+ Meer informatie

De Christinnereis is voor jong en oud

7 minuten leestijd

17.

Verliet het geestelijk reisgezelschap naar Sion het paleis van Welbehagen zonder gids, nu zien wij bij het verlaten van Uitlegger, dat Stoutmoedig voor hen uitloopt. Hij heeft van zijn Heer de opdracht ontvangen het edele gezelschap te geleiden naar het paleis Liefelijkheid

In de stoutmoedigheid van het geloof wordt op tegenstand gerekend en dat met de wetenschap over alle tegenstand te kunnen triomferen in Hem, Die de dood verslonden heeft tot overwinning

De pelgrims waren dan ook zeer te bestraffen toen zij de reis zonder de gids Stoutmoedig kwamen voort te zetten, want het scheelde niet veel of zij waren toen door het kwade overwonnen. In de stoutmoedigheid van het geloof klampt het hart zich altijd vast aan de Heere en wel met het besef, dat er in ons geen kracht is tegen de grote menigte van tegenstanders. wij zijn altijd en in alles op onze reis naar de Hemelstad afhankelijk van de hulp des Heeren.

Zo kwamen zij onder de leiding van Stoutmoedig, die voor hen uitliep, bij de plaats, waar de last van de Pelgrim was ontvallen en in het geopende graf was terecht gekomen Hier stonden zij stil en zonden een dankgebed op tot God. „Nu”, zei Chnstinne, „komt mij te binnen wat ons aan de poort gezegd is, n.I. dat wij vergeving zouden ontvangen door woord en daad; door het woord. dat is de belofte door de daad, dat is in de weg waarin het was verkregen. Wat nu de belofte aangaat, daar weet ik iets van, maar wat betekent het vergeving te hebben door de daad of in de weg, waarin het was verkregen?

Mijnheer Stoutmoedig, ik veronderstel, dat gij er iets van weet, laat ons er dus als ’t u belieft een en ander van horen! ”

Inderdaad, Stoutmoedig doet niets liever dan spreken vanuit het borgwerk van Christus, want daarin is Gods wet bevredigd tot verheerlijking van Gods deugden. Hierin heeft de goedertierenheid de waarheid ontmoet, de gerechtigheid de vrede gekust en dat tot verheerlijking van het Goddelijk verlossingsplan.

Het kan ons dus niet onbekend zijn dat Stoutmoedig met al de liefde van zijn hart de gekruiste Christus in de diepste diepte van Zijn vernedering kwam te omhelzen als zijn Borg en Zaligmaker Ging niet op de vlucht, maar begeerde met de grootste vrijmoedigheid van de rechter Pilatus het lichaam van Jezus en het werd hem richterlijk geschonken. Heeft het van het kruis genomen, in fijn lijnwaad gewonden en leide Hem in een graf, hetwelk uit een steen gehouwen was Wij luisteren nu naar Stoutmoedig daar hij op verzoek van Christinne gaat spreken van verzoening door voldoening: „Vergeving aangebracht door een daad, is vergeving, die door iemand verkregen is voor een ander, die daaraan behoefte heeft; niet door de persoon waaraan vergeving geschonken is, maar in de weg, zegt de ander, in dewelke ik die heb verkregen. Dus met betrekking tot uzelf, het bewustzijn van schuldvergeving waarin gij u moogt verblijden evenals Barmhartigheid en deze jongens, hebt gij evenals de vergeving zelf te danken aan Hem, Die u door de poort deed ingaan; Hij heeft ze verkregen in deze dubbele weg. Hij heeft gerechtigheid vervuld om u te bedekken en bloed gestort om te wassen”.

Hierop rees de vraag „Maar indien Hij Zijn gerechtigheid met ons deelt, wat heeft Hij dan voor Zichzelf? ”

„Hij heeft meer gerechtigheid dan gij nodig hebt en dan Hij Zelf behoeft”, antwoordde Stoutmoedig

„Maak mij dat alstublieft eens duidelijk” was de heilbegerige vraag van Christinne. Op de weg naar Sion is het van grote betekenis een leergierig hart te hebben. Het moet ons duidelijk zijn of de profeet spreekt van zichzelf of van een Ander. Wij kunnen alleen door een Ander en dat is door de Middelaar gezaligd worden en niet door een martelaar, daar wij zondaar zijn in Adam.

Gaarne wil Stoutmoedig Christinne en haar gezelschap onderwijzen in de borggerechtigheid van Christus „Maar dan moet ik voorop stellen en wel vanuit de aard der zaak, dat Hij, van Wie wij spreken, Zijns gelijke niet heeft”. Hij verenigt twee naturen in één persoon, die wel van elkander onderscheiden, maar niet gescheiden kunnen worden. Tot elk dezer naturen behoort een gerechtigheid en elke gerechtigheid is onafscheidelijk van die natuur, zodat men even gemakkelijk die natuur zou kunnen doden als die gerechtigheid of rechtvaardigheid er van scheiden. Nu worden wij van deze tweeërlei gerechtigheid geen deelgenoot gemaakt, in die zin, dat zij op ons gelegd zou kunnen worden en wij dan gerechtvaardigd zouden zijn, en het eeuwige leven bezitten Behalve deze tweeërlei rechtvaardigheid bezit deze Persoon nog één, aangezien deze twee naturen verenigd zijn in één. En dit nu is niet de gerechtigheid Zijner Goddelijke natuur, als onderscheiden van de menselijke, ook met de gerechtigheid der menselijke natuur, als onderscheiden van de Goddelijke, maar een gerechtigheid, die behoort aan de vereniging van beide naturen, en die daarom noodwendig behoort bij het werk van de Middelaar, dat Hem was opgedragen. Indien Hij scheidt van Zijn eerste gerechtigheid, scheidt Hij van Zijn Godheid; indien Hij scheidt van Zijn tweede, scheidt Hij van Zijn reine mensheid; indien Hij scheidt van Zijn derde, scheidt Hij van die volkomenheid, die Hem geschikt maakt voor het Middelaarsambt Dus bezit Hij een andere gerechtigheid, die bestaat in Zijn gehoorzaamheid, die Hij op de zondaar legt en waarmede hun zonden bedekt worden. Daarom zegt Hij: „Gehjk door de ongehoorzaamheid van die ene mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Eén velen tot rechtvaardigen gesteld worden”.

Het gaat dus in ons innerlijk leven tot verzoening door voldoening, om de borggerechtigheid van Christus, waartoe Hij de wil van Zijn God en Vader ten volle heeft volbracht. Maar nu vraagt Christinne: „Zijn de beide andere gerechtigheden voor ons van generlei nut? ” En dan doelt zij op de gerechtigheid van Zijn Goddelijke en van Zijn menselijke natuur Waarop Stoutmoedig het antwoord geeft „Ja”, zo vangt hij aan, „want hoewel zij noodzakebjk behoren bij Zijn naturen en Zijn ambt, en dus niet aan de ander kunnen worden medegedeeld, is het toch uit kracht van die eigenschappen, dat de gerechtigheid, die de zondaar rechtvaardigt aan dat doel beantwoordt. De gerechtigheid van Zijn Godheid geeft kracht aan Zijn gehoorzaamheid, de gerechtigheid van Zijn mensheid maakt, dat Hij met Zijn gehoorzaamheid kan rechtvaardigen en de gerechtigheid, die behoort aan de vereniging der beide naturen tot Zijn ambt, geeft gezag aan die gerechtigheid om het werk te doen, waarvoor zij bestemd was Hier is dus een gerechtigheid, die Christus als God niet nodig heeft, want ook zonder dezelve is Hij God. Hier is een gerechtigheid, die Christus ais mens niet behoeft, want Hij is volkomen mens zonder haar Dan is een gerechtigheid, die Christus als Godmens niet behoeft, want Hij is dit volkomen zonder haar Er is dus een gerechtigheid die Christus als God, als mens en als Godmens, niet voor Zichzelf behoeft en die Hij dus kan weggeven, een rechtvaardigende gerechtigheid, die Hij niet nodig heeft en daarom wegschenkt. Daarom wordt zij genoemd de gave der gerechtigheid. Daar nu Christus Jezus de Heere Zichzelf onder de wet heeft gesteld, moet die gerechtigheid worden weggeschonken, want de wet verplicht Hem, Die onder haar staat, met slechts om gehoorzaamheid te betonen, maar om liefde te beoefenen. Zo gebiedt de wet, dat hij, die twee rokken heeft, er één geve aan hem, die er geen heeft. Nu bezit onze Heere inderdaad twee rokken, één voor Zichzelf en één om weg te schenken, daarom schenkt Hij er uit vrije gunst één weg aan hem, die niets heeft. En dat is dan Zijn borggerechtigheid. Daarom wordt Hij genaamd „DE HEERE ONZE GERECHTIGHEID”

Nijkerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.