+ Meer informatie

Zwart ijs en kale vlaktes

16 minuten leestijd

„Rusland is één ecologische tijdbom" kopte het RD eind vorig jaar. De olielekkage in het hoge noorden bleek slechts het topje van de ijsberg te zijn. Manfred van Eijk trok erheen en schrok van de enorme verontreiniging door de nikkelindustrie. En van de grote hoeveelheden radio-actief afval.Geschokt reisde hij door naar Finland, het land van schone bossen en meren. Dacht hij...

Finnmark, de meest oostelijke provincie van Noorwegen, werd in de Tweede Wereldoorlog zwaar getroffen in de strijd tussen Duitsland en Rusland. Het stadje Kirkenes werd intensief gebombardeerd en bijna alle dorpen in de omgeving gingen verloren in het oorlogsvuur. Nu leven de mensen er van handel, visserij en wat toerisme.

Zorgen maken sommigen zich over ontwikkelingen in Rusland, waar de ernstige luchtvervuiling van de nikkelindustrie zich niet aan grenzen stoort. Degene die zich, in ieder geval openlijk, daar het meest over opwindt, is Kare Tannvik, woordvoerder van de actiegroep "Stop de dodelijke wolken uit Rusland". De Noor heeft zo genoeg van de regelmatig overwaaiende zwavelwolken dat hij eens in een onbezonnen bui gedreigd heeft de fabrieken met hulp van een dertigtal Russische ex-Afghanistanstrijders op te blazen.

Nu, drie jaar later, heeft de actievoerder nog niets van z'n strijdlust verloren. Zijn woede is nog niet getemd. In een koude, razende wind wijst Tannvik naar een meertje waar het rimpelende water de sneeuw op de heuvel ontmoet. „Vijf jaar geleden zat ik met mijn vrouw en zoontje aan dat meer te vissen. Ik moest een gat in het ijs hakken en het was koud. Maar dat maakte niet uit, want het was een prachtige dag. Even verderop zag ik een wak in het ijs en ik zei tegen m'n zoon: Daar mag je niet heen. Maar ja, kinderen doen dat dan juist toch en ik ging erachteraan."

Zwavel
„Toen ik bij dat gat kwam, bleek het helemaal geen opening in het ijs te zijn; het waren stoffige metaaldeeltjes die door de wind in het ijs waren gedraaid en daar een brandgat hadden achtergelaten. De sneeuw was er gesmolten en zag er uit als pap. Ik dacht toen: Of ik ga hier weg, of ik moet er onmiddellijk wat aan doen. De volgende dag plaatste ik een advertentie, kreeg veel reacties en richtte de actiegroep op."

Behalve Tannvik houdt ook Bellona zich met de zaak bezig. Deze wat meer diplomatieke Noorse milieuorganisatie brengt samen met de Russen de problemen in kaart, verricht onderzoek en publiceert in beide landen rapporten over het Severonikel/Pechenganikelcomplex, dat de meest vervuilende industrie van het Russische noordwesten blijkt te zijn.

De uitstoot van (o.a.) 750.000 ton zwaveldioxyde had tientallen kilometer bos in de wijde omtrek vernietigd. Tannvik: „Maar daar niet alleen. Ook in Noorwegen slaat de rommel neer en verspreidt de woestijn zich. De stenen zijn wit, normaal groeit daar mos op, maar dat is allemaal verbrand."

Steppe-achtig
In Kirkenes vraag ik een Russisch visum aan. Hiermee passeer ik het voormalige IJzeren Gordijn, dat nu door Tannvik cynisch het "roestige gordijn" wordt genoemd. „Die zure lucht verwoest zelfs prikkeldraad!"

De eerste dertig kilometer is er, zo lijkt het, echter niets wat aan een "woestijn" of milieuvervuiling doet denken. Er staan gewoon bossen en er groeit gras, net als in Noorwegen. Maar dan, niet ver van Nikel, de naar de nikkelindustrie genoemde stad, verandert de natuur in een dor en steppe-achtig landschap.

De berken reiken niet hoger dan een meter en de stammetjes zijn gedrongen en kronkelig, alsof de boompje hebben getracht zich voor iets te verschuilen. De takken zijn geblakerd, de grond lijkt verbrand. In de wijde omgeving van Nikel, vooral in het oosten, is de natuur in een verschroeid poollandschap veranderd.

Her en der bedekken vlekjes witte en beige sneeuw de zwarte en grijze grond. Dit is het land dat door Russische wetenschappers ook wel de "technologische woestijn" wordt genoemd, waar in de steden de meeste mensen ziek worden en het leven niet veel jaren telt.

De stad Nikel werd in 1934 gebouwd nadat een Fins/Canadees consortium grote hoeveelheden nikkelerts in de omgeving had aangetroffen. Na de Tweede Wereldoorlog kwam de opbouw van de nikkelindustrie goed op gang. De Finse corridor met de Barentszee werd na de oorlog Russisch en Stalin stuurde er duizenden  boeren en door Noorwegen vrijgelaten krijgsgevangenen heen.

Avontuur
De omstandigheden in het ver boven de poolcirkel gelegen stadje waren bar. Vanuit grotten en tenten bouwden de pioniers aan de fabrieken en de stad, die in pompeuze stalinistische stijl recht en ruim werd opgetrokken.

Tatjana Jeremolitskaja herinnert zich nog de uitgestrekte bossen in de omgeving en het park naast de fabriek, waar vrouwen paddestoelen plukten en de mannen 's middags wodka dronken. Dat was nog in de jaren zestig en het begin van de jaren zeventig. Jeremolitskaja was uit Centraal-Rusland naar het noorden gekomen, omdat het haar daar wel "spannend" had geleken.

„Het leek me een avontuur, zo hoog in het noorden te werken. Je kon er twee tot drie keer meer verdienen, woonruimte vinden was geen probleem en ik had er een tante wonen." Maar in 1976 werd het allemaal anders. De nikkelfabriek kreeg een ander soort erts, ditmaal uit het Siberische Norilsk aangevoerd, en de lucht werd zuur. 

Als medewerker van de milieudienst in de fabriek had Jeremolitskaja geen instrumenten nodig om te zien hoe de gezondheid hard achteruit ging. Allergieën, huidziekten, astma en bronchitis namen razendsnel toe en baby's kwamen steeds vaker misvormd ter wereld. Volgens Jeremolitskaja werden er geen gezonde kinderen meer geboren en was de natuur in de stad en de omgeving zo dood als een pier.

Tot de zomer van 1994. Ineens groeide er groen blad aan sommige bomen en bloeide er, voorzichtig, zowaar een bloem. Kinderen wisten niet wat ze zagen. Wat was er gebeurd? Een milieumaatregel, gril van de natuur, toeval? Nee, de produktie was met de helft verminderd, zodat ook de vervuiling sterk daalde.

Keerzijde
Maar de keerzijde van de medaille waren de ontslagen. Eerst vlogen de notoire dronkaards eruit, toen de vijftig-plussers en later nog meer. In een stadje als Nikel raakten honderden arbeiders hun baan kwijt; een op de tien werknemers. De verminderde produktie leek een gevolg van de overgang van de gecentraliseerde economie naar de vrije markt.

Ineens moesten de ijsbrekers betaald worden voor de begeleiding van het ertstransport over de Noordelijke IJszee. Betalingen bleven uit, brandstof raakte op en werd bovendien duurder. En tegelijk vlogen de prijzen van huur en energie als een komeet omhoog. De aanvoer van snoep en chocola uit het Westen, jeans uit Finland en Noors ijs kon nauwelijks een troost betekenen.

Moermansk
Liften gaat best in Rusland, mits de temperatuur niet te veel onder het vriespunt zakt en de wind uit het zuiden waait. Ik wil naar Moermansk. Al na een kwartier word ik meegenomen door een vrachtwagenchauffeur. Hoog op de bank kijk ik uit over het verzuurde landschap, dat na vijfentwintig kilometer weer wat tot leven lijkt te komen.

Voorbij Pechenga staan de bomen weer recht en groeit er weer gras. Soms, op de hogere gedeeltes, bedekt alleen mos de koude grond en trekt het bos zich terug in de diepe en warmere dalen van een snelstromende rivier. Moermansk is na Nikel geen verrassing meer. Of het moest de grootte zijn; tientallen reusachtige huizenblokken, waarin in totaal bijna een miljoen mensen wonen. En dat allemaal zo dicht bij de Noordpool.

Die drukte komt natuurlijk door de haven. De stad ligt aan de warme golfstroom, die de haven het hele jaar door ijsvrij houdt. Vandaar dat zich hier de grootste zeemacht van Rusland bevindt, de Noordelijke Vloot. Deze vloot telt een groot arsenaal aan slagschepen, ijsbrekers en onderzeeërs, waarvan er vele door kernenergie worden aangedreven. Vooral de atoomduikboten brengen nogal wat radio-actief afval met zich mee.

Tot 1991 werd dat in de Barentszee geloosd, de zee waar de grootste hoeveelheid radioactief afval ter wereld werd gedumpt. Ook Nova Zembla werd volgestouwd met kapotte onderzeeërs, oude kerncentrales en nucleair afval en groeide uit tot het grootste atoomkerkhof ter wereld. Ongelukken kwamen en komen geregeld voor. Vooral met atoomonderzeeërs. Ze explodeerden, zonken, botsten met trawlers of duikboten en werden zelfs in visnetten gevangen.

Plutonium lekt weg
Een van de laatste gezonken atoomonderzeeërs ligt op een diepte van 1700 meter weg te roesten. Geleidelijk begint het uiterst giftige plutonium te lekken. Volgens Greenpeace hebben er minstens vijftig ongelukken met de Noordelijke Vloot plaatsgevonden, waarbij er minimaal 507 mensen zijn omgekomen.

In een hotel in Moermansk heb ik een afspraak met Frederick Hauge, van Bellona. De directeur maakt zich niet echt zorgen over de radio-actieve vervuiling van de zee. Hauge: „Als je de Barentszee met de Oostzee vergelijkt, is de Barentszee een van de schoonste zeeën ter wereld. Een kilo vis geeft 0,7 becquerel per kilo, terwijl dat er in de Oostzee dertig zijn."

Hauge weet niet waar de radioactiviteit blijft, die in de laatste dertig jaar in de Kara- en Barentszee is vrijgekomen. „De een zegt: Het stroomt naar het oosten, de ander meent dat het onder de Noordpool verdwijnt. Het meeste komt waarschijnlijk in Groenland en Canada terecht, maar de hoeveelheid is toch wel verwaarloosbaar klein."

Igor Kudrik, een Russische onderzoeker, ook van Bellona, maakt zich meer zorgen. Er zijn nu weliswaar "constructieve gesprekken" met de Russische overheid en de Moermansk Shipping Industry, toch is de situatie in de laatste jaren steeds onoverzichtelijker geworden. „Vroeger hadden we een vijand, dat was de staat en dat was duidelijk. Nu hebben we te maken met de overheid, de marine en talloze bedrijven. En iedereen schuift de verantwoordelijkheid van zich af."

Hauge en Kudrik zijn in Moermansk bijeen om met marine en scheepsindustrie over de steeds dreigender wordende situatie te praten. Kudrik: „Soms weten we van paniek niet waar we moeten beginnen." De Lepse staat in ieder geval hoog op de agenda. Dit verwerkingsschip zit boordevol brandstofstaven en nucleair afval en moet zo snel mogelijk op land getrokken worden, streng bewaakt en volledig geïsoleerd.

Kudrik: „Als dat schip tijdens een storm zinkt, vindt er een catastrofe in de stad plaats." Er moet ook een oplossing gevonden worden voor de overvolle opslagplaatsen van radioactief afval, nu er niet meer in zee wordt geloosd. En de vloot stikt van lekkende atoomijsbrekers en onderzeeërs. Die moeten ook uit Moermansk weg en ergens veilig en controleerbaar worden opgeborgen. Dit alles kost handen vol geld, wat er in het failliete Rusland nauwelijks is. Vandaar dat Bellona de Noorse overheid zo ver heeft gekregen een deel van de kosten op zich te nemen.

Openheid
Igor Kudrik is niet ontevreden over de "nieuwe openheid" van marinechefs en politici. Toch zijn bepaalde incidenten totaal onbespreekbaar. „Over het ongeluk in 1993 met de nucleaire ijsbreker Arctica heerst grote stilte." De onderzoeker maakt zich ook zorgen over plannetjes van Russische privé-ondernemingen om het hele arsenaal aan chemische wapens in één klap te vernietigen.

Zo wil het bedrijf Chetek het hele spul in een aantal tunnels van Nova Zembla proppen en het dan door middel van drie flinke kernexplosies opblazen, zodat de uiterst giftige cocktail door de extreme hitte ineens verglaasd. In deze vorm zou het volgens Chetek voor de omgeving geen kwaad meer kunnen. Bellona heeft daar grote twijfels over en meent dat radio-actieve uitstoot en lekkages niet uitgesloten zullen zijn.

Er circuleren ook plannen voor drijvende kerncentrales in de Noordelijke IJszee, het onder ijs boren naar olie met atoomonderzeeërs en het graven van kanalen op Nova Zembla, waar de hele radio-actieve santekraam aan lekkende atoomschepen, afval en roestige reactoren zouden moeten worden opgeborgen.

Maar wie moet er eigenlijk bewaken als er voor onderhoud en beveiliging geen geld meer is? Steeds meer hoog-gekwalificeerd personeel wordt ontslagen, omdat het simpelweg te duur is. Technici met veel kennis en ervaring raken werkloos of vegen nu de straten van Moermansk schoon.

Dan maar naar Finland
Om wat bij te komen besluit ik naar Finland door te reizen. „Finland, land van duizenden meren en ongerepte bossen", staat er in de reisfolders. Op reis naar het noorden ziet het er inderdaad zo uit. Overal schitterende meren en waar je ook kijkt bos. Maar even voorbij de toeristische snelweg 4 valt het beeld in gruzelementen.

Oostelijk van Ivalo, niet ver van de Russische grens, kijk ik uit over uitgestrekte, kaalgekapte vlaktes. Wielsporen snijden diep in de donkere grond, die overal is losgewoeld. Hier en daar staat er nog een eenzame boom, ter herinnering aan het bos, dat eens hoog en ongestoord kon groeien.

„Nog nooit is er in Finland in de laatste honderd jaar zoveel bos geweest", schrijft de houtindustrie in haar jaarlijkse overzicht. „Er groeit meer bij dan er wordt gekapt." Maar Harald Hellander, ingenieur uit Helsinki en sinds een paar jaar een van de felste natuurbeschermers in Finland, moet daar hard om lachen.

„Vraag niet wat dat voor bos dat is. Struikjes, bosjes, kreupelhout, dat soort werk. Het echte, oude bos met stevige bomen is vrijwel weg." Hellander loopt voor me uit over de gekapte woestenij. Hij is op zoek naar jonge boompjes, die proberen op deze hoogte, een paar honderd kilometer boven de poolcirkel, te overleven. Maar hij vindt ze niet. De jonge boompjes vertakken zich al weer of zijn al bijna bruin. „Hier groeit nooit meer wat."

Petitie
Niet alleen tropische bossen worden door toenemende houtkap bedreigd. Ook de bossen in het hoge noorden worden het slachtoffer. In Siberië en Canada verdwijnt het naaldwoud in snel tempo en ook in Finland heeft de houtindustrie z'n blik naar het noorden verlegd, waar zich nog relatief veel en hoog bos bevindt.

De kap van het Finse bos begon in de zeventiende eeuw. Boeren hadden landbouwgrond nodig en een eeuw later zaten Holland en Engeland dringend verlegen om hout voor hun almaar groeiende vloot. De Finse hout- en papierindustrie groeide uit tot de, op Canada na, grootste houtexporteur ter wereld en een van de belangrijkste werkgevers van het land.

Maar niet iedereen was zo gelukkig met de gestage verkaling van het landschap. In 1990 boden 220.000 Finnen de regering een petitie aan, waarin werd gevraagd natuurgebieden te sparen. Daarop verdeelde de overheid het bos in produktiebos (90%), nationale parken en "wildernisgebieden".

In de nationale parken mocht niet gekapt worden, dat was duidelijk, maar in de wildernisgebieden lag de zaak wat gecompliceerder. Daar mocht, voor de plaatselijke bevolking, alleen "voor eigen behoefte" worden gekapt. Sprokkelhout voor de kachel, bijvoorbeeld. Maar de houtindustrie had ook zo z'n "eigen behoefte" en trok met motorzagen en machines eveneens het 'wilde gebied' in.

Harald Hellander loopt nog rood aan als hij daaraan denkt. „Er is in die wilde gebieden zo weinig bos. Het meeste is kaal, toendra, en maar ongeveer twaalf procent bestaat uit bossen. In Zuid-Finland groeit jaarlijks vijftig miljoen kubieke meter hout. Dan is die tienduizend kubieke meter hier in Lapland toch waanzin?"

Blokkade
De ex-ingenieur („in bruggen bouwen heb ik geen zin meer") werd in 1992 ineens heel bekend in het land. Met een achttal vrienden trok hij het Kessibos in, waar op dat moment in een wildernisgebied druk werd gezaagd. Hij blokkeerde vier uur lang de werkzaamheden en werd daarna door de grenspolitie gearresteerd.

„Gisteren kreeg ik de boete in de bus. Tienduizend gulden moet ik betalen." Tegen het kappen op zich heeft Hellander geen bezwaar, maar van het oerbos, zoals in Kessi, moeten ze afblijven. „In Noord-Finland wordt jaarlijks zo'n twintig tot dertig miljoen kubieke meter bos gekapt. Dat neemt af, omdat het allemaal dunne stammetjes zijn."

Tussen oerwoud en produktiebos is groot verschil, zegt Hellander. „Produktiebos is verarmd en er zit nauwelijks leven in." Ook Greenpeace vergeleek het Finse bos met een "groene woestijn". Hellander: „Uilen, witrugspechten en matkopjes hebben er geen plaats meer. Die hebben oude bomen nodig om holletjes te maken. Ook adelaars kunnen geen bomen meer vinden om hun nesten in te bouwen. Het auerhoen verliest z'n baltsplaats en mierehopen zie je er ook niet meer."

„Die redt 't niet"
De ingenieur tuurt vermoeid de horizon af. Hij neemt z'n muts af en wrijft over z'n voorhoofd. „Steeds weer beginnen ze over die werkgelegenheid die ik in gevaar zou brengen. Wat een onzin. Een houtverwerkingsmachine neemt al twintig arbeidsplaatsen in." Hij wijst naar een klein, wat grijzig boompje, dat uit de omgewoelde bodem omhoog steekt.

„Ook die redt 't niet. Er is geen bescherming van oude bomen tegen de extreme kou. En als er hier een flink pak sneeuw op valt, knakt het gelijk om. Weet je hoeveel jaar zo'n boompje hier nodig heeft om zo groot te worden als een tachtigjarige boom in Zuid-Finland? Tweehonderd jaar. Maar zelfs dat halen ze niet. Hier komt nooit meer wat op."

Dit is oerbos
Na een wandeling van een uur bereiken we een bos met oudere bomen en hier en daar wat aan takken hangend baardmos. Dit is nu het oerbos, vertelt Hellander en hij zucht diep. Oerbos? Het is er zo open dat het eerder op een stadspark lijkt. „Dat is vanwege de natuurlijke selectie", reageert Hellander vermoeid.

„Niet veel bomen overleven het harde klimaat en een den heeft gewoon veel licht nodig." Dit noordelijke bos is een belangrijke beschermende zone tegen de oprukkende toendra, zegt Hellander. Zonder bos zou de koude poolwind nog dieper in het land doordringen, met alle gevolgen vandien voor de vegetatie.

Ook aan de Fins-Russische grens ligt een "groene corridor", die volgens de Finse Natuurliga „een genetische ketting vormt tussen de Russische taiga en het Fins/Scandinavische bos". De groene strook strekt zich uit van de Witte Zee tot aan het Meer van Ladoga (bij Sint Petersburg) en herbergt, volgens Hellander, veel diersoorten als wolven, beren en elanden, die vanuit Rusland naar het westen trekken.

Maar daar staat toch een twee meter hoog hek met prikkeldraad? Hellander: „Daar lopen ze gewoon doorheen. Die beesten laten zich door een hek echt niet tegenhouden."

In het noorden van Finland leven zo'n drie- tot vierduizend Sami. Ze houden zich bezig met visvangst en de jacht en werken aan de grens of in een papierfabriek. Er zijn er ook die zich met rendieren bezig houden. De toenemende houtkap stelt ook de rendierhouders voor steeds grotere problemen. Rendieren houden niet van produktiebos.

Roman Jevremov, een zeventigjarige Sami, komt oorspronkelijk uit Petsamo (nu Rusland), waarbij hij na de grenswijziging (Finland moest na de Tweede Wereldoorlog een stuk land in het noordoosten afstaan) gedwongen werd naar Nellimö te verhuizen. In dit kleine dorp, vlakbij de Russische grens, heeft Jevremov z'n rendieren. Maar het bestaan is er niet eenvoudiger op geworden.

Jevremov: „In Petsamo volgde de kudde je vanzelf. 's Zomers liepen we naar het noorden, naar zee, waar het gras mals, vochtig en een beetje zoutig was. In de winter dreven we ze weer terug. Hier in Finland zit het land vol met wegen. Daar durven die beesten niet over heen, die zijn dicht bos gewend."

De dichtheid van het Finse houtwegennetwerk is inderdaad niet mis. Het bestaat uit meer dan 100.000 kilometer weg, wat dichter is dan het wegennet in Oostenrijk of België.

Jevremov is ook bezorgd over de verdwijning van oude bossen. „Die beesten hebben 's winters mos nodig. En baardmos groeit alleen op oude bomen. Waarom kappen ze die toch? Zo kunnen wij met onze rendieren toch niet overleven?"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.