+ Meer informatie

PREDIKING EN MAATSCHAPPELIJK LEVEN

12 minuten leestijd

(wat dient de predikant met het oog op de prediking te weten van het maatschappelijk wel en wee van zijn gemeenteleden?)

Een voorbeeld ter inleidlng

Het gebeurde enkele jaren geleden in een kerk ergens in Nederland. De predikant had in korte tijd te maken gehad met een aantal indringende sterfgevallen. Zijn prediking werd er door gestempeld. In het begin vond dit goede ingang in de gemeente; het was herkenbaar! Maar na een bepaalde tijd, toen de accenten daarop blèven vallen, ontstond er enige onrust. De predikant was nog druk bezig met eigen verwerking en pastorale begeleiding van zijn getroffen gemeenteleden… maar ongemerkt was hij zijn bredere blik op het leven van de leden van de gemeente kwijt geraakt; er was een kloof ontstaan tussen zijn werkelijkheid en die van het grootste deel van zijn gemeenteleden.

De vraag

Het is een belangwekkende vraag: in hoeverre dient de predikant zich te verdiepen in het maatschappelijk leven, zodat zijn gemeenteleden zichzelf ‘s zondags onder de prediking herkennen? Want dat is toch feitelijk de bedoeling van de zondagse verkondiging: dat de leden van de gemeente van Christus zich aangesproken weten en zichzelf terugvinden in de dingen die daar aan de orde komen. Welke predikant heeft het nog nooit gehoord, ook van zijn eigen prediking: het zijn mooie woorden, maar het raakt me niet… en lang niet altijd kan dan het antwoord zijn, dat ons hart er dan blijkbaar niet voor open stond of dat te weinig gebeden is om de leiding van de Heilige Geest. Er kan ook iets heel anders aan de hand zijn, in de zin van het voorbeeld hierboven.

Een ontkennend antwoord

Intussen ben ik al bezig, zoals u merkt, om de door de redactie gestelde vraag voorzichtig positief te beantwoorden. Misschien zijn er onder de lezers echter die in eerste instantie van mening zijn dat het voor een predikant helemaal niet nodig is dat hij op de een of andere wijze kennis neemt van de ontwikkelingen in de maatschappij, in het bijzonder in datgene dat zijn - jonge zowel als volwassen - leden daarvan meemaken. Is het niet de roeping van de predikant om in de prediking, naar goed gereformeerd gebruik, op vraag en antwoord 2 van de Heidelberger Catechismus te letten? Het gaat erom dat een mens leert zien hoe groot zijn (haar) zonden en ellende zijn, hoe hij (zij) daarvan verlost wordt en hoe hij (zij) voor die verlossing dankbaar zal zijn. En daar hebben we onze handen vol aan, een leven lang. En alle uitweidingen in de prediking over ontwikkelingen in de maatschappij zijn tekenen van armoede, modieuze verschijnselen die weer verdwijnen. Voor Gods aangezicht (en daar stáán we tijdens de kerkdienst) gaat het om de opening van het hart van de zondaar op de hierboven aangeduide wijze.

Wie zou dit op zichzelf genomen ontkennen? En wie zou ontkennen dat er veel modieuze prediking is, zo zelfs dat het woord ‘prediking’ daar eigenlijk niet meer op van toepassing is? Het zou niet moeilijk zijn daar voorbeelden van te geven. En een schip op strand is een baken in zee…

En toch…

Toch is daarmee niet het laatste woord gezegd. Denkend aan de trits ellende, verlossing en dankbaarheid kan het volgende opgemerkt worden. Als het gaat om onze zonde, gaat het o.a. om het feit dat wij als zondaren (Adamskinderen) geboren worden. Wij zijn zondaren. Maar dat uit zich op allerlei wijze concreet in ons leven: wij dóen de zonde ook. Dat strekt zich uit in ons huwelijksleven, in ons maatschappelijk leven, in ons volgen van een opleiding enz. Hoe zouden wij daaraan ontdekt worden als de prediking het niet dicht bij ons brengt? Hetzelfde geldt de dankbaarheid (of de heiliging van ons leven). Ook die moet concreet gestalte krijgen in ons leven, niet alleen op zondag in de kerk, maar ook en juist door de week op de plaats waar de Here ons stelt.

Het is alles werk van de Geest, maar Deze werkt met en door het Woord, dat gepredikt wordt.

De Heilige Schrift

Wanneer we de Heilige Schrift openen, moet het wel opvallen hoezeer de prediking zowel in het Oude als het Nieuwe Testament midden in de toenmalige maatschappij stond en de ontwikkelingen in die maatschappij ter sprake bracht. En dat waren de zaken waar het volk van God concreet mee te maken had!

In 1 Kon. 7:13-21 maken we kennis met Hiram die in zijn dagelijks leven, in zijn beroepsuitoefening als koperslager, de HERE mocht dienen. Te denken is ook aan Spreuken 22, waar bijbelse regels worden gegeven voor het betalingsverkeer in Israël. Of aan Jesaja 5, waar de toestanden in landerijen, bezittingen en uitgaansleven aan de orde komen. Jesaja 55 spreekt over de verhouding tussen rijk en arm. In het Nieuwe Testament valt in de prediking van de Here Jezus de eenvoud op waarmee Hij via voorbeelden - aan het dagelijks leven ontleend - zijn boodschap van heil aan de mens verkondigt en zo die boodschap ook heel herkenbaar maakt. Waarom zouden er anders zoveel zaken uit het vissers- en herdersleven naar voren komen (bijvoorbeeld in Matt. 13:47 en 48 en in Joh. 10:1-18)? En ook Paulus geeft er in 1 Thess. 4:11 en 12 blijk van dat hij van het dagelijks leven van de leden van de gemeente goed op de hoogte is en dat hij dit ook in zijn vermaning verwerkt. Het zou niet moeilijk zijn meer voorbeelden te geven.

Een conclusie

De conclusie uit deze gegevens zal duidelijk zijn: Wil de prediking van zondag tot zondag herkenning bij de hoorder bewerken, dan zal de predikant zich inderdaad enige moeite dienen te getroosten om op de hoogte te zijn met het maatschappelijk leven, opdat de hoorder zich herkent in zijn en haar wel en wee. Dat komt trouwens niet alleen de “adressering” in de prediking ten goede, maar ook het gerichte pastoraat van week tot week.

Met opzet formuleer ik het op deze wijze: “op de hoogte zijn met het maatschappelijk leven”. Daarmee wordt de vraag in dit artikel genuaneeerd beantwoord. Het moet immers ondoenlijk geacht worden dat een dominee zich uitgebreid verdiept in het dagelijks leven van degenen die aan zijn pastorale zorg zijn toevertrouwd. De tijd zou hem ervoor ontbreken, maar laten we eerlijk zijn: ook het verstand zou te kort komen.

ledere predikant heeft zijn eigen beperking inzake opleiding en kennis. Hij hoeft niet tot in de finesses alles te kunnen volgen wat zijn gemeenteleden doen. Hier is dezelfde lijn te trekken als rond ziekte en overlijden, zaken waar de pastor telkens weer mee geconfronteerd wordt. Naarmate je er meer (door de omstandigheden gedrongen) mee bezig bent, ga je meer van de diepte zien waar je gemeenteleden soms doorheen moeten. En het kan niet anders of dat vertaalt zich in de prediking. Maar je kunt en hoeft niet alles eerst zelf doorgemaakt te hebben!

Daarop doordenkend moet ook het volgende gezegd worden: veel pastorale tijd van de predikant gaat op aan de begeleiding van zulke verdrietige dingen in de gemeente; daar komen vandaag de dag nog allerlei gebroken situaties in gezinnen en huwelijken bij. Voor je het weet krijg je een vertekend beeld van de gemeente: alsof het leven van alle gemeenteleden daardoor getekend is. En dan kan die gevaarlijke afstand tussen kansel en kerkbank gemakkelijk ontstaan. Ik heb mij daar althans persoonlijk wel eens op betrapt. Dan kan een prediking over de hoofden van de hoorders heen gaan, omdat men zich niet herkent in het beeld dat van hen geschetst wordt, hoe reformatorisch en bijbels de lijnen in het algeméén ook zijn! De verbinding met het dagelijks leven is zoek.

In De Reformatie (de “Vrijgemaakte” Wekker) van 29 oktober 1994 werd daar door prof. De Ruijter op geattendeerd: “De strijd om het dagelijks bestaan levert gemakkelijk de suggestie op, dat God daar niet zo heel veel mee te maken heeft. Dat werkt een vervreemding in de hand, waarin zij (de gemeenteleden, DQ) juist in de preek een sterke remédie tegen (mogen) verwachten”. In dat kader pleit De Ruijter voor gerichte communicatie tussen predikant en gemeente, opdat de prediking aan diepte en breedte Winne.

Onlangs was bij een programma van de EO, fifty-fifty, een vraaggesprek te zien tussen Henk Binnendijk en prof. dr. A. van der Meiden. Het tweede - meer principiële-gedeelte van dat gesprek kon mij bepaald niet bekoren. Het eerste was me echter uit het hart gegrepen; daar namelijk waar het ging om het zo noodzakelijke contact tussen prediker en gemeentelid, waarbij het noemen van dingen uit het dagelijkse leven van groot belang zijn. “Laten we de ruif toch niet te hoog houden”, aldus deze (ooit chr. geref.) kenner van communicatieprocessen. Prediking is o.a. het in woorden uitdrukking geven van Gods komen tot de mens; daarbij gaat het zeker om het spreken van God tot de mens; maar dan ook tot de mens in zijn dagelijkse bestaan, om hem daarin het leven in Christus aan te prijzen, te waarschuwen voor het oordeel en aan te zetten tot een leven in heiliging, door de Heilige Geest.

Hoe dit te bereiken?

Sommige predikanten hebben het voorrecht (toch wel) mogen beleven vóór het predikantschap een aantal jaren ergens anders in de maatschappij te hebben mogen werken; hun ogen zullen toen vast en zeker voor veel zaken open zijn gegaan die ze vervolgens in het gemeentelijk leven tegenkwamen. Maar niet bij ieder kan dat het geval zijn. Een paar gedachten over mogelijkheden:

■ Om te beginnen is een oprechte aandacht voor datgene dat onze gemeenteleden meemaken van dag tot dag, als het goed is, een vanzelfsprekendheid voor de predikant/pastor. Als er in stad of dorp een bedrijf door sluiting bedreigd wordt, kan dat voor een gezin uit de gemeente een geweidige onzekerheid zijn. Het is onvoorstelbaar hoe zeer mensen persoonlijk in de knel kunnen komen door een reorganisatie van hun bedrijf of door een fusie; en dat is aan de orde van de dag! En onze gemeenteleden laten die onzekerheid ‘s zondags bij de kerkgang bepaald niet thuis… Laten we zoveel als mogelijk is ons op de hoogte houden van de ontwikkelingen in de samenleving, daar deel aan hebben, ook in de eigen leefomgeving, bijvoorbeeld via een regionale krant.

■ Het is voor een predikant tot zegen wanneer hij op een bepaalde manier, naast het gemeentelijk werk, een lijntje heeft dat hem met de maatschappij verbindt. Al te snel worden wij “bedrijfsblind”. Sommigen geven een paar uren les; anderen hebben een pastorale taak in een verpleeghuis en komen (bijv. via een ondernemingsraad) in aanraking met de zaken van de organisatie. Wanneer een predikant de kans heeft om een plaats in een bestuur van een christelijkse organisatie of een medezeggenschapsraad van een school te krijgen zou hij dat heel serieus kunnen overwegen. Sommige deputaatschappen leveren goed inzicht in datgene dat in de kleine en grote wereld random de kerk speelt. Wij moeten niet al te snel denken dat zoiets per definitie ten koste zou gaan van het gemeentelijk werk. De stelling is goed verdedigbaar dat zo’n taak vrucht afwerpt voor de prediking (en trouwens ook weer voor het concrete pastoraat!). Uiteraard speelt hier verscheidenheid in aanleg van de predikanten een rol. Maar men staat er versteld van wat men zodoende onder ogen krijgt en hoezeer men zich dan “midden in de maatschappij” mag weten. Dat werkt zegenrijk.

■ Wanneer er in de plaats waar we wonen sprake is van een interkerkelijke collegiale predikantenkring is het te overwegen van tijd tot tijd eens samen een bezoek te brengen aan bedrijven of instellingen in de regio. Niet elke directie is daarvoor “in”, maar wanneer de kans er is, kan men “op de werkvloer” samen enig inzicht krijgen van datgene dat onze gemeenteleden dag in dag uit meemaken.

■ Het zal maar zeer weinig predikanten gegeven worden opgenomen te worden in de “Rotary”. Ik heb wel eens gehoord dat het in die kringen gebruik is dat op de bijeenkomsten een van de leden een inleiding houdt over iets dat zijn/haar vakgebied raakt. Wat wél goed zou kunnen dat is dat een predikant, om voeling te houden met de maatschappij, een kring van leden in zijn gemeente om zich heen vergaart en iets dergelijks op touw zet van tijd tot tijd. En dan de oren goed open zetten.

■ Tenslotte (het zijn maar heel eenvoudige dingen): het goed bijhouden van de media; als het enigszins mogelijk is meer dan één krant (eventueel ruilabonnementen), en dan een beetje gevarieerd als het gaat om het gebodene: naast het Reformatorisch of Nederlands Dagblad ook eens een zaterdageditie van de Volkskrant lezen bijvoorbeeld levert al heel veel informatie op. Het in de auto luisteren naar een informatiezender (radio 1) maakt dat ook die tijd geen verloren tijd is. Op een ochtend hoorde ik zo onlangs van de consequenties van de veranderingen in de kinderbijslag én van de financiële positie van de tuinders. En ik dacht: het gaat hier over heel veel gemeenteleden in vele streken van ons land.

Niet alles hoeft in gelijke mate; maar de zaak waarom het gaat is het zeker waard sr iets van te overwegen: opdat de hoorder ‘s zondags in de kerk merkt: die mens, waarover het gaat in de verkondiging (en ook in de gebedenl), die mens ben ik; die aandacht van de Here God die de predikant zo aanprijst, die is op mij persoonlijk gericht. Opdat de prediking onder de zegen van God en de leiding van Zijn Geest vrucht drage.

Om het met de woorden van mevr. Dien de Haan te zeggen (Ned. Dagblad d.d. 3 september 1994) in het kader van haar contacten via de Elisabeth Bode: “om het eens echt christelijk gereformeerd te zeggen: die (mensen, DQ) hebben hun náám horen noemen. Ik denk dat dat het geheim is: persoonlijke aandacht voor die enkele mens, in de verbanden waarin hij leeft”. Opdat de afstand tussen de studeerkamer van de dominee en het leven van zijn gemeenteleden zo klein mogelijk is en het Woord Gods rijkelijk Zijn werk moge doen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.