+ Meer informatie

De kerkeraad en de jonge dominee

8 minuten leestijd

Wanneer een gemeente vacant geweest is, mag het een voorrecht genoemd worden als de lege plaats in de kerkeraad en de gemeente weer vervuld wordt door een eigen predikant.

Het is vandaag gelukkig zo, dat de mogelijkheid dat een gemeente een eigen herder heeft groter is dan toen het aantal kerken veel groter was dat voortdurend vacant was.

Was het voorheen zó, dat de leeftijd van de kandidaten, die de gemeenten gingen dienen zo tussen de 25 en 35 jaar lag, thans ligt deze over het algemeen heel wat lager. Dit moge op zichzelf niet beslissend zijn, een belangrijke factor is het wel.

In ieder geval is het voor de gemeente, en vooral voor de kerkeraad, een nieuwe situatie wanneer een kandidaat, na het classikaal examen, bevestiging en intree, zijn arbeid in de gemeente begint.

Zolang onze kerken de voorbereidende ”stage” nog niet tot werkelijkheid kunnen brengen, hoewel er telkens over gesproken wordt, blijft het begin in de eerste gemeente altijd een niet gemakkelijke overgang van studietijd naar volle praktijk.

De praktijk wijst uit, dat er in de loop der jaren een aantal gemeenten gekomen is — men kan ze kandidaten-gemeenten noemen — die er in geoefend zijn arbeidsveld voor een beginneling te zijn. Maar ook daar en dan heeft het nieuwe begin zijn bijzondere vragen.

Verkeerde instelling.

Het gaat bij het nieuwe begin in een gemeente, die een jonge dominee ontvangt, om de juiste beleving van de drievoudige verhouding tussen de dominee, de kerkeraad en de gemeente. Het gaat hier telkens om een wederkerige verhouding. Dat vraagt om de juiste instelling op elkaar. Een verkeerde instelling kan hier belemmerend werken. Ik maak een enkele opmerking hierover:

1. De predikant.

Wie in de gemeente Gods mag werken dient zich bewust te zijn dat hij een plaats krijgt in de continuïteit van Gods werk. Met andere woorden, hij komt in de kerk die er al is, op een bepaalde plaats, en in bepaalde verbanden. Hij mag hierin dienen. De gemeente begint niet met de komst van een nieuwe predikant. Voor deze situatie en de visie daarop moet een openheid zijn. Hij moet ogen en oren goed open hebben. Zoveel mogelijk kennis nemen van de plaatselijke of streek-geschiedenis. Dat doet veel begrijpen en bewaart voor een haastig oordeel of veroordeling.

Wie meent dat met zijn komst een nieuwe tijd voor de gemeente aanbreekt, overschat zichzelf. Reformatoren hebben zichzelf nooit als zodanig aangediend. Zij hebben Gods werk vanuit Zijn Woord gezien en vandaaruit gedaan wat hun hand vond om te doen.

Men moet de tijd geven en de tijd nemen om te wennen. Zo kan er liefde en vertrouwen groeien. En dit doet de vreugde van de gemeenschap kennen. Wij horen er dan echt bij en staan niet van verre of op een hoogte. Zo wordt ook de overtuiging sterker, dat wij in deze gemeente Gods (hoe menselijk zij ook is) het werk mogen doen dat wij begeerd hebben te doen.

2. De kerkeraad.

Ook de kerkeraad van zijn kant dient de juiste houding te hebben voor de omgang met de jonge predikant. Verkeerd is wanneer men alleen een afwachtende houding aanneemt om te zien wat de jonge predikant doet. Dan is er geen openheid ten opzichte van elkaar en groeit er geen vertrouwen.

Zeker de kandidaat, die kwam, is beginneling. De kerkeraad mag echter niet vergeten dat hij volledig bevoegd is de dienst in de kerken te vervullen. Ik denk met diep respect terug aan de broeders van de kerkeraad van mijn eerste gemeente. Daarin zaten bejaarde broeders, die met grote toewijding, in een vrij langdurige vacature-tijd, de niet kleine gemeente geleid hadden. Toch gaven ze mij volledig de plaats, die mij krachtens mijn kerkelijke bevoegdheid toekwam, hoewel ik ook maar een beginneling was. Wel waren ze mij tot grote steun, zonder mij er telkens aan te herinneren dat ik nog maar een beginneling was. Geprezen de kerkeraad die zulk een instelhng in praktijk weet te brengen.

3. De gemeente.

Ook de gemeente kan een verkeerde instelling hebben in de situatie bij de komst van een jonge dominee. Zij kan te veel verwachten. Zij vergeet dan dat de jonge predikant iemand is die begint aan zijn veelzijdige taak in de gemeente. De gemeente mag verwachten dat de dominee zich geheel aan de gemeente geeft. Toch moet hij ook zijn krachten en mogelijkheden leren kennen om ze op de juiste wijze te gebruiken. Dat vraagt tijd. Het vraagt zelftucht van de jonge dominee en geduld van de gemeente.

Vooral is de biddende begeleiding van het werk van de jonge dominee noodzakelijk en vruchtbaar. Een gemeente die alleen maar eist en geen begrip heeft voor de moeilijkheden van een beginnend predikant terwijl zij het gebed in liefde en vertrouwen verzuimt, heeft een onjuiste instelhng.

De moeilijkheid van bovengenoemde lijnen is dat zij niet reglementair vastgelegd kunnen worden en dat er ook niet te veel over gepraat moet worden. Zij hebben iets vanzelfsprekends en behoren bij een geestelijk beleven van de wonderlijke gemeenschap, die God de Here gegeven heeft in het saamverbonden zijn van voorganger, kerkeraad en gemeente.

En dit kan de grondslag vormen van nog een andere zijde van de verhouding waarover hier iets gezegd wordt:

Het toezicht.

Het is voor wie tot de gemeente Gods behoort een voorrecht bij elkaar te zijn en met elkaar één te zijn, maar men is er ook voor elkaar. Voorrecht en roeping liggen hier aan elkaar verbonden.

In de Schrift, met name in het Nieuwe Testament, wordt op velerlei manier hierover gesproken. Dit betreft de leden der gemeente. Zij zijn er voor elkaar om acht op elkaar te geven, maar niet minder geldt dit van de ambtsdragers. Zij hebben opzicht over de gemeente maar ook toezicht op elkander.

Het gaat hierbij niet om heerschappij over of vitterij op elkaar; het gaat om de juiste vervulling van de dienst, die elk in de gemeenschap heeft. Het grote voorbeeld hiervoor ligt in de dienst van Christus voor zijn gemeente. En niet alleen voorbeeld maar vooral ook krachtbron is Christus als het Hoofd van zijn gemeente voor leden en ambtsdragers. Het gaat hier om de gemeenschapsbeoefening en -beleving van Christus uit, naar Zijn Woord en door Zijn Geest.

In de Calvinistische Reformatie en haar visie op de gemeente is deze gedachte het rijkst tot ontwikkeling gekomen. Het gaat hierbij maar niet om belangstelling voor elkaar - dat ook - maar om acht geven, om toezicht houden, om opzicht, die vermaning, opwekking en tucht tot gevolg kunnen hebben. Zo kan elk op zijn plaats in de gémeente tot zijn recht komen en wordt het geheel gebouwd, geworteld en gegrond, gelijk het Nieuwe Testament zegt.

In de werkelijkheid van het voorrecht der gemeente des Heren komt de jonge predikant te staan. Hij staat niet hoog boven de gemeente, maar er middenin. Hier mag hij arbeiden naar de ordeningen Gods. Hij mag mede toezicht houden en staat zelf onder het opzicht van zijn medeambtsdragers, en samen staat zij onder Christus. In deze geloofsvisie, die ingebed ligt in allerlei aardse en menselijke werkelijkheden mag ook de jonge predikant zijn plaats en taak zien, waarbij de Here God hem wil inschakelen in zijn werk.

Hoewel de presbyteriale kerkelijke verhouding de volkomen zelfstandigheid van de plaatselijke kerk erkent, heeft zij niet minder gezien de verbondenheid van de plaatselijke gemeente aan de kerken in een gewest, een provincie en in één land.

Vooral de gewestelijke (classicale) verbondenheid is hierbij van grote betekenis. Dit is nooit bedoeld als heerschappij van de kerken over elkander maar zij beoogt het bijstand verlenen aan elkaar tot welstand van de kerken Gods. (Zie de bijdrage van prof. J. Hovius in het gedenkboek ’Woord en Kerk” 1969, pag. 71 w over de uitdrukking uit art. 30 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: Om ”de ware religie te onderhouden”.)

Dit verband bedoelt niet alleen bijstand van elkaar maar ook een vorm van opzicht (toezicht) over elkaar. Men denke aan de functionering op de classicale samenkomst van artikel 41 K.O. Verder aan de examinatie het verlenen van de lastbrief. Dit toont het belang van de kerkelijke gemeenschap.

Het is geen wonder dat dit kerkelijk verband toegespitst is in het toezicht op de prediking. Vooral in de tijd dat de Reformatie — op het eind van de 16e eeuw — meer boorbrak, zijn door kerkelijke vergaderingen heel wat uitspraken gegeven over de prediking. (De bijzondere reden daartoe laten we hier rusten. Men zie hierover de mooie studie van prof. J. Hovius: ”Het toezicht op de dienaren des Woords door de kerkelijke vergaderingen”. 1968.)

Het ligt nu volkomen in de lijn dat de kerkeraad ook opzicht (toezicht) heeft te oefenen over de prediking zoals deze door de predikant(en) van de gemeente waarover hij opzicht heeft, beoefend wordt. Bijzonder geldt dit dan wel bij een jong predikant, die pas zijn arbeid in de gemeente begint.

In het bevestigingsformulier voor ambtsdragers wordt met betrekking tot de ouderlingen gezegd: ”Zij hebben toe te zien op elkaar en op de dienaren des Woords voor wier leer en dienst zij mede verantwoordelijkheid dragen”.

Van meet aan dient vast te staan dat dit opzicht op elkaar en op de dienaar des Woords geen autoritair karakter draagt maar bedoeld is als een dienst aan elkaar om Christus’ wil en een zoeken van datgene wat de welstand van de gemeente dient.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.