+ Meer informatie

Over het bidden

5 minuten leestijd

V orige keer had ik het over het bidden aan tafel. Bidden, dat ook een onbekeerd mens mag — neen — moet doen, omdat de Heere het zo waardig is. In de catechismus van wijlen Ds G. H. Kersten, tweede deel, Zondag 45, handelend over het gebed, wijst hij daar ook op. Ik citeer daar een stukje uit, omdat dit nuttig kan zijn voor onze jongens en meisjes en voor hun ouders beide.

„Moet dus een onbekeerd mens bidden als hij gaat eten, en danken als hij gereed is, en zijxi knieën buigen in de morgen-en avondure? Ja, want het is betamelijk dat wij God erkennen als de Bron en Fontein van alle goed. Ouders, drukt het op het hart van uw kinderen. Dat moet ge hun leren als ze klein zijn; maar dat moet ge, jongens en meisjes, ook volhouden als ge uit het ouderlijk huis gaat en in de wereld komt en straks misschien onder de spotters verkeren gaat. Laat het nooit na om opzettelijk de Heere te erkennen en schaamt U er nooit voor het aangezicht des Heeren te zoeken in uw gebed. Het komt God toe dat wij opwaarts zien om van Hem een zegen af te smeken over zijn gave."

i En een eindje verder op blz. 308 zegt Ds Kersten: „Zijt ge in noden in het tijdelijke leven of in moeilijke omstandigheden? Breng ze maar voor den Heere en leg ze voor Zijn aangezicht neer. Jongens, doet dat maar in uw jeugd; meisjes vergeet dat niet in uw jonge jaren. Er kunnen van die bezwaren zijn in uw jonge harten, die gij aan een ander niet zeggen kunt. Laat er maar veel indrukken in uw consciëntien zijn en tracht ze maar levendig te houden."

Nu moeten we niet vergeten, dat de Heere nooit iets doet om ons bidden. Hij is vrij zowel in het schenken van zijn genade als in het onthouden daarvan. Maar Hij wil om alles gevraagd en gebeden zijn, en dan is Hij zo nederbuigend goed om dat noodgeschrei te willen aannemen.

Ik heb een jongen gekend — hij is nu al man geworden en leest dit misschien wel — die in ontzettend moeilijke omstandigheden was geraakt. Hij zag geen uitweg meer. Bidden kon hij niet, maar in zijn grote nood riep hij uit: „Heere, ik ken U niet en bidden kan ik niet. Maar ik roep U aan als de God van mijn moeder, help mij, help mij toch!" De jongeman, die een bekeerde moeder had, werd kennelijk uitgeholpen. Hij was, hoewel onwetend, in zijn smeken nog schriftuurlijk ook. We lezen meermalen van Jacob, dat hij den Heere aanriep als de God van zijn vader Abraham en Izak!

RONDKIJK

De Heere hoort wel de jonge raven als zij tot Hem roepen en Hij laat zich niet onbetuigd, wanneer we ons voor onze tijdelijke nooddruft tot Hem wenden. Hoeveel te meer moest het een aansporing zijn, om in het bidden nooit te vertragen, of het Hem behagen mocht om in genade op ons neer te zien, al blijft Hij in de gif te daarvan eeuwig Souverein vrij.

In het vorige artikel schreef ik dat bidden van de ouders met hun kinderen zulk een blijvende indruk kan nalaten. En van de zonde weerhouden. Er is een predikant onder ons, die een godvrezende moeder had, die vaak met hem als jongen op de knieën ging. Zijn hart was daar wrevelig onder, want hij kon toch nooit naar hartelust de zonde en de wereld dienen. Er was altoos een rem. Altoos was dat gebed van zijn moeder bij hem. Eens gebeurde het dat hij zijn moeder vroeg, naar de kermis te mogen gaan. Kom, zei ze, dan zullen we dat eens den Heere vragen. Hij had zich echter voorgenomen, ondanks het bidden van zijn moeder tóch te gaan.

„Je zult wel gauw tei'ug zijn" riep zijn moeder hem na. En hij was gauw terug. Want wat gebeurde? Hij stond op de markt dicht bij een draaiende caroussel, w r aarvan een haak in zijn broek pikte, die dit kledingstuk van onder tot boven openscheurde. Met schaamte moest hij direct naar huis terug. „Het is nog best afgelopen" zei zijn moeder, „het had erger kunnen zijn!" En hij is, door Gods genade, op nog jeugdige leeftijd helemaal terug mogen komen.

Dat bidden van zijn geliefde moeder is deze jongeman, die nu op de predikstoel staat, nooit vergeten. Met tranen in zijn ogen, hebben wij het hem, onder een groep jonge mensen wel eens horen vertellen. Hoe groot is het, dat er van die ouders zijn, die hun kinderen bij voortduur opdragen in het gebed. Die weten hoe smartend de zonde is en hoe bitter de gevolgen zijn.

Wijlen Ds Boone, de reizende predikant, nog met steek en bef en gekleed in korte broek, had de gewoonte om in de trein met zijn mede-reizigers een aanknopingspunt te vinden, om over de dingen des geestelijken levens te praten. Eens, toen hij tussen werkmensen zat, vroeg iemand hem: „bent U geestelijke, aan mv klederdracht te zien? " Toen hij daarop antwoordde dat hij predikant was, vroeg vraagsteller wat deze van zijn beroep was.

„Ik ben straatmaker, " was het antwoord, „ik moet alles op m'n knieën doen. Hebt U ook veel kniewerk, dominé? "

Een gevat antwoord, om elkaar direct te kunnen peilen. Er ontstond over en weer een hartelijk gesprek over het bidden. Want het „kniewerk" in ons leven heeft veel te betekenen. Ook voor U; jongens en meisjes?

RONDKIJKER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.