+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

36

In het avondgesprek verlangde Godsvrucht iets te horen van de Pelgrim omtrent zijn komst tot het geloof in Jezus Christus. Voorzichtigheid wilde iets weten van het jagennaar de volmaaktheid op de weg van heiligmaking. Terwijl Liefde het oog meer gevestigd heeft op de bewogenheid van de Pelgrim omtrent zijn huisgenoten die in de stad van zijn geboorte zijn achtergebleven.

Deze man heeft gesproken van het komen tot de eerste liefde. Op de lokstem van het Evangelie, het Goddelijk en welmenend vragen om zijn hart en hand heeft hij het jawoord gegeven. De hemelse Bruidegom was hem dierbaar. Maar nu is het mogelijk dat die eerste liefde verlaten wordt. „Ik heb tegen u’.’, zegt de Heere dan, „dat gij uw eerste liefde hebt verlaten”. En daar spreekt Hij niet weinig Zijn ongenoegen over uit.

Terecht is weleens opgemerkt, dat het verlaten van de eerste liefde zich openbaart in het gemis van de innerlijke bewogenheid omtrent degenen, die het leven der genade nog missen. Zou dat soms het geval zijn omtrent deze Pelgrim, daar hij alleen reist naar Sion. Waar is zijn vrouw en waarom heeft hij zijn kinderen niet bij zich? Of is hij niet getrouwd? Vandaar dan ook de vraag: „Hebt gij een huisgezin? Zijt gij gehuwd?”, hem gesteld door Liefde. Ja, de Pelgrim is getrouwd en heeft vierkleine kinderen, maar hij staat hier alleen als man en vader.

Als vanzelf wordt nu door Liefde gevraagd: „En waarom hebt gij ze niet meegebracht?” Zou hij door het verlaten van zijn eerste liefde, hen liefdeloos achtergelaten hebben? Het zou gekund hebben, maar neen, dat is hier niet het geval. Hij draagt er rouw over dat zij niet bij hem zijn.

Uit het vriendelijk vragen naar zijn vrouw en kinderen blijkt ons, dat ook voor hen plaats geweest zou zijn in het paleis van de gemeenschap der heiligen. De Heere sluit geen kinderen en zelfs geen kleine kinderen uit. Hij roept het alle ouders toe: „Laatafvande kinderkens, en verhindert hen niet tot Mij te komen; want dezulken is het Koninkrijk der hemelen”. Hier is plaats voor oud en jong. Nu begon de Pelgrim te wenen en zeide: „0, hoe gaarne zou ik dat gedaan hebben! Maar zij waren er alien tegen dat ik mijn pelgrimstocht ging aanvaarden”.

Met een innige droefheid denkt de Pelgrim aan zijn vrouw en kinderen, die het leven der genade nog missen. In het besef dat zij niet kunnen gaan in de eeuwige vreugde wanneer zij zo voortleven, komen te sterven, zucht hij tot de Heere om ontferming.

Naarmate de man blijdschapinde Heere mag smaken door Zijn vergevende liefde, weent hij des te inniger over het gemis daarvan in het hart van vrouw en kinderen.

„Maar gij hadt met hen moeten spreken en moeten beproeven hen tewijzenophetgevaar, dat hen bedreigde als ze achterbleven”, sprak Liefde, alsof hij dat niet gedaan had, om hem te beproeven.

Doch gelukkig, hij kon zeggen: „Dat heb ik ook gedaan, en.ik heb hun ook gezegd wat God mij had geopenbaard omtrent de ondergang onzer stad; maar ikwasinhunogen als jokkende, zij geloofden mij niet”.

Wee de mens die achter blijft in het land van zijn geboorte en sterft in de stad van zijn oftgerechtigheid. A1 de roepstemmendietothemgekomen zijn en de vermaningen die hij niet ter harte kwam te nemen, zullen eeuwig tegen hem getuigen.

„Maar hebt gij wel gt beden of God uw woorden wil zegenen?” vraagt Liefde. „Ja”, dat heeft de Pelgrim gedaan, „en met veel aandrang, want ge begrijpt, dat mijn vrouw en mijn arme kinderen mij zeer dierbaar zijn”. En zo sprak hij in aller tegenwoordigheid, met de drang der liefde, ten bewijze dat hij zijn eerste liefde niet kwam te verlaten.

„Maar hebt gij hun wel gesproken van uw eigen kommer en van uw vrees voor uzelf? Want ik veronderstel dat gij krachtig overtuigd waart, dat gij het verderf tegemoet ging”, vraagt Liefde.

’t Was bij de Pelgrim geen napraterij, geen gemaakte vroomheid, het vloeide voort uit zijn innerlijke overtuiging, daar hij Gods Woord voor waarachtig hield.

Ja, herhaaldelijk heeft de Pelgrim zijn huisgenoten met al de liefde van zijn hart, tot het behoud van hun onsterfelijke zielen aangesproken, uit die innerlijke overtuiging van zijn hart.

„En bovendien was mijn vrees duidelijk merkbaar uit mijn houding, mijn tranen, mijn siddering voor het naderend oordeel. Maar noch het een, noch het ander konhenbewegen met mij mee te gaan”.

Met allerlei niets beduidende verontschuldigingen bleven zij staan tegenover de ernstigste vermaningen. „Maar wat zij wel aanvoerden als verontschuldiging voor hun weigeren?”

„Wel, mijn vrouw was bevreesd de wereld te verliezen, en mijn kinderen waren verzot op de genietingen der jonkheid;en dat waren allemaal redenen, waarom zij mij alleen lieten staan”. Liefde werd het niet moede alles te onderzoeken met haar vragen of er soms ook verzuim gepleegd was in het gezinsleven, waarom de Pelgrim hen achter moest laten. Want daar rust een grote verantwoordelijkhei op het hoofd van het gezin. Het verzuim dat gepleegd wordt tegenover degenen die aan onze zorgen zijn toebetrouwd, zal met de wraak des verbonds gestraft worden.

En zo komt Liefde nu met deze haar laatste vraag tot de Pelgrim: „Maar kon het ook zijn dat gij door een werelds leven de woorden krachteloos hebt gemaakt, waarmee gij hen wilde overreden u te vergezellen?”

„Waarlijk”, zo sprak hij zonder enig teken van het moe te worden op die scherpe vragen te antwoorden, „ik kan mij op mijn wandel niet beroemen, want ik weet wel hoe veel gebrekkigs mij aankleeft. Ook ben ik mij bewust dat een mens door zijn daden zeer licht kan verstoren en verhinderen, hetgeen hij anderen op het hart tracht te binden. Toch kan ik dit betuigen dat ik ten zeerste bezorgd was, door enige onbetamelijke daad hun afkeer in te boezemen voor de pelgrimstocht. En juist daarom zeiden ze tot mij, dat ik te nauwgezet was endatikmij om hunnentwil het genoegen ontzeide van dingen, waarin zij geen kwaad zagen. Ach, ik geloof te moeten zeggen, dat wat hen in mij hinderde juist was mijn grote vrees om te zondigen tegen God of mijn naaste te schaden”.

Nu is het Liefde duidelijk, dat de Pelgrim door de hartvernieuwende werking van de Heilige Geest niet alleen gekomen is tot de kennis van de eerste liefde, maar dat hij daarin ook volhardende bevonden mag worden. Het is de bede van zijn hart in de liefde te mogen wortelen, om vanuit die vruchtbare bodem Gode verheerlijkende vruchten te mogen dragen. En zo wordt het hart steeds meer gefundeerd in Gods vergevende liefde door Christus. Gedacht vanuit de breedte en lengte diepte en hoogte van deze vergevende liefde, is er ook nog hoop voor zijn vrouw en kinderen. Door de kracht van deze liefde worden vijanden met God verzoend.

A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.