+ Meer informatie

“LUISTEREN EN LEREN” *)

8 minuten leestijd

Ambtsdragers die geen kennis nemen van het boek dat onder de titel Luisteren en leren verscheen ter gelegenheid van het jubileum dat onze Theologische Universiteit verleden jaar vierde, doen zichzelf en hun gemeente tekort. Misschien zal deze of gene geneigd zijn hier een vraagteken te zetten. En zonder twijfel zal niet ieder het als een tekort ervaren, laat staan erkennen, als hij niets weet van en zich ook niet interesseert voor de opleiding en vorming die z’n predikant in “Apeldoorn” heeft gehad.

En toch, de ambtsdrager op de kansel en de ambtsdragers random de kansel kunnen, direct of indirect, niet heen om wat daar wordt gedoeeerd en geleerd. Het heeft alles met het werk in de gemeente te maken. Daarom kan en mag een goede ambtsdrager zich niet onverschillig en neutraal - laat staan antagonistisch - tegenover “Apeldoorn” opstellen. De ambtelijke en geestelijke leiding die in prediking en pastoraat in de gemeente gepraktizeerd wordt, correspondeert op de een of andere manier met de opleiding die de ambtsdrager-voorganger heeft ontvangen en verwerkt, zij het uiteraard met een persoonlijk accent, alle variatie inbegrepen.

Natuurlijk vertoont de waardering van wat “Apeldoorn” meegeeft, gradaties van bijna absoluut negatief tot behoorlijk positief. Het gerucht is niet onbekend dat sommigen zo hoog op hun eigen troon zijn gezeten, dat ze de opleiding grondig diskwalificeren: een domineesfabriek! Gelukkig zijn er ook velen die dankbaar gewag maken van wat hun uit “Apeldoorn” is meegegeven en zij in de gemeente in praktijk mogen brengen om sannen met de “opzieners en diakenen” te zijn “als de raad der kerk” en zo “de ware religie te onderhouden” (NGB art. 30). Voor een hartelijke en vruchtbare coöperatie is het van grote betekenis dat “Apeldoorn” geen terre incognita is en blijft voor de medeambtsdragers. Het ook in ons blad meermalen aan de orde gestelde “toezicht van de kerkeraad” wordt alleen maar gediend als dat toezicht wordt gerealiseerd vanuit het inzicht en de kennis die via Luisteren en leren verworven kan worden, ook door zèlf te luisteren en te leren (zo mogelijk tevens ter genezing van diskwalificatiezucht). Men zou dit boek als een soort completering van de onder ons versehenen ambtsdragersboeken kunnen beschouwen.

Dit jubileumboek informeert immers op uitstekende wijze over de opleiding die aan onze Theologische School, resp. Hogeschool, resp. Universiteit gegeven werd en wordt. Bij de “herdenking van het vijfenzeventig bestaan van de Hogeschool” verscheen het boek Woord en Kerk met “theologische bijdragen van de hoogleraren”. Het zestigjarig bestaan leverde een “gedenkboek” op ‘k Zal gedenken 1894-1954, ook met “bijdragen”, uiteraard verband houdend met de Theologische School, maar tevens met een beschrijving van de geschiedenis van de School (van prof. Hovius) en met een herdenking van haar eerste docenten, Van Lingen en Wisse (door prof. Van der Schuit) - het “gouden jubileum” in 1944 passeerde zonder meer met alleen een artikel in De Wekker een jaar na dato; een officiële herdenking met boek en/of samenkomst was destijds niet mogelijk. Het huidige jubileumboek geeft geheel in de lijn van jubilea een historisch overzicht van de honderdjarige gang van zaken (hfst. I, II; van prof. Van ’t Spijker en ds. Van der Schaaf), maar beschrijft tevens het hoe en het wat van het “luisteren en leren” dat in die honderd jaren werd én wordt beoefend. Het is als het ware van binnenuit geschreven: ruim de helft van de bladzijden tekst gaat over “Het Onderwijs” dat gegeven werd en wordt (hfst.III), terwijl bovendien een apart hoofdstuk gewijd is aan de studenten, dus aan hen die het onderwijs ontvangen resp. ontvingen (IV; van B.A.T. Witzier). Het geheel wordt besloten met een bijdrage (van prof. Van Genderen) over “Het eigen karakter van onze Universiteit” (hfst.V). De voorlichting die hier de ambtsdragers geboden wordt, kan onder de zegen van de Koning van de Kerk de luister- en leerhouding die elke rechtgeaarde ambtsdrager eigen is, althans behoort te zijn, alleen maar ten goede komen!

Nu is luisteren ontzettend moeilijk voor een mens, die zo graag zelf aan ’t woord wil zijn, zelf iets of zelfs veel te zeggen wil hebben. Tegenwoordig is ’t mogelijk via de media allerlei discussies te volgen, waarbij het opvalt dat luisteren doorgaans hét moeilijke punt is: eerlijk en aandachtig luisteren en er niet doorheen praten. Menige discussie komt niet tot haar recht of mislukt zelfs door de zo menselijke traagheid, zo niet - misschien wel onbewuste - weerzin om werkelijk te luisteren. Hoeveel pastorale gesprekken (en preken?) verzanden omdat ook een ambtsdrager niets menselijks vreemd is? En dat is zeker het geval als we niet geleerd hebben naar de Here onze God te luisteren. Daarop legt dit jubileumboek alle nadruk, op het “eerbieding en aandachtig luisteren naar het Woord van God” aldus de beide redacteuren (Van Genderen en Van ’t Spijker) in het “Woord vooraf”, die er onmiddellijk aan toevoegen: “Zowel bij het geven als bij het ontvangen van theologisch onderwijs wordt door dit luisteren bepaald wat wij leren” (blz. 7). Dat zou je de schering en inslag van heel het boek kunnen noemen.

Dat die schering en inslag vooral aan de orde komen in hoofdstuk III (Het Onderwijs) en dan met name bij “De bijbelse vakken” (III, 1), zal niemand verwunderen. Allen die deze eeuw de “bijbelse vakken” hebben gedoceerd, passeren de revue, waarbij uiteraard de docenten van de tweede helft iets meer aandacht krijgen dan die van de eerste helft omdat er gewoon meer materiaal over/van hen beschikbaar is om te beschrijven. Hoeveel variatie en verschil er in deze eeuw ook geweest is, terecht concludeert prof. Peels dat “duidelijk van één lijn gesproken kan worden”: “Eerbiedig luisteren: dat is het eerste. En daarna: luisteren en leren. Met hoofd en hart. Ten dienste van de gemeente. Tot Zijn eer”(139). Dat geldt in de eigen context evenzeer van de andere vakgebieden: de ecclesiologische (beschreven door prof. Van ’t Spijker en dr. Selderhuis), de systematische (door prof. Van Genderen, prof. Maris en drs. Steensma) en de ambtelijke of diaconiologische (door prof. Velema, drs. Van Pelt en drs.Van Heest). Ook hier diezelfde lijn!

Het is een mens ook eigen - àls hij luistert - bij voorkeur naar zichzelf te luisteren, vaak onbewust van de tradities die hij meesleept of zich toeëigent - zodat hij zich er ook geen rekenschap van geeft -, evenmin als van de culturele betrokkenheid en verbondenheid waarin hij leeft (luisteren doe je met je eigen oren en als je erover gaat praten, doe je dat met je eigen stem). En als hij dan niet voortdurend waakzaam is zich te laten gezeggen en te laten corrigeren door Gods Woord, dan is de mens van nature wel zo eigenwijs om het alléén te weten en te willen weten. Dat is een theologie naar de mens, hyperouderwets of supermodern, een theologie waarvan de Afscheiding niet wilde weten en “honderd jaar na de heroprichting van de School” (56) wordt dit in dit jubileumboek opnieuw onderstreept om de lijn van “luisteren en leren” te versterken: het gaat om de confessioneel-gereformeerde theologie. Daarin fungeert de gereformeerde confessie als een soort bescherming tegen de gewraakte eigenwijsheid en willekeur en als onderlinge steun om getrouw te luisteren en te leren, essentieel om geméénte van Jezus Christus te zijn. Immers in de belijdenis hebben de kerken van de gereformeerde Reformatie een akkoord van gemeenschap om alléén te luisteren naar Gods Woord, te leven uit dat Woord, zich te laten corrigeren door dat Woord, in liefde en trouw jegens God en de naaste, zeker binnen die gemeenschap, waarop men elkaar mag aanspreken en mag aangesproken worden.

Het zou de moeite Ionen die dubbel onderstreepte lijn van bladzijde tot bladzijde na te gaan, maar in het bestek van dit artikeltje is dat niet mogelijπk. Neem en lees het zelf! Natuurlijk zijn er ook wel een paar opmerkingen te maken. De studenten die een plaats kregen in dit boek, zijn in de bijlagen met de vele naamlijsten spoorloos verdwenen! Waarom het “album studiosorum” niet opgenomen? En blijvend in de studentensfeer: wel melding gemaakt van het corpslied (234), maar niet van het corpszegel (naar ontwerp van W.L. Wijmans te Hilversum)? Tot tweemaal komt de domineesmode ter sprake 227, 235): pas in de jaren twintig zou van de heersende en vaak religieus gemotiveerde modekleur afgeweken zijn? Een studentenfoto van 1918 laat die “afwijking” echter reeds constateren!

Maar genoeg: een boek om dankbaar voor te zijn!

*) Dr. J. van Genderen en dr. W. van’t Spijker (red.), Luisteren en leren.

Jubileumboek van de Theologische Universiteit van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland 1894-1994.

Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam. 278 blz. f 37,50.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.