+ Meer informatie

De waarheid van schepping en val

6 minuten leestijd

5.

Kapitulatie voor de natuurwetenschap.

Vorige maal hebben we geschreven over de veranderde houding op het „bredere gereformeerde eix” tegenover de evolutie-gedachte en de ouderdom van de aarde door de zgn. resultaten van de natuurwetenschappen. Aan het eind van dat artikel hebben we de overtuiging uitgesproken, dat deze veranderde houding doorgewerkt heeft tot een andere benadering van Gods Woord. We zijn ons bewust, dat we daarmee in feite een kapitulatie stellen voor de natuurwetenschappen.

Nu is iedere kapitulatie niet gelijk. In dit geval zouden we niet van een openlijke kapitulatie willen spreken. Zelfs willen we niet graag ieder, die vanuit de resultaten en vragen van de natuurwetenschappen een andere benadering van b.v. Genesis 1–3 zoekt, beschuldigen van een bewuste kapitulatie. Men kan werkelijk menen het goede te zoeken en toch voor het verkeerde kapituleren. Ondertussen blijft een verhulde of onbewuste kapitulatie dezelfde zaak. Daarom wordt het van ons gevraagd om aan te tonen, dat dit werkelijkheid is. Duidelijk blijkt deze kapitulatie binnen de kring van de Gereformeerde Kerken in de gehele gang van zaken, die tot de val van Assen geleid heeft. De nieuwere opvattingen binnen deze kerken waren reeds langer gepubliceerd, vóórdat er kerkelijk iets ondernomen was. Ieder was officieel gebonden aan de belijdenis, die naar de uitspraak van Assen 1926 niet gedoogt, dat iemand het Schriftverhaal van Genesis 2 en 3 niet letterlijk neemt. Het bleek echter, dat meerdere predikanten in de Gereformeerde Kerken achter de nieuwere opvattingen van de mensen van de natuurwetenschap — in eigen kring — stonden. Zo schreef Ds. Th. Delleman zijn boeken over de schepping in 1960 en 1961 duidelijk onder invloed van deze opvattingen. Zijn eigen mening geeft hij dan ook zelf weer in een verklaring van zondag 3: „Er is geen enkel bijbels motief om bezwaar te maken tegen de wetenschappelijke stelling, dat ook de kreatie — schepping — van de mens in de weg van evolutie geschiedde”. Het is dus wel duidelijk, dat zo iemand het Schriftgedeelte eerst heeft „aangepast” om dan te zeggen, dat er geen bijbels motief is tegen de evolutiegedachte.

En juist deze predikant is het geweest op de generale synode van deze zelfde kerken, die de zaak van Assen weer aan de orde heeft gesteld. Van deze Th. Delleman kwam het verzoek op de Generale Synode van Apeldoorn 1961-’62 om na te gaan of en in hoeverre de uitspraken van de synode van Assen 1926 nog bindend zijn.

Tekenend is het, dat deze synode niet deze predikant ter verantwoording riep over zijn eigen afwijkende meningen — in het verzoekschrift zelf naar voren gebracht — maar in wezen inging op het verzoek en de zaak opdroeg aan een deputaatschap. In het rapport, dat op de volgende synode diende, was een uitvoerige bijlage, waarin een overzicht gegeven werd van de ontwikkeling van de natuurwetenschappen in de laatste tientallen jaren. Het is waar: het deputaatschap in zijn geheel wenste geen verantwoordelijkheid te dragen voor deze bijlage, waarin de nieuwere ideeën feitelijk onderstreept werden. Er bleek ook gèen verzet tegen.

Zo is het voortgegaan. Op de synode, waarde uitspraak van Assen terzijde is gesteld, werd in het meerderheidsrapport geschreven: „het kombineren van het standpunt — ten opzichte van de evolutie en de ouderdom der aarde — met de onder ons traditionele exegese van Genesis 1–11 levert moeilijkheden op”.

Is het te veel gezegd, dat men gekapituleerd heeft voor de „resultaten” van de natuurwetenschap?

De vraag kan misschien bij sommige lezers opkomen, of het onder ons nodig is deze droevige gang van zaken in de Gereformeerde Kerken weer te geven. Hier zijn voor ons waarschuwingen in verborgen, die we niet voorbij mogen gaan.

Allereerst treft hier het gevaarlijke van deze kapitulatie binnen deze kring. Met allerlei redeneringen wordt deze met kracht ontkend. Zo spreekt het bovenbedoelde meerderheidsrapport ervan, dat de min of meer vaststaande resultaten van de natuurwetenschap nooit grond tot het aanvaarden of verwerpen van een bepaalde verklaring van Gods Woord kunnen zijn maar wèl aanleiding. Op zichzelf genomen is dit een waarheid, maar het gaat hier niet over een andere exegese, doch over het loslaten van de feitelijkheid van Gods Woord. En daar kan de wetenschap nóch grond nóch aanleiding voor geven, later wordt in hetzelfde rapport gezegd, dat de natuurwetenschappen niet over de uitlegging van de Schrift mogen heersen. Al zulke beweringen zijn prachtig, maar de uitkomst is anders. Ook hier blijkt het, dat men bij de doorwerking tot de nieuwe benadering van de eerste bijbelhoofdstukken ook het gereformeerde kleed wil aanhouden.

En laten we gewaarschuwd worden om niette letten op allerlei prachtige redeneringen, die de weg moeten banen voor het van onze zijde aanpassen van Gods Woord aan de resultaten der wetenschap. Het is onlangs op een openbare vergadering bewezen wat voor inhoud veel woorden hebben: daar wees één uit deze zelfde kring de beschuldiging van aantasting van het Schriftgezag af, terwijl hij openlijk het bestaan van Adam in twijfel trok. In alles is hier één ding duidelijk: Het is begonnen inde Gereformeerde Kerken met het negeren van de beleving van de waarheid naar de Schriften. Deze louter intellektuele benadering van Gods Woord met handhaving van het gezag had het andere gevaar reeds in zich, n.1. geen verweer te hebben tegen de aanvallen van de wetenschap. Er ligt een kern van waarheid in het woord van Kohlbrugge — in een preek over Genesis 3, eenmaal gehouden te Vianen, 29 juni 1856 —: „Waar alléén kennis is, daar is voortdurende twijfel of Gods Woord wel Gods Woord is”. Alleen in het geestelijk verstaan van de boodschap van Gods Woord ligt het verweer tegen alle aanvallen.

Maar daarom spreekt dit nog op een andere manier tot ons. Onder ons zullen gerust jongere — en oudere — mensen zijn, die met vragen in hun gemoed gaan ten aanzien van deze dingen. Ik voor mij wil deze vragen niet éénzijdig tegemoet treden met de afwerende beweging: je behoort zulke vragen niet te stellen en daarmee uit. Natuurlijk worden er heel wat vragen gesteld louter om te vragen. Ook zijn er vragen, die meer aantijgingen zijn. Maar er kunnen pijnlijke botsingen zijn, vooral voor hen, die bij het zuivere Woord Gods zijn opgevoed, en op een middelbare school of universiteit tegenstrijdige ideeën horen. Wie in eigen leven iets kent van de twijfelvragen die op kunnen komen, moet niet hoogmoedig oordelen over zulke botsingen. Alleen: dan moeten deze vragen tegemoet getreden worden vanuit de rechte bewogenheid, die niet Gods Woord loslaat, maar dat Woord vasthoudt. Dan is er heus geen antwoord op alle vragen te geven, maar wordt toch het geestelijk verstaan van de boodschap óók van de eerste bijbelhoofdstukken centraal gesteld. Daarin ligt toch een zegen voor onze jongere mensen wanneer Gods kerk hen zó tegemoet treedt. Zo wordt het betrekkelijke van deze vragen voor ogen gesteld. En het buigen onder Gods Woord heeft licht in zich om het pad te gaan ook in deze donkere tijd.

Wat doet men echter in de Gereformeerde Kerken: men bewijst een slechte dienst aan degenen, die met vragen komen naar aanleiding van de resultaten van de natuurwetenschap. De kracht aan de boodschap ontnemen betekent de lamp te doven, die licht op het pad verspreiden moet. Dit zal alleen een verdere verwijdering van het Woord Gods teweegbrengen. Daarom mogen wij ook onder ons aan deze waarschuwing niet voorbijgaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.