+ Meer informatie

Gereformeerde homofiele predikanten over hun kerk

9 minuten leestijd

Het hier bedoelde boek is een protest, een zwartboek en bevat een theologisch commentaar! Laat ik van elk van de drie typeringen iets mogen zeggen.

Een protest

Hier schrijven gereformeerde theologen, die in hun kerken predikant wilden worden. Ze stuitten steeds weer op weerstand en op afwijzing, als ze vertelden of schreven dat ze met hun vriend de pastorie zouden komen bewonen!

Wat zij ervaren hebben als een martelgang wordt hier beschreven. Vaak wordt eerst een stukje biografie geboden en daarna het verhaal van hun kerkelijke noden. Zij werden door beroepingscommissies benaderd of namen zelf contact op. Soms waren er verdergaande gesprekken geweest en behoorden de schrijvers tot de laatstovergeblevenen in de selectieprocedure - tot het moment, dat bekend werd, dat zij met hun vriend de pastorie wilden binnentrekken.

Wie deze verslagen en verhalen leest, kan niet voorbij aan de moeiten die deze mensen hebben ondervonden. Laten we dat duidelijk zeggen.

Als menselijk document is dit boek aangrijpend. Het is een getuigenis van een tragedie. Een bijdrage heet: „Gereformeerd èn homoseksueel, een ongelijk span” (Jan Weenink). In deze titel ligt eigenlijk de hele problematiek programmatisch opgesloten. De schrijver bedoelt te zeggen: een gereformeerd theologisch student krijgt geen plaats als predikant, wanneer hij als homoseksueel met zijn vriend in de pastorie wil leven. Als dat met de titel bedoeld is, heeft de schrijver voor een belangrijk deel gelijk. Niet geheel, want de meesten van de schrijvers zijn intussen wel predikant geworden, zij het niet allen in een gemeente.

Wie de titel van het opstel leest zoals die er staat, moet zeggen: de uitspraak is onjuist. We denken aan de pastorale positiekeuze van de gereformeerde synode. Daar is opgeroepen de homoseksuele gemeenteleden (met hun vrienden) te aanvaarden, tot aan de Avondmaalstafel toe!

Deze uitspraken zijn door de synodes van Nimes (1980) en van Chicago (1984) van de G.O.S. scherp bekritiseerd. De Gereformeerde Kerken zijn gevraagd op deze beslissing terug te komen. Zoals bekend hebben zij dat geweigerd. Zij hebben hun standpunt eerder versterkt dan verzacht.

Wie van deze synodale uitspraak uitgaat, moet zeggen, dat gereformeerd en homoseksueel wel een gelijk span vormen.

Blijkbaar is de uitspraak van de synode geen weergave van wat in de gemeenten leeft. Dat hebben de schrijvers ondervonden. Hun boek is een protest tegen de gemeentelijke praktijk, die anders is dan wat de synode de kerken heeft voorgehouden.

Een zwartboek

Dit protest gaat vergezeld van het noemen van allerlei feiten, die de schrijvers als kwetsend hebben ondervonden. Namen van gemeenten, die hen hebben afgewezen, zijn hier te lezen. Soms worden contactpersonen met hun privé-opvatting gesteld tegenover de meerderheid van een kerkeraad of van een gemeente. Dat geeft op zijn minst de indruk van dubbelhartigheid. De gemeenten die neen hebben gezegd, worden op een soort zwarte lijst gezet, de classes (predikanten) die positief reageerden, komen als de dur-vers in dit boek te voorschijn, ook al gebruiken de auteurs deze term niet.

Het heeft mij onaangenaam getroffen dat kerkeraden en/of gemeenten zo te kijk gezet worden. Soms wordt uit gesprekken of brieven letterlijk geciteerd. Mag dat? Men kan zeggen: de synode had met haar uitspraken moeten bedenken, dat daardoor de gemeenten niet meer vrij zijn om een homofiele predikant met zijn vriend te weigeren. Ik erken dat dit de consequentie is van de synodale uitspraak. Toch blijft zelfs dan de vraag overeind staan, of deze predikanten namen en feiten zo in de publiciteit hadden mogen brengen. Ik proef hier iets van de mentaliteit van het C.O.C., dat zich kenmerkt door soortgelijke acties.

Een theologisch commentaar

Twee hoogleraren en de vroegere synodepraeses hebben commentaar gegeven. Dr. Kouwenhoven stelt opnieuw dat de synode geen ethische uitspraak heeft gedaan. Hij zegt niettemin dat in het pastoraal advies wel ligt opgesloten, dat ook homofielen „zich met de hun verleende gaven in de gemeenten moeten kunnen inzetten, ook in het ambt” (blz. 103). Voor eigen rekening voegt hij eraan toe dat, wanneer een gemeente over de homofiele levenswijze van de predikant zou vallen, ze zijn identiteit niet eerbiedigt en zijn levensgeheim aantast (blz. 105). Dit lijkt mij een regelrechte conclusie uit de synodale uitspraken. In elk geval spreekt dr. Kouwenhoven hiermee wel een ethisch oordeel uit. Op blz. 106 wordt gezegd dat in de gemeente traditionele opvattingen nooit op voorhand doorslaggevend mogen zijn! Het moet in de gemeente met het gebod van de liefde gewaagd worden (blz. 107). Juist in de gemeente moet het helend effect van de genade gedemonstreerd worden (blz. 108).

Dit zijn uitspraken die duidelijke taal spreken. De opvattingen over homofilie van de hier bedoelde gemeenten worden traditioneel genoemd. Daarmee krijgen ze direct een bepaald stempel opgedrukt.

Het is mij niet duidelijk waarom hier het werkwoord wagen in verband met gehoorzaamheid aan het liefdegebod gebruikt zou moeten worden. Het gebod moet gedaan worden. Daarvoor is wagen niet nodig. Wie dit werkwoord toch gebruikt, verraadt onzekerheid over de te varen koers.

Merkwaardig is ook het gebruik van de uitdrukking het helend karakter van de genade. Ze ziet niet op genade voor de predikant, die genezing nodig heeft, maar op de gemeente die zo genezen wordt, dat ze haar homofiele predikant met zijn vriend aanvaardt.

Zelf zou ik de gedachte van de helende genade willen toepassen op de gemeente waarbinnen de homofiele predikant zonder de relatie tot een vriend zijn ambt vervult.

Dr. Kouwenhoven geeft de schrijvers impliciet gelijk: Wie ben ik dat ik dit niet doen mag? Het betekent dat de gemeenten niet mogen doen wat zij hebben gedaan. We treffen hier aan: ,,geen ethisch oordeel over de levenswijze van de homofiele predikant”, maar wel over de weigering van de gemeente om hem te aanvaarden.

Prof. K.A.Schippers doet er nog een schepje bovenop. Hij somt een aantal indicaties op van ethisch bedenkelijke gedragingen bij de hier genoemde gemeenten. Ik kan er inkomen dat hij het argument „De gemeente is er nog niet aan toe” afwijst. Dat is geen principieel argument. Ik kan er niet inkomen dat hij de gemeente die een homofiele predikant afwijst, er van langs geeft met het stellen van de vraag, wat het recht van de gemeente is. „Is dat het recht om zich een op eigen maat gestroomlijnde predikant aan te schaffen.... kortom degene onder wie zij een stil en gerust leven kunnen leiden?” Een dergelijk „recht” moet worden afgewezen, schrijft hij. Op dezelfde bladzijde wordt sekse en geaardheid als een bijkomstigheid beschouwd (blz. 128). De schrijver erkent, dat een gemeente oprecht overtuigd kan zijn van de noodzaak om een homoseksuele kandidaat af te wijzen. Even verderop blijkt dat zo’n gemeente toch eigenlijk niet voldoet aan „het recht van de predikant in dienst te mogen zijn van de levende Heer en zo te staan in dienst van de gemeente” (blz. 130).

Prof. dr. J. Veenhof maakt duidelijk dat we met de afwijzing van homoseksueel verkeer in bepaalde bijbelteksten, vandaag niet veel, eigenlijk niets meer kunnen doen. Bij de toepassing van de Schrift moeten we onderscheidend te werk gaan. Paulus zou het onderwerp homoseksualiteit niet behandelen. Wel is duidelijk dat het liefdegebod centraal is. Er vindt een rolwisseling plaats. Het liefdegebod neemt de centrale plaats in, de andere geboden zijn niet meer de laatste, beslissende instantie (blz. 120).

Ik meen dat de gedachte van rolwisseling in strijd is met het duidelijk bijbels getuigenis. Hier werkt het rapport „God met ons” door. De conclusie waarmee Veenhof eindigt, is deze dat wij elkaar moeten respecteren, in de ruimte stellen en bemoedigen om de eenmaal gekozen relatie (uiteraard ook die van homofiele vrienden) in een sfeer van waarachtigheid en openheid door liefde en trouw, glans en duurzaamheid te geven (blz.122).

Conclusie

Men ziet in dit boekje wat de eigenlijke implicatie en consequentie is van de uitspraken van de gereformeerde synode. Gemeenten die een andere weg willen gaan, gaan in tegen de Schrift, zijn niet trouw aan mensen en bemoeien zich met zaken waarmee ze zich niet te bemoeien hebben.

Dat deze ontwikkeling in de gedachten zich aftekent, was te verwachten. Dat ze zo snel over de gemeenten heen zou komen, verwondert ons! Wie nadenkt, zal er toch niet verbaasd over blijven. Als het door de Bijbel afgewezene voor aanvaardbaar wordt verklaard, moet het blijven afwijzen van deze wending onaanvaardbaar worden genoemd! Zij die op zonden wijzen, worden vanwege het vasthouden aan hun overtuiging nu zondaren genoemd.

Dat is eigenlijk de trieste indruk die achterblijft. De gemeenten moeten mee ! Alle weerstand moet gebroken worden. Ik las in een krant de aankondiging van een hele serie radiolezingen voor de microfoon van de N.C.R.V. over dit thema. Onder de sprekers zijn ook namen die we in dit boekje tegenkomen. Het is, moet ik vrezen, hetzelfde offensief.

„Wie bent u dat u denkt dat u dit doen moogt”. Met zulk een titel is de eigenlijke bedoeling van dit boekje het beste verwoord. Veenhof heeft het vraagteken uit de titel weggenomen. Zijn antwoord is duidelijk positief. De gemeenten die weerstand bieden krijgen er van langs.

Ongeveer tegelijk met dit boekje las ik de forse paperback van de hand van ds. A.M. Lindeboom „De theologen gingen voorop” (Kampen 1987). Op blz. 176-201 beschrijft hij de ontwikkeling met betrekking tot het thema homoseksualiteit. Daar leest men dingen die men in een gereformeerde kerk niet voor mogelijk had gehouden.

De bedoeling van deze uitvoerige bespreking is te laten zien dat wie meent zich van een ethisch oordeel te kunnen onthouden, maar tegelijkertijd pastorale hulp wil bieden, een ethische veroordeling uitspreekt over wie het met deze pastorale hulp niet eens is. Hoe kan men iemand pastoraal helpen, als men de Schrift over het betreffende probleem - naar eigen zeggen - nog niet heeft verstaan? De onmogelijkheid van een dergelijk standpunt wordt door dit boekje pijnlijk duidelijk gemaakt. Het boekje richt zich tegen de kerken die de synode niet willen volgen. Het bevreemdt mij dat kerkelijke leiders een bijdrage hebben gegeven aan dit zwartboek. Dat doet opnieuw denken aan de titel van het boek van ds. Lindeboom.

* Wie ben ik dat ik dit niet doen mag? Ervaringen van homo-theologen in de Gereformeerde Kerken. 132 blz., f. 19,90. Uitg. Kok, Kampen 1987.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.