+ Meer informatie

Onze Voorzitters (slot)

4 minuten leestijd

Al schrijvende over de voorzitters van onze J.V.'s, zullen de lezers bemerkt hebben, dat ik daarbij ook de jongelingen en de ouders van de jongens heb betrokken. Deze 'drie hangen immers nauw samen; wil een jongelings-vereniging goed functionneren moeten deze drie een eenheid vormen. En niet het minst als vierde, de kerkeraad, die toezicht heeft. Ik neem de vrijmoedigheid om op te merken, dat aan het laatste in veel gevallen ook wel eens wat hapert. Er zijn kerkeraadsleden — ik spreek uit eiwaring — clie alleen maar op de jaarvergadering tegenwoordig zijn en dan nog maar voor een deel. Dat lijkt een beetje op „acte de présence" geven, maar getuigt nu niet zozeer van intens medeleven. Ik zeg: zo zijn er; gelukkig niet allen. Waarom op de kerkeraadsvergadering niet afgesproken, dat minstens eens per maand (dat is toch niet veel) een afgevaardigde, een ouderling of een diaken de J.V. zal bezoeken? Dan hebben de jongens althans twaalf keer per jaar op hun vergadering ambtelijk bezoek. De voorzitter en het bestuur zou het gevoel hebben dat ze niet alleen staan en voor de gehele vereniging zou het tot grote steun zijn.

De verderfelijke zuigkracht die van het moderne leven uitgaat, is toch niet te onderschatten. Hoeveel jongelingen komen terecht op allerlei doolwegen die naar het verderf leiden! Wat is het dan groot dat er nog jongelui zijn, die op gezette tijden bijeen komen om over 's-Heeren Woord en Zijn dienst te spreken'. Waar het kan dient dit toch te worden gesteund.

Op de J.V. heeft een vorming en opvoeding plaats die de jongens van nut is, ook voor het maatschappelijke leven. Zij krijgen er enige vrijmoedigheid door om in het openbaar te leren spreken; door het uitwisselen van gedachten leren zij hun stuk te verdedigen en zullen zij, in het openbare leven terechtkomend, hun smader weten te antwoorden.

Bij het uur catechisatie dat per week wordt ontvangen (in vele van onze gemeenten alleen maar des winters) is het toch zeer zeker prijzenswaardig, dat onze jongens zich aan het verenigingswerk geven. Door ouders en kerkeraad dient dit te worden aangemoedigd.

RONDKIJK

Ik moge in dit verband er nog eens op wijzen, dat onze jeugd wat het gewone onderwijs betreft, wordt overladen. Het komt ons voor, dat ons Nederlandse volk begint te lijden aan intellectualistische overvoeding. Het streven van de ouders is, dat hun kind een brede, algemene ontwikkeling deelachtig wordt. Niets is te veel en vaak wordt hen een veel te zware leertaak opgelegd. Men moet toch in deze moderne eeuw een bestaan kunnen vinden ? Of men studeren kan of niet, het moet! Ik zal daar thans verder niet op ingaan, mogelijk dat ik daar later in een apart artikel op terugkom. Stel daar nu eens tegenover het beetje kerkelijk onderwijs, waaronder ik dan reken dat van catechisatie en van de vereniging, wat is het dan nodig dit werk in alle opzichten te steunen. Ik hoop dat de broeders kerkeraad, die dit epistel lezen, mijn opmerking niet al te euvel zullen duiden. De aandacht mag daar toch wel eens op worden ge-vestigd. Het is toch niet te ontkennen dat er door het boven aangehaalde terrein-verlies onder de jeugd valt te constateren. De noodzaak is dus groot om met geoorloofde middelen de jeugd aan de kerk te binden.

Geoorloofde middelen. Niet de middelen zoals dat in andere kerkgroeperingen gewoonte wordt, waar op de vereniging spel en voordrachten hoogtij vieren, ja, waar zelfs wel Bijbelse toneelstukken worden opgevoerd! Iedere zweem daarvan zij en blijve verre van ons! Maar in het eenvoudig onderzoek van Gods Woord, in het behandelen van Kerk-en Vaderlandse Geschiedenis en de geschriften onzer vaderen. Laat. ons maar eenvoudig blijven! Onze vaderen waren dat ook en ons Calvinistisch volk was oudtijds een degelijk volk. Onderlegd in de H. Schrift, wat in toepassing werd gebracht in leer en in leven. Het lawuit van te wereld voert de mens niet op dat hoogtepunt, waar de kennis der Waarheid hem brengt. Dat mag het vlees strelen, maar het leidt tot vervlakking en tenslotte tot ondergang.

Die van Berea waren edeler dan die te Thessalonica! Zij ontvingen het woord met alle toegenegendheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren. Hand. 17 : 10—13. En het gevolg? „Velen dan uit hen geloofden en van de Griekse eerbare vrouwen en van de mannen niet weinige."

Met die heilige hartstocht mocht onze jongelingschap zijn bezield, studerend in de Schriften om evenals die van Berea door vergelijking tot dieper inzicht te komen. En de Heere mocht bij dat onderzoek Zijn Geest aan het Woord paren, opdat die Wijsheid verkregen wordt, die de tijd en de eeuwigheid verduurt.

RONDKIJKER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.