+ Meer informatie

GEMEENSCHAP II

8 minuten leestijd

Het is duidelijk, dat de kerkeraad bij het bevorderen van meerdere gemeenschap in de gemeente een leidende funktie heeft te vervullen. Van hem zullen als regel verschillende initiatieven moeten uitgaan. Hij kan wanneer er eenmaal bepaalde dingen gegroeid en tot stand gekomen zijn zich soms meer op de achtergrond gaan houden. Maar de eerste stoot zal toch dikwijls door de kerkeraad gegeven moeten worden.

Het spreekt vanzelf dat het van het grootste belang is dat de kerkeraad als eerst aangewezene een nauw contact onderhoud met de leden der gemeente. Dat is de plicht van de kerkeraad. Bovendien vraagt de gemeente het.

Men zal daartoe moeten beginnen met verschillende organisatorische maatregelen te nemen.

Elke gemeente dient m.i. verdeeld te worden in verschillende wijken. Elke ouderling krijgt een wijk toegewezen. In bepaalde gevallen vooral in de grotere gemeenten kan het van belang zijn dat b.v. de scriba geen wijk krijgt — en dat is in sommige gemeenten ook het geval — en een enkele ouderling, die een speciale taak heeft te vervullen. Maar in het algemeen ga men er vanuit dat elke ouderling een eigen wijk heeft.

Men make de wijken niet te groot. Een ouderling moet nauw contact met zijn wijk kunnen onderhouden. Wanneer de wijken te groot worden komt dat contact in gedrang, Een ouderling moet immers in het algemeen zijn ambtswerk in zijn vrije tijd verrichten. En het is van het grootste belang dat de band tussen hem en zijn wijk zeer nauw is. Daartoe moet een ouderling zijn wijk kunnen overzien. Ik acht dit van grote betekenis omdat in deze tijd de pastorale zorg zeer intensief moet zijn. Er komen hoe langer hoe meer mensen maar ieder mens wordt steeds eenzamer. Veel mensen voelen zich alleen en zij verlangen naar meer contact. Het is om deze reden dat in verschillende andere kerkgemeenschappen een streven is om de gemeenten klein te houden. Men wil van de massaliteit van de gemeenten af.

Het werkt voor een ouderling bovendien niet prettig wanneer zijn wijk te groot is. Hij kan het werk niet meer aan; weet niet wat hij het eerst of laatst moet doen en wordt merkbaar gehaast. Dat heeft weer ten gevolge dat de leden denken: hij is er nu wel maar heeft eigenlijk geen tijd. Dat wil niet zeggen dat men uren bij één gezin moet zijn. Soms is dat misschien nodig. Heel dikwijls niet. Als men maar de tijd neemt voor zijn werk en voor een gesprek.

Het is in vele gemeenten een moeilijkheid om voldoende ouderlingen te krijgen maar men streve toch zoveel als mogelijk naar een voldoende aantal voor de grootte van de gemeente.

Het contact met de wijk moet zich niet alleen beperken tot het doen van huisbezoek. Als regel vindt dat slechts éénmaal per jaar plaats maar dat is voor voldoende contact niet genoeg. Er is niets tegen, dat een ouderling zo nu en dan eens „binnenvalt” bij de leden, die tot zijn wijk behoren.

Bovendien geeft het officiële huisbezoek niet zelden een aanknopingspunt om later over bepaalde zaken nog eens te spreken. Mochten er geen bepaalde dingen zijn die om een speciaal bezoek vragen dan is het nog goed zijn wijk-leden van tijd tot tijd te bezoeken. Vertrouwen moet groeien. Men moet niet altijd van de gedachte uitgaan: daar is niets bijzonders te doen dus kom ik er maar niet. Wat vandaag niet is kan morgen zijn.

Het behoeft dunkt mij geen betoog dat vooral bejaarden en leden, die niet ter kerk kunnen gaan een grote plaats moeten hebben in het wijk-werk.

Een wijk-ouderling schenke ook grote aandacht aan nieuw ingekomenen. Zij moeten er tussen komen en in de gemeenschap van de gemeente worden opgenomen. Nieuw-ingekomenen voelen zich dikwijls eerst er buiten staan. En het kan helaas niet altijd gezegd worden dat onze mensen hen zonder meer opnemen. In vele gemeenten is dat een zwak punt.

Een wijk-ouderling neme daarom zo spoedig mogelijk contact op met een nieuwingekomene. Hij schrome niet de nieuw-ingekomene het een en ander van de gemeente te vertellen. Heeft de gemeente een jaarboekje dan stelle de wijkouderling dat de nieuw-ingekomene ter hand. En waarom zou hij geheimzinnig doen met voor de leden bestemde financiële of andere verslagen? Indien de nieuw-ingekomenen leden van de gemeente zijn moeten zij gevoelen: wij worden als leden opgenomen in de kring der gemeente. Daartoe moet vertrouwen gegeven worden. Men zij niet bang dit metterdaad te schenken.

Het kan daarbij van belang zijn de nieuw-ingekomene er op te attenderen waar in de omgeving andere leden van de gemeente wonen. En het is van niet minder belang dat de wijk-ouderling de naast-bijwonenden er op wijst dat daar en daar een nieuw lid woont en hen vraagt de nieuw-ingekomenen eens te bezoeken. De wijk-ouderling kan op deze wijze bevorderen dat nieuw-ingekomenen spoedig kennissen krijgen in de gemeente. Hij zal hier niets kunnen en mogen forceren maar hij kan wel een poging doen de mensen met elkaar in contact te brengen. Hij zal hierbij ook wel eens wijsheid en voorzichtigheid moeten betrachten maar hier ligt toch wel een belangrijke taak.

Hetzelfde is het geval wanneer het gevallen betreft van overkomsten uit andere kerken. Bij huwelijken is het nog wel eens zo dat er jonge leden of doopleden uit andere kerken tot ons overkomen. Een wijk-ouderling spanne zich in om deze leden zo spoedig mogelijk in contact te brengen met andere leden van de gemeente. Het spreekt vanzelf dat hij dit met wijsheid moet doen maar juist deze leden moeten het gevoel krijgen: men neemt ons op; wij worden niet gezien als een vreemde; als een gereformeerde of hervormde.

De ervaring leert dat leden uit andere kerken het eerst nog al moeilijk hebben om zich bij ons thuis te voelen. Zij voelen zich vreemd. En men moet dat zich vreemd gevoelen met liefde benaderen. Men worde niet direkt prikkelig als er critiek op ons kerkelijk leven worde geuit. En men zoeke zijn kracht nimmer in het heel sterk benadrukken, dat wij het aan het goede eind hebben.

Dat zeg ik niet om eigen kerkelijk standpunt te relativeren maar alleen om de leden uit andere kerken een plaats te geven in onze kerken. Wanneer men voortdurend contact onderhoudt met deze leden zijn er genoeg mogelijkheden om kleine injekties te geven en de zaken door te spreken.

In dit verband is het ook van groot belang juist deze leden uit te nodigen tot het bijwonen van wijk-avonden of contact-avonden. Maar over deze vormen van gemeenschap hoop ik in een volgend artikel te schrijven.

Het kan in ieder geval geen kwaad op de kerkeraad eens te spreken over de mogelijkheden om deze leden op te vangen.

Daarbij zal de gemeente — uiteraard ook in de prediking — er op gewezen moeten worden dat wij elkanders leden zijn en verantwoording voor elkaar dragen. De gemeenten leven in het algemeen te weinig uit deze principiële gedachte. Hier ligt dus een opvoedende taak.

Die opvoedende taak ligt er ook wanneer het om zieken gaat en bejaarden en alleen-staanden. Het is niet voldoende wanneer zondags gebeden wordt voor een zieke. In de week zullen de leden moeten bewijzen dat zij meeleven met elkaar Dat kan b.v, door het aandringen bij de gemeenteleden om de zieken en bejaarden eens te bezoeken en in bepaalde gevallen te helpen.

Ook met de jeugd onderhoude de kerkeraad nauw contact. Zij moeten gevoelen: ook wij horen erbij en het is de kerkeraad niet onverschillig wat wij doen. Vele kerkeraden klagen over het gebrek aan belangstelling bij de jeugd voor de verenigingen. Het is zaak als kerkeraad zich er op te bezinnen hoe dat komt. Het is heel gemakkelijk te zeggen: ze willen niet. Is het misschien ook tijd om eens een andere vorm van de verenigingssamenkomsten te zoeken? We zitten toch niet aan een vorm vast? Dat wil helemaal niet zeggen, dat we het Bijbelonderzoek enz. moeten nalaten en onze kracht moeten zoeken in ontspanning. Er zijn verschillende mogelijkheden om jeugd-avonden te beleggen. Mogelijk dat een kerkeraad hierbij het initiatief moet nemen en dat hij het een en ander moet voorstellen. Voorzichtigheid is hierbij wel een vereiste omdat de jeugd niet gaarne onder voogdij wil staan. Maar een kerkeraad kan bepaalde initiatieven nemen via b.v. een ouderling, die nauw contact met de jeugd onderhoudt of een commissie, die zich met de besturen verstaat.

Laat een kerkeraad niet aarzelen de jeugd eens een avond uit te nodigen met haar een koffietafel aan te bieden en te trachten met haar een gesprek te krijgen op allerlei vragen met haar te behandelen. De ontspanning hebbe op zulk een avond ook een plaats.

Het voornaamste is — hoe men het ook doet — dat men de jeugd bij elkaar brengt en laat gevoelen dat ook zij een plaats heeft in het geheel.

In hetgeen hierboven gezegd werd gaat het voornamelijk om het contact, de gemeenschap tussen kerkeraad en gemeente.

Van niet minder belang is het echter dat de gemeente-leden onderling meer gemeenschap met elkaar hebben. Daarover in een volgend artikel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.