+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

7 minuten leestijd

67.

Vanuit de Schrift moet het ons duidelijk worden, dat de zaligheid haar oorzaak, gronden doel heeft in de Heere. Alle roem is uitgesloten door de wet des geloofs en zo kan dat alleen door het geloof beleefd worden.

Toen het Hoop door Getrouw duidelijk gezegd was, dat hij alleen door de toerekening van de borggerechtigheid van Christus in het geloof kon zalig worden, maakte hij bedenkingen. Hij dacht, dat de Heere Jezus niet gewillig was om hem te redden van het verderf en te stellen in de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat.

Maar in deze menselijke bedenkingen liet Getrouw hem niet staan, want dan zou hij nog steeds verder gaan in de redeneringen van het ongeloof.

Belangstellend vraagt de Pelgrim nu aan Hoop: „Wat zei Getrouw toen tot u?”

„Hij zei mij, dat ik zelf tot Hem gaan moest om mij te overtuigen. Doch ik vond deze aanmatiging te groot. Hij wierp mij echter tegen, dat ik genodigd werd om te komen. Daarop gaf hij mij een boek, waarin ik die nodiging van Jezus kon lezen om mij aan te sporen met vrijmoedigheid tot Hem te komen, en hij zei mij, dat elke tittel en jota van dat boek vaster stond dan hemel en aarde. Ik vroeg hem toen wat ik doen moest als ik tot Hem ging. En hij antwoordde, dat ik op mijn knieën, met mijn ganse hart de Vader moest smeken Hem aan mij te openbaren”.

Kostelijk is het onderwijs, dat Getrouw hier heeft gegeven aan Hoop, en dat geldt ook voor ons. „Daar is geschreven in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij”. Het gaat hierom het onderscheid tussen nemen en aannemen.

Alles werd door de Joden, die van de broden gegeten hadden, in het werk gesteld tot Jezus te komen, om Hem met geweld te nemen en Koning te maken. Nemen, omdat Hij hun paste als broodkoning. Velen nemen de Heere Jezus tot vergeving der zonden en zij zijn klaar, zonder in Hem te zoeken de vernieuwing des levens. Zij kunnen het best in de zonde houden als zij zich maar bevrijd weten van de straf, en dat zal niet bestaan. Met behoud van de zonde zal het niet gaan.

In dat verband heeft de Heere Jezus gezegd: „Maar Mijn Vader geeft u dat ware brood uit de hemel”. En van dat Goddelijk geven door de Vader om het ware brood uit Zijn hand aan te nemen, wilden de Joden niet weten. Wie neemt is een dief en dat geeft hem niet de minste verplichting. Met dat nemen blijft de godsdienstige mens zijn eigen heer en meester. Als de koning, die wederrechtelijk genomen wordt, niet handelt naar de wil van de mens, dan wordt hij weer afgezet. „Niemand kan tot Mij komen”, zegt de Heere Jezus, „tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke”. En daar de Joden Zijn Goddelijke zending door de Vader niet wilden erkennen, was het niet mogelijk in het geloof tot Hem te komen. Zij wilden alleen maar tot Hem komen met behoud van hun wettische en eigenwillige godsdienst.

Zolang het Hoop niet duidelijk was, dat de Zoon Gods gezonden is door de Vader, kon hij niet tot Hem komen, om Hem aan te nemen en gesteld te worden in de vergevende liefde des Vaders. Vandaar die schuchterheid in het hart der oprechten. Hoop durfde zich het recht niet aan te matigen tot de Heere Jezus te komen om zijn zonde te verzoenen. Doch daarvan zult u nooit iets bespeuren bij de hypokrieten. Bij het licht van de Heilige Geest moet het Hoop duidelijk worden, om getrokken te worden tot de Heere Jezus, dat de Vader Hem daartoe geschonken en gezonden heeft. Het recht van komen ligt niet in onze boetvaardigheid of in een andere gestalte des harten, maar alleen in de schenkende en zendende liefde van de Vader.

Getrouw heeft Hoop vanuit het onderwijs door hem gegeven, leren bidden. En daartoe laat de Heere ook ons delen in de onderwijzingen van Zijn Woord. Hij komt ons de troon van Zijn genade te openen. „Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd”.

Getrouw heeft Hoop opgewekt vanuit de openbaring van Gods ontfermende liefde in Christus, met vrijmoedigheid toe te gaan tot de troon der genade. „Spreek dan”, zo sprak hij tot Hoop, „op deze wijze: O God, wees mij, zondaar, genadig! Geef mij Jezus Christus te kennen en in Hem te geloven, want ik zie in, dat ik zonder Zijn gerechtigheid en zonder geloof geheel verloren ben; Heere, ik heb gehoord, dat Gij een barmhartig God zijt en dat Gij hebt gewild, dat Uw Zoon Jezus Christus de Zaligmaker der wereld zou zijn; wat meer is, dat Gij gewillig zijt Hem te schenken aan zulk een arm zond aar als ik ben (en waarlijk, mijn zonden zijn veel en groot). Heere, laat dit mij dan ten goede mogen gedijen en verheerlijk Uw genade in de verlossing mijner ziel door Uw Zoon Jezus Christus, amen”.

Het gaat in de Schrift om de openbaring van de Zoon Gods in het hart van ellendige zondaren. En in die openbaring is het recht en de kracht van het gelovig komen tot de Heere Jezus. In het zien van Hem is het zien van de Vader, het blikken in Zijn liefde.

Niet terstond, ook niet bij de eerste, tweede, derde, zelfs niet op zijn zesde smeking bekwam Hoop de openbaring van Christus in zijn hart, het smaken van de liefde des Vaders. Wel honderden malen werd hij gekweld met de gedachte, dat hij het bidden maar op moest geven. En toch kon hij het niet nalaten te volharden in het bidden.

Op de vraag van de Pelgrim: „En wat was de reden, dat gij het niet deed?” gaf Hoop ten antwoord: „Ik geloofde vast, dat hetgeen mij was gezegd, de waarheid was, n.l. dat zonder de gerechtigheid van Christus de gehele wereld mij niets kon baten, en daarom, zo dacht ik bij mezelf, indien ik het bidden nalaat, sterf ik, en ik kan slechts sterven aan de voet van de genadetroon! Daarbij overdacht ik het woord des Heeren: Zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen; Hij zal komen en niet vertoeven. Op deze wijze volhardde ik in het gebed tot het de Vader behaagde mij de Zoon te doen aanschouwen”.

Hier wordt het ons wel duidelijk, dat Hoop niet opgebouwd is in de eerste beginselen van het genadeleven. Velen hebben wat, nemen wat en zie, zij zijn klaar. Deze leven bij gevolgtrekkingen, tot grote schade van het geestelijke leven. Men leeft ver boven zijn stand en daar worden allerlei godsdienstige knoeierijen uit geboren. Menigeen heeft zich hiermee in grote verwarringen gebracht, in tijden van donkerheid en onvruchtbaarheid. Wij hebben gedurig ons innerlijk leven te toetsen aan de proefsteen van Gods getuigenis, om zuivere werkzaamheden te bekomen aan de troon van Gods genade.

Volhardend in het gebed heeft Hoop wasdom verkregen in zijn geestelijk leven. Hij mocht opwassen in de genade en kennis van onze Heere Jezus Christus, door Hem te omhelzen als een geschenk van de Vader. Jn Hem schenkt de Vader niet alleen de vergeving der zonde, doch ook het recht ten eeuwigen leven. De algemene kennis van de Heere Jezus hebben wij vanuit de Schrift te waarderen, doch in het geloof, dat door de liefde werkt, bekomt het hart de bijzondere of zaligmakende kennis van Hem.

A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.