+ Meer informatie

Genesis 2 en 3

5 minuten leestijd

12

Op het voorgaande volgt de paragraaf Twee mensen, één vlees (2 : 18 - 25).

Eerst wijst prof. Oosterhoff er op, dat de vrouw de hulp zal zijn, die de man aanvult, hem completeert. De geestelijke eenheid tussen man en vrouw staat op de voorgrond.

„Voordat” zo vervolgt de hoogleraar „de schrijver nu verder gaat om te vertellen hoe God aan de mens zijn vrouw gegeven heeft, geeft hij eerst aan het verhaal schijnbaar een andere wending. Hij gaat vertellen, dat de HEERE God uit de aardbodem al het gedierte in het wild en de vogels in de lucht formeerde. Uit het Hebreeuws krijgen we de indruk, dat God dat op dat moment deed, dus toen Hij de mens een hulp wilde geven, die bij hem past. Dat daardoor een andere volgorde in de scheppingsdaden van God ontstaat dan in het eerste hoofdstuk van Genesis, deert de bijbelschrijver niet. Daarom moeten ook wij deze ongelijkheid niet wegwerken door het werkwoord met een plusquamperfectum (had geformeerd) te vertalen.”

In een noot zegt prof. Oosterhoff: „Wij moeten iets hebben van de onbevangenheid van de bijbelschrijvers, die een ongelijkheid veel gemakkelijker verdroegen dan wij, die vaak behoefte aan harmonisering hebben.”

We maken hieruit op, dat prof. Oosterhoff bedoelt, dat de bijbelschrijver in feite de daden Gods in ongelijke volgorde noemt. Maar hoe zit het dan met de uitspraak van Gods Woord, dat al de Schrift van God is ingegeven? Deelt de Heilige Geest dan de feiten in verschillende volgorde mee? Wat zegt dan de inspiratie door de Heilige Geest? Wat blijft er dan van de zekerheid der dingen over? Dit zijn vragen, die hier bij ons opkomen en bij het betoog van de hoogleraar geen antwoord vinden. Integendeel. We vrezen, dat uit deze beschouwing een ondermijning van het gezag van Gods Woord voortvloeit.

Prof. Oosterhoff gaat verder schrijven over de schepping van de vrouw. „Het gaat bijzonder om de instelling van het huwelijk.” zegt hij. En even later: „Er wordt wel gezegd, dat God in het huwelijk de vrouw aan de man geeft tot een hulp en een steun in het leven en ze samen tot een éénheid samenbindt.”

Hij spreekt ook over de betekenis van het „tot één vlees” worden en zegt dan dat het duidt op de echtelijke gemeenschap tussen man en vrouw in haar totaliteit, niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk. Hij benadrukt deze huwelijksband van één man en één vrouw. De mens mag deze eenheid niet losmaken. „De huwelijksband is uit God.”

Dat zijn woorden waar we van harte mee kunnen instemmen. Wat wordt er vooral in onze dagen toch weinig met deze heilige huwelijksband gerekend.

De slang en zijn spreken vraagt nu onze aandacht. Dat is wel een zeer belangrijke paragraaf.

Van de slang wordt gezegd, dat zij listig was, het sluwst van alle dieren. Dat kan in gunstige en ook in ongunstige zin worden opgevat. Prof. Oosterhoff meent, dat we de ongunstige betekenis moeten nemen. „De slang stond over het algemeen niet zo best bekend. Maar de slang in het paradijs spant de kroon! Op geraffineerde wijze verleidt hij de vrouw om aan Gods gebod ongehoorzaam te zijn. Hij geeft daarbij een staaltje weg van psychologische taktiek.”

Met belangstelling kunnen we lezen wat prof. Oosterhoff schrijft over de verleiding van de vrouw door de slang. Aan het einde van dit gedeelte lezen we: „Onverbloemd toont de slang nu zijn haat tegen God en prikkelt hij de vrouw tot ongehoorzaamheid aan God door haar de verboden zaak als begerenswaardig voor te stellen.” „Wie is eigenlijk de slang?” zo gaat de schrijver verder. „Is hij een gewoon dier? Of zit er iets anders achter? Is hij een werkelijkheid of symboliseert hij iets? Bijna iedere exegeet heeft gevoeld, dat die slang maar niet een gewoon dier zonder meer is.

Prof. Oosterhoff haalt het gevoelen van de Talmoed, van Philo en van anderen aan. Verder zegt hij:

„Voor Jezus was de slang in het paradijs niet anders dan de duivel (Joh. 8 : 44). Dat was ook voor de joden het geval. De oudste plaats, die we daarvan als bewijs bezitten, is in het apocriefe boek De Wijsheid van Salomo 2 : 24: Door afgunst echter van de duivel deed de dood zijn intrede in de wereld. Niet de slang is de eigenlijke verleider van de mens, maar de duivel. Deze wordt vereenzelvigd met de „leugengeest” in 1 Kon. 22 : 22v. en de Satan, die op enige plaatsen in het O.T. voorkomt als de grote tegenstander van God (Job 1 en 2; Zach: 3 : 1, 2) en de mens opstookt tot zonde (1 Kron. 21 : 1). Jezus heeft zich hierbij aangesloten, wanneer Hij in Joh. 8 : 44 de duivel noemt de mensenmoorder van den beginne, die in de waarheid niet staat, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar en een vader der leugen.

Het is duidelijk, dat wat Jezus hier zegt teruggaat op Gen. 3. Uiteindelijk was het niet de slang, maar de duivel, die in het paradijs de dood en de ondergang van de mens op het oog had en bewerkt heeft. En het was eigenlijk niet de slang, die de mens bedroog door hem een vals vrijheidsideaal voor ogen te spiegelen, maar de duivel. De duivel is de eerste moordenaar en de eerste leugenaar geweest. Ook in het boek Openbaring zien we duidelijk een identificatie van de slang in het paradijs met de duivel en de Satan. De duivel heet daar „de oude slang” (12 : 9; 20: 2) en dat gaat natuurlijk terug op de slang in het paradijs.”

We kunnen hier niet meer over nemen om niet al te breed te worden.

Prof. Oosterhoff concludeert, dat het in Gen. 3 wel terdege gaat over een slang.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.