert het stemmenwinst op, maar o wee als hun leiding het volk het niet meer zint… Dat alleen al moet reden zijn om ons af te vragen of we met deze term wel op het goede geestelijke spoor zitten.

We noteren al een duidelijk winstpunt wanneer klip en klaar gesteld wordt: ‘Leiderschap is dienend leiderschap’. Ook dát is in de wortel een politieke wijsheid: de ministers zijn immers dienaren van de Staat? Maar het zo noemen is nog niet het zo beleven. En daarom was het goed dat hiervoor onlangs aandacht werd gevraagd, bij een seminar voor predikanten en voorgangers in Leusden op 16 januari 2015, in het kader van de Permanente Educatie Predikanten (onderdeel van de activiteiten van de TU Kampen). Men pleitte daarbij ook voor communicatie, waarvan acte.

Even daarna, op maandag 19 januari 2015, was er een andere bijeenkomst voor ongeveer dezelfde doelgroep, nu uitgaande van de EZ-EZA. Rudolf Setz, o.a. kerkplanter, vroeg aandacht voor het discipelschap, om dat begrip te verbinden met het leiderschap. ‘Hoe krijg je een kerk vol discipelen? In ieder geval door eerst zelf een discipel te zijn’. In deze bijeenkomst werd het boek besproken van Mike Breen, Missionair leiders vermenigvuldigen.

Enkele weken daarvóór, 29 december 2014, was er ook al aandacht gevraagd voor een probleem van het leiderschap; dat vraagt immers ook om volgelingen, en daar ontbreekt het vaak aan, volgens De Jong en Wierenga, coördinator missionaire gemeente Evangelische Alliantie resp. missionair consulent binnen de Ned. Geref. Kerken. Het bracht de pen van br. B.R. Steenbergen uit Zoetermeer in beweging. Hij noteerde begin januari in het ND: ‘Opvallend is dat de Bijbel niet zo positief is over leiders. (…) Leiders zijn teveel met zichzelf bezig. (…) Het treurige gevolg van een en ander: overal zwerven de schapen doelloos rond (…). Schapen, zegt de Bijbel en niet: volgers’.

En zo zijn we weer terug bij de Bijbelse notie van de gemeente: de schapen die herders nodig hebben en die door hun herders naar grazige weiden worden gebracht…

Het is wat mij betreft helemaal waar: wie in de Bijbel, het voertuig van de Geest toch, zoekt naar leiders, komt tot de ontdekking dat, áls die al te vinden zijn, je in het Oude Testament moet zijn. Men zou bijv. Mozes en de profeten als zodanig kunnen karakteriseren. Wat Mozes betreft was dat in ieder geval een gedééld leiderschap, Num. 33:1. En de profeten zijn unieke geestelijke figuren: zij werden rechtstreeks door de Here geïnspireerd. Dat geeft te denken…

In het Nieuwe Testament noteren we in ieder geval de woorden van de Jezus in Luc. 22:26 - ‘de belangrijkste onder u moet als de jongste worden en wie leiding geeft als iemand die dient’. Betekenisvolle woorden, met het oog op bovenstaande rondgang door de actualiteit.

De apostel Paulus zou men in zekere zin een geestelijk leider kunnen noemen. Het is echter opvallend dat hij vooral als pionier zijn geestelijke sporen trekt tijdens zijn zendingsreizen - en dat hij daarbij in ieder geval de eerste twee keer vergezeld wordt door medezendelingen: Barnabas (Hand. 13:2), Silas (15:40).

Maar in de brieven wordt duidelijk dat de geestelijke leiding van de gemeente altijd wordt toevertrouwd aan een geestelijk college, dat van de oudsten. In gezamenlijkheid weiden zij de kudde die hen is toevertrouwd. En niemand onder hen neemt daarin een positie in als leider (Mat. 23:8 - ‘Eén is uw Meester, (en gij allen zijt broeders)’). Paulus heeft blijkbaar zo snel als mogelijk is een raad van oudsten geformeerd, die de geestelijke leiding over de jonge gemeente ontvangen. De oudsten worden in de brieven in meervoud aangesproken: 1 Tim. 4:14, Tit. 1:5. En ook Petrus doet niet anders: 1 Petr. 5:1, 5:5.

In de gereformeerde traditie is dan ook in overeenstemming met het Bijbels getuigenis het geestelijk leiding geven aan de gemeente een zaak van de kerkenraad in zijn geheel. De broeders oefenen die geestelijke leiding gezamenlijk, in onderlinge afstemming en onderling gesprek en gebed, uit. Uit het geheel van de kerkorde is duidelijk dat dit principe wordt uitgewerkt: er zijn predikanten, ouderlingen en diakenen, en die tezamen vormen de kerkenraad. Deze vergadert en neemt zijn besluiten (art. 37 K.O.). En dat onder het sinds 1571 (synode van Emden) dragend geestelijk principe, verwoord in art. 85 K.O.: ‘Geen ambtsdrager zal over een andere ambtsdrager, op welke wijze dan ook, heersen’.

En wáár er in het kerkelijk leven al pioniers zijn - ik doel op de evangelisten in de zendingsgemeenten, een kostbaar geschenk van de Here in onze kerken -, daar zal het principe van Paulus gevolgd worden: zo snel mogelijk de verantwoordelijkheden delen met anderen. Zo deden we het al decennia lang in het werk van de buitenlandse zending, zo zullen we het ook doen met het werk van de binnenlandse zending. Om isolering van de pioniers te voorkomen.

Onlangs was ik als vertegenwoordiger van onze kerken uitgenodigd om deel te nemen aan een ‘expertmeeting’ (zo voelde ik mij niet, maar ja…) van NOSTER: de Nederlandse OnderzoeksSchool voor Theologie En Religie. Daar was een breed spectrum aanwezig van christelijke geloofsgemeenschappen: van Syrischorthodox en Rooms-Katholiek via Moluks-evangelische kerk en een aantal gereformeerde denominaties naar baptisten en evangelische kerken en zo door naar de Remontrantse broederschap. Er waren ook vertegenwoordiger van de SKIN denominatie: Samen Kerk In Nederland; in deze groep krijgt de integratie van allochtonen voornamelijk gestalte. Allemaal heel boeiend. Eén van de invalshoeken voor de bespreking was de vraag wat men belangrijk vond om mee te nemen naar de toekomst van geestelijk leiderschap. Uit onverdachte hoek, namelijk uit een van de Pinkstergroeperingen, brak een vertegenwoordiger, wijs geworden door de zorgelijke ervaringen in eigen kring van de laatste jaren, een lans voor het gedeelde ‘circulaire’ leiderschap. Ik dacht en zei: dat begint aardig op het presbyteriaal-synodale stelsel te lijken!

En zo blijkt wat mij betreft het gelijk van het comité dat dit onderwerp voor deze conferentie agendeerde; hij kwam met de werktitel: geestelijk leiding geven door de kerkenraad in deze tijd. Inderdaad: door de kerkenraad.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.