+ Meer informatie

DE SYNODE VAN DE CHR. GEREF. KERKEN IN NEDERLAND V

10 minuten leestijd

Kiesrecht der gemeente

Inzake dit kiesrecht is cr op de Synodevergadering in januari van dit jaar een beslissing gevallen. Ik heb al in het vorige artikel opgemerkt, dat de desbetreffende kommissie dc opdracht had gekregen een uitspraak voor te bereiden, waarin aandacht gegeven werd aan:

a. het karakter van de verkiezing,

b. het verschil tussen het kiesrecht van de vrouw en de vrouw in het ambt en in de loop der Synode hierover te rapporteren.

Twee rapporten kwamen in januari ter tafel, een meerderheidsrapport, dat stelde, dat er geen aanwijzingen in Gods Woord zijn, die te kennen geven, dat de vrouwen niet mogen deelnemen aan verkiezingen van predikanten, ouderlingen en diakenen, en een minderheidsrapport van de hand van Ds. Tanis, dat stelde, dat de vrouwen niet het recht hebben te stemmen, omdat de verkiezing tot het ambt beslist een daad is van een zekere regeermacht en dat deze de vrouw in het licht van de scheppingsordinantie niet toekomt.

Prof. Hovius, de adviseur der kommissie, gaf eveneens als zijn oordeel, dat de Heilige Schrift de vrouwen geen vrijheid geeft te stemmen.

Na heel wat diskussie kwam de Synode eindelijk tot de volgende uitspraak (het lijkt mij gewenst de uitspraak in zijn geheel op te nemen):

De Generale Synode:

overwegende dat a. de bedoeling van de instruktie van de Partikuüere Synode van het Westen en die van het Noorden is om ruimte te verkrijgen voor het doen deelnemen van zusters der gemeente aan de verkiezing van ambtsdragers;

b. dat het kommissie-rapport tegemoet is gekomen aan de bedoeling van de instruktie van de Partikuüere Synode van het Oosten en die van het Zuiden;

c. dat deelneming van de zusters aan de verkiezing van ambtsdragers niet is te beschouwen als een stap op de weg van het toelaten van de vrouw tot het bijzondere ambt;

van oordeel dat a. de wijze waarop aan de medewerking van de gemeente bij de verkiezing van ambtsdragers vorm gegeven moet worden in de Schrift niet nauwkeurig wordt voorgeschreven;

b. er geen aanwijzingen in de Heilige Schrift zijn, die reden geven de zusters van de gemeente van het deelnemen aan de verkiezing uit te sluiten;

c. bij de verkiezing als middel waardoor Christus aan Zijn gemeente ambtsdragers geeft de medewerking van de gemeente zoveel mogeüjk tot haar recht moet komen;

d. de positie, die de vrouw in de nieuw-testamentische gemeente van de Heere ontving, haar in staat stelt onder leiding van de kerkeraad samen met de man zich niet alleen bij de approbatie, maar ook bij de verkiezing van ambtsdragers uit te spreken;

spreekt uit dat bij de verkiezing van ambtsdragers door de gemeente, die tot het Heiüg Avondmaal zijn toegelaten, aan de verkiezing deelnemen.

Persoonlijk betreur ik dit besluit. Ik kan met geen mogelijkheid ontdekken waar de Heiüge Schrift aan de vrouwen de vrijheid geeft mee te beslissen wie de gemeente in Christus’ naam zullen regeren. Ik stem onmiddellijk toe, dat de Schrift zich niet rechtstreeks uitspreekt over het stemrecht van de vrouw (of mag ik mij eigenlijk zo niet uitdrukken en moet ik alleen spreken over het stemrecht van de gemeente? zodat dus de vrouw automatisch daarin is begrepen? ). Maar ik meen toch wel op zijn minst aanwijzingen te vinden, dat de vrouw niet meewerkte aan de verkiezing van ambtsdragers. Als de Schrift in Hand. 1 spreekt over de verkiezing van Matthias, kan moeilijk beweerd worden, dat de vrouwen hun medewerking daaraan verleenden. Duidelijk spreekt Petrus hier van „mannen broeders” (vs. 16). En in Hand. 6, waar ons de verkiezing van de zeven diakenen wordt meegedeeld, krijgt men evenmin de indruk, dat de vrouwen hieraan meewerkten met hun stem uit te brengen. Weer spreekt de apostel van „broeders” (vs. 3).

Ik meen, dat ook een hoofdstuk als 1 Korinthe 11 wijst op de „onderdanige” positie van de vrouw in de gemeente. Ik weet zeer wel, dat het hier niet rechtstreeks gaat over de verkiezing van ambtsdragers. Dit hoofdstuk handelt over het feit, dat het de vrouw niet toegestaan is in de gemeente te spreken of te leren, maar dat zij zal moeten zwijgen.

Toch ben ik met Prof. Bouwman van oordeel, dat Paulus hier de verhouding tussen man en vrouw in Korinthe in verband met de scheppingsorde brengt. De vrouw is geroepen ook in de gemeentevergaderingen haar afhankelijkheid van de man naar scheppingsorde te eerbiedigen.

Dat betekent, naar ik meen, niet alleen, dat zij niet mag optreden om het woord te voeren of deel te nemen in allerlei diskussies, maar houdt ook in, dat zij niet mag meewerken aan de verkiezing van ambtsdragers. Of is het bij die verkiezing van ambtsdragers onmogelijk de bestaande scheppingsorde om te keren? Kunnen nu de vrouwen de mannen niet gaan overheersen? Het is toch allerminst ondenkbaar, dat er heel wat meer vrouwen gaan deelnemen aan de stemmingen in verschillende gemeenten dan mannen (vaak zijn er meer vrouwelijke leden dan mannelijke). Kunnen dan de vrouwen niet zulk een invloed gaan uitoefenen, dat het in de praktijk er toch op neerkomt, dat de mannen overheerst worden? Het is natuurlijk waar, dat de kerkeraad de tallen waaruit de ambtsdragers gekozen worden, stelt. In die zin kan men zeggen, dat de kerkeraad het heft in handen houdt. Maar het is evenzeer waar, dat de kerkeraad vaak het oor leent aan stemmen, die uit de gemeente opkomen, aan druk, die op hem uitgeoefend wordt.

Men zal begrijpen, dat ik hier niets ten kwade van de zusters der gemeente bedoel. Het moet gezegd, dat er niet zelden meer echt meelevende zusters gevonden worden dan broeders. Ook is het waar, dat er heel wat vrouwen zijn, die een diep inzicht in de waarheid hebben en een gefundeerd oordeel over allerlei zaken in de kerk. Maar dat is geen reden om de vrouwen nu, wat de verkiezing betreft, op één lijn te plaatsen met de mannen.

De voorstanders van het kiesrecht van de vrouw hebben er op gewezen, dat bij de zogenaamde approbatie (letterlijk: goedkeuring) de vrouw in wezen hetzelfde recht bezit als bij de verkiezing. Of anders: als de vrouw wel het recht van approbatie bezit, waarom mag zij dan niet deelnemen aan de verkiezingen? Voor minder ter zake kundigen moge ik dat woord approbatie even iets nader toelichten. Als de kerkeraad b.v. een tweetal afkondigt ter voorziening in de vakature van predikant, of een nominatie voor ouderlingen en diakenen bekend maakt, heeft elk gemeenteüd het recht van approbatie, van goedkeuring. Heeft iemand bezwaren tegen éen der bekend gemaakte personen, dan heeft hij het volle recht zich bij de kerkeraad te vervoegen om zijn bezwaren daar ter tefel te brengen.

De kerkeraad zal dan de gegrondheid van die bezwaren moeten onderzoeken, en indien zij waar blijken te zijn, zal de gekozene met in het ambt bevestigd kunnen worden.

Het kan ook omgekeerd en zo is het, gelukkig, meestal het geval. Men stemt van harte met de keuze van iemand, althans men heeft geen wettige bezwaren tegen hem. Dan vervoegt men zich uiteraard niet bij de kerkeraad. Zwijgen is ook in dit geval instemmen, goedkeuren, approberen.

Welnu, zo zegt men, de vrouwen in de gemeente hebben ook het recht zich te vervoegen bij de kerkeraad. Niet alleen de mannelijke leden (die onder censuur staan), maar ook de vrouwelijke hebben het recht van approbatie. Waarom dan niet het recht van stemmen erkend?

In wezen is dat stemmen evenmin als het approberen een regeerdaad.

Ik meen toch wel een groot verschil te moeten zien tussen wat men doet bij approbatie en bij het verkiezen van een ambtsdrager.

Prof. Bouwman wijst er in zijn grote werk „Gereformeerd Kerkrecht” terecht op, dat het approbatierecht aan alle leden der kerk, ook aan niet-belijdende leden (die niet onder censuur staan) toekomt. Elk lid der gemeente heeft het recht eventuele bezwaren in te dienen tegen een persoon of zaak. De kerkeraad zal altijd gelegenheid moeten geven aan elk gemeenteüd informaties in te winnen, vragen te stellen, op bepaalde zaken te wijzen, bezwaren in te dienen. Dit is niet een meewerken met de kerkeraad op dat ogenbük. De persoon, die ter vergadering verschijnt, maakt niet een deel uit van die vergadering. Hij is geen lid van die vergadering. Hij is slechts iemand, die iets zegt of vraagt of inlichtingen verstrekt. En zodra hij zulks gedaan heeft, verlaat hij de vergadering. Natuurlijk, want hij maakt in geen enkel opzicht deel uit van die vergadering.

Bij de zogenaamde gemeentevergadenng ügt het heel anders. Ik weet natuurlijk wel, dat deze „gemeentevergadering” eigenüjk een kerkeraadsvergadering is met de gemeente. De kerkeraad heeft die vergadering samen geroepen, de kerkeraad heeft de leiding, de kerkeraad legt het verloop van de vergadering in zijn notulen vast en leest die op de eerstvolgende kerkeraadsvergadering. Alles waar, maar dat neemt met weg, dat de gemeente wettig deel uitmaakt van die bewuste vergadering. Men zit cr maar niet wat bij om vragen te stellen, om inüchtingen in te winnen, enz.

Neen, de gemeenteleden zijn opgekomen om daadwerkeüjk deel te nemen aan de handeüngen van die vergadering. Allen, die aanwezig zijn, moeten de presentie-üjst getekend hebben; het is niet een kerkeraadsvergadering waar men, laat ik zeggen, halverwege de avond binnen kan vaüen als in het geval van approbatie. De kerkeraad moge opgeroepen hebben en de leiding hebben - allemaal waar -, maar het is een vergadering van en met al de aanwezige personen, die allen hun stem uitbrengen, een besüssende stem.

Het is immers niet zo, dat de door de gemeente uitgebrachte stem alleen maar de waarde van een advies heeft, zodat de kerkeraad later, na de vergadering, precies hef tegenovergestelde kan beslissen. De kerkeraad mag later een gekozene benoemen als ouderling of diaken, maar hij is gebonden aan de uitslag van de stemming der gemeente. Er moet al heel iets bijzonders aan de hand zijn of er moeten ernstige op feiten gegronde bezwaren ingediend zijn, maar anders is de kerkeraad gebonden aan het resultaat der stemming.

Prof. Martin Monsma zegt in zijn boekje „The Congregational meeting” het volgende (ik neem het in het Engels over): I would rather not say that votes taken at congregational meeting should be looked upon only as straw votes and that they are in no way binding. I would say that the results of votes taken at congregational meetings are normally binding, because the consistory has dccided thus to regard decisions reached at congregational meetings” (Monsma schrijft dit in verband met wat Prof. Wm. Heyns in zijn boek „Handbook for Elders and Deacons” schreef: „even to put a question to a vote may not be amiss, if it is only well understood that such a vote is meant as only a straw vote for information of, and in no way binding upon the consistory.”) Underlining of me, T.

Ik meen, dat er bij de gemeentevergadering sprake is van medewerking der leden met de kerkeraad op zulk een wijze, dat in eigenüjk alle gevallen de kerkeraad gebonden is aan de uitspraak van de vergadering. In feite is dit, zoals ik boven al opmerkte, geen advies, maar een besluit.

De vrouwen gaan met mee adviseren wie de gemeente in het ambt zuüen dienen, maar mee besluiten. En zoals ik ook boven al zei, is het heel wel mogeüjk (in menige gemeente zal dit het geval zelfs wel zijn), dat de vrouwen behoorlijk in de meerderheid zijn. Is hier dan geen sprake van een overheersing van de vrouw op de man? Wordt zo de scheppingsorde niet geweld aangedaan?

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.