+ Meer informatie

OVER BELIJDENIS EN GEBOD naar aanleiding van de reacties van prof. Van Genderen en prof. Velema op de brochure VERDER IN VERTROUWEN

22 minuten leestijd

De redactie van „Ambtelijk Contact” was zo vriendelijk ons ruimte ter beschikking te stellen, zodat wij onzerzijds kunnen antwoorden op de reacties van prof. Van Genderen (AC 1986, 583-586) en van prof. Velema (AC 1986, 596-599). Wij maken van de ons geboden gelegenheid dankbaar gebruik.

GROEPSVORMING?

Prof. Van Genderen maakt ons min of meer het verwijt, dat wij door de oprichting in 1978/1979 van de Studie- en bezinningsgroep van Chr. Geref. predikanten en theologen de groepsvorming in onze kerken hebben bevorderd. Wij voelen ons door dat verwijt nogal geraakt, omdat ook wij van mening zijn, dat groepsvorming in de kerk (namelijk als polarisatieverschijnsel) een zeer dubieuze zaak is. Daarom hechten wij eraan ten overstaan van de lezers van AC nog een keer duidelijk uiteen te zetten, hoe de ontstaansgeschiedenis van de studie- en bezinningsgroep is.

In de jaren zeventig bestonden er aan onze hogeschool verschillende studiegroepen, gegroepeerd rond de verschillende hoogleraren en hun vakgebieden. Deze studiegroepen voorzagen in een duidelijke behoefte: verscheidene predikanten maakten van de geboden gelegenheid gebruik om zich op deze wijze nader te verdiepen in verschillende onderwerpen. Helaas moesten deze studiegroepen na enkele jaren worden opgeheven, omdat de overvolle agenda van de hoogleraren voortzetting ervan niet langer toeliet. Velen betreurden dit. Zo kwam het tot een initiatief van enkele predikanten om op andere wijze te komen tot gezamenlijke studie. Zij schreven in november 1978 alle predikanten en hoogleraren van onze kerken aan en nodigden hen uit voor een bijeenkomst waarin over deze zaak zou worden gesproken. Toen sommigen het beter achtten tòch nog eens te vragen om heroprichting van de (niet meer bestaande) Apeldoornse studiegroepen, werd in juni 1979 een brief geschreven aan het college van hoogleraren met het verzoek om (opnieuw) vanuit Apeldoorn een aanzet tot studiegroepen te geven.

Tegelijkertijd werd aan de Vereniging van Chr. Geref. predikanten geschreven. In dat schrijven werd benadrukt, dat de studie- en bezinningsgroep géén concurrent van deze vereniging wenste te zijn en dat contact met het college van hoogleraren was opgenomen. Overleg met het college, zowel van de kant van de predikantenvereniging als van de kant van de studiegroep leverde niets op: de werkbelasting van de hoogleraren was al te groot. Een terecht argument! Wèl zouden enkele malen per jaar vanuit Apeldoorn studiedagen worden georganiseerd. Een voornemen dat echter tot 1984 om dezelfde reden geen doorgang kon vinden.

Omdat velen echter een permanente gezamenlijke studiemogelijkheid wensten, was en bleef de studie- en bezinningsgroep een feit. Ze bestaat nog. En regelmatig worden allen die in Apeldoorn met goed gevolg hun kandidaatsexamen hebben afgelegd, uitgenodigd aan deze gezamenlijke studie deel te nemen. Deelneming staat nog steeds voor ieder open. Het oogmerk van de studie- en bezinningsgroep is dus studie en géén polarisatie ten opzichte van wie of wat ook maar. Wèl stellen we het op prijs af en toe iets van de resultaten van die studie te publiceren, zoals we dat deden in onze bundel „De Geest schrijft wegen in de tijd” (1984).

Dat wij onze brochure „Verder in Vertrouwen” het licht deden zien, kwam voort uit de behoefte in te gaan op de uitnodiging van de door de broeders Boersma, Koole e.a. in hun brief gedane oproep tot gesprek. Wij schreven dat uitdrukkelijk op de bladzijden 3 en 4 van onze brochure. Daar betuigden we ook instemming met genoemd schrijven.

BELIJDENIS

Wij hebben er dankbaar kennis van genomen, dat prof. Van Genderen schrijft (blz. 585): „Er staan passages in de brochure, die niet alleen vertrouwd klinken, maar die ook het onderlinge vertrouwen kunnen versterken, zoals deze zin: „Wie uitsluitend pleit voor meer ruimte zonder te vragen naar de verbondenheid met de gereformeerde belijdenis, versterkt alleen maar het proces van vervreemding.”” Terecht heeft prof. Van Genderen even tevoren geconstateerd, dat daar het uitgangspunt van onze brochure ligt.

Wij begrijpen dan ook niet goed, dat prof. Van Genderen deze passage niet laat meeklinken, als hij zijn commentaar levert op de gedachten, die worden te berde gebracht onder het kopje „wij moeten verder” (blz. 11-13). Hij citeert daar de zin: „Daarom mogen wij niet volstaan met het enkel herhalen van de woorden en inzichten van vorige geslachten”. Inderdaad, zo’n zin kan op zichzelf als een pleidooi voor een relativering van de betekenis van de belijdenis worden opgevat. Maar een interpretatie in deze zin wordt de pas afgesneden door de onmiddellijk daarop volgende zin van onze brochure: „Wij zijn geroepen om te zoeken naar een manier waarop we vanuit de Schrift en de belijdenis, waaraan we ons gebonden weten (cursivering niet in de tekst), eerlijk op de vragen van vandaag kunnen ingaan” (blz. 11). Het mag duidelijk zijn, dat die twee zinnen niet voor niets achter elkaar geplaatst zijn. Het ging ons erom het misverstand, waaraan ook prof. Van Genderen wellicht niet ontkomen is, te voorkomen.

Ter verduidelijking: Er is ook volgens ons een wezenlijk verschil tussen het gezag van de belijdenis enerzijds en allerlei woorden en inzichten van vorige geslachten anderzijds. De belijdenis verbindt ons en heeft kerkelijk gezag, juist omdat ze niet vrijblijvende menselijke mening wil zijn, maar een gehoorzame verwoording van de grondlijnen van de Heilige Schrift is.

Het gaat en ging ons dus helemaal niet om een „actueel belijdend spreken”, waarbij de historische belijdenissen in de loop der geschiedenis langzaam maar zeker aan gezag en betekenis gaan inboeten (en het ging ons er nog minder om dat op te hangen aan de titeltekst van de NGB: 1 Petr. 3, 15). Het ging en gaat ons erom vanuit de Schrift en de belijdenis de vragen van vandaag aan te pakken! De tegenstelling tussen onze gereformeerde belijdenissen enerzijds en „actueel belijdend spreken” anderzijds is derhalve vreemd aan onze brochure.

Wij willen er in dit verband op wijzen, dat „Verder in Vertrouwen” niet is geschreven als een stellingname met betrekking tot het gezag van de gereformeerde belijdenis. De brochure kent twee zwaartepunten: de belijdenis en het gebod (nader bepaald: de functionering van het gebod). Het is de relatie tussen die beide, die in onze kerken in discussie is. Uitdrukkelijk hebben wij eerst onze verbondenheid met en gebondenheid aan de gereformeerde belijdenis uitgesproken, om van dááruit de lijn door te trekken naar de functionering van Gods gebod.

Het is met het oog op de vragen van prof. Van Genderen met betrekking tot het actueel belijden van belang te zien, wáár wij de belijdenis van Barmen (1934) ter sprake brengen, nl. bij de behandeling van het gebod! Wij menen dat deze belijdenis (die overigens niet alleen door Barth is opgesteld en bovendien door de Belijdenissynode is overgenomen als häär theologische verklaring) er een voorbeeld van is, dat men inderdaad niet voor anker kan gaan bij de formuleringen van vroeger. Er waren velen in Duitsland, die meenden met allerlei leerstukken uit de reformatorische traditie Hitler te kunnen en soms zelfs te moeten bijvallen. Anderen hebben de belijdenis van Barmen herkend als de rechte toespitsing van de Schrift en de reformatorische belijdenis naar de tijd van het Derde Rijk. Hetzelfde kan men onzes inziens zeggen van de uitspraak van de GOS van 1984 aangaande de apartheid. Het is bekend, dat in Zuid-Afrika juist ook mensen die de gereformeerde belijdenis onderschrijven, niettemin de apartheid theologisch rechtvaardigen. Is er beter illustratie voor de stelling, dat „wij niet kunnen volstaan met het enkel (cursivering niet in de tekst) herhalen van de woorden en inzichten van voorbije geslachten” (blz. 11)?

Wat is het belang ervan, dat wij Barmen 1934 en de GOS 1984 onder het hoofd van het gebod ter sprake brachten? Dit, dat het ons niet gaat om een dynamisch belijden, waarbij oude formuleringen als ballast worden afgedankt; het ging ons erom dat oude formuleringen niet moeten worden misbruikt ter rechtvaardiging van onszelf en onze maatschappelijke systemen, maar dat wij ons immer hebben te laten toetsen door het Woord. Dat kan betekenen dat toespitsing op een bepaalde situatie onontkoombaar is.

VENSTER

Prof. Van Genderen maakt bezwaar tegen de uitdrukking „venster op de Schrift” in onze brochure. Hij meent, dat wij met die uitdrukking het gezag van de belijdenis niet tot zijn recht kunnen laten komen. Nu gaat het ons niet om bepaalde woorden en formuleringen van onze brochure te verdedigen zonder meer. Het gaat ons slechts om de zaak. Waar wij ons tegen verzetten is: uitsluitend spreken over de belijdenis als „samenvatting” zonder daarbij uitdrukkelijk te zeggen, dat de belijdenis tot déze samenvatting komt omdat ze niets anders wil en kan dan de Schrift zèlf aan het woord laten. Hier willen wij ermee volstaan te verwijzen naar wat ds. Born op de ambtsdragersconferentie zei over het heenwijzend en samenvattend karakter van de belijdenis (AC 1986, blz. 613/614). Het spreken der belijdenis is niet triomfaal van karakter. Integendeel, het ademt een volstrekte afhankelijkheid van het Woord en de Geest van God. Wij achten het daarom van belang ook in de actuele situatie die afhankelijkheid uitdrukkelijk te accentueren. Waar dat niet gebeurt, wordt licht de indruk gewekt - zeker naar buiten toe -, dat wij tegenover allerlei ontwikkelingen in de maatschappij slechts ons eigen (gelovige) menselijke denken plaatsen.

GEMEENTEËTHIEK

In zijn reactie op het tweede deel van onze brochure komt prof. Velema uit bij vier vragenblokken. De eerste groep vragen cirkelt rondom de positie van de gemeente van de Here Jezus Christus in deze wereld. Prof. Velema vraagt naar het eigene van het ethos van de gemeente: is er zoiets als een „gemeenteëthiek”? En hij voegt daaraan toe: „Toch zie ik van een eigen gemeenteëthiek geen spoor!” (blz. 598).

Wij nemen aan dat prof. Velema met de uitdrukking „gemeenteëthiek” niet bedoelt de wijze waarop men in de gemeente met elkaar omgaat, maar de levenswandel van de gemeente in (en vaak tegenover) de wereld. Nu kan het woord gemeenteëthiek in zoverre verwarrend werken, dat erdoor vergeten zou kunnen worden, dat het hier gaat om een ethiek, die elk mens behoorde te hebben (vanwege de algemene geldigheid van Gods gebod). Toch heeft het woord enig recht. Namelijk als we ermee willen aangeven dat, naarmate het ethos van de omringende wereld nog niet de sporen draagt van Gods gebod (de nieuwtestamentische situatie) of zich niet meer laat gezeggen door Gods gebod (onze situatie), de gemeente en haar leden geroepen zijn zich er des te nadrukkelijker op te bezinnen, hoe hun leven (in onderscheiding van hun omgeving) naar Gods gebod dient te zijn én dat de gemeente en haar leden geroepen zijn dit gebod van God - in onderscheiding van hun omgeving - in praktijk te brengen. Men denke hier slechts aan het woord van de apostel Paulus: Maar gij geheel anders, gij hebt Christus leren kennen (Ef.4,20).

Er is in deze nadruk op de gemeenteëthiek veel dat juist is:

- In een wereld die in vele opzichten vreemd is aan het Evangelie zal de gemeente zich hebben te bezinnen op wat God vraagt en haar leven daarop moeten afstemmen.

- Naarmate de samenleving waarin de gemeente leeft harder en individualistischer wordt en (daardoor) de hulp aan mensen-in-de-verdrukking zèlf in de verdrukking komt, zal ze bereid moeten zijn haar eigen opdracht te volgen, ook wanneer dat offers met zich meebrengt.

- Met name in bestuurlijke taken waarin christenen moeten samenwerken met niet-christenen zullen ze soms compromissen moeten sluiten, terwijl ze in hun persoonlijk leven dat compromis willen en moeten vermijden.

In dit opzicht kan er van een eigen gemeenteëthiek worden gesproken. Toch mag in dit sterke accent op een eigen gemeenteëthiek niet worden voorbijgezien, dat ook de gemeente geen eiland is. Ze staat in een voortdurende spanning. Watze is, is ze in Christus. Juist daarom wordt de gemeente in het Nieuwe Testament steeds weer opgeroepen bij die in Christus gegeven werkelijkheid te leven en niet gelijkvormig te worden aan de wereld (Rom. 12, 2). De gemeente zelf is een „strijdtoneel”: het oude en het nieuwe botsen er op elkaar. Er is spanning tussen Geest en vlees, tussen eigen geest en de Geest van God. Er zijn de gevaren die uit de gebrokenheid van het leven opkomen. Het staan in de wereld en het toch niet van de wereld zijn brengt in het apostolisch vermaan een spanning met zich mee, die men niet mag neutraliseren. Dat neutraliseren gebeurt daar, waar men de werkelijkheid van het in-Christus-zijn veronachtzaamt òf de werkelijkheid van het in-de-wereld-zijn wegstreept. In het eerste geval komt men uit bij een ethiek die niet meer weet van het eigene van de gemeente als schepping Gods. In het tweede geval vervalt men tot een ethiek die sterk doperse en idealistische trekken zal vertonen. In beide gevallen wordt echter de onlosmakelijke verbinding die er in het Nieuwe Testament is tussen de werkelijkheid van het heil in Christus en de daaruit voortkomende en daarin gegronde apostolische vermaning verbroken.

Het aangeven van die spanning (zoals ook in onze brochure gebeurt) komt dan ook niet voort (zo prof. Velema) uit „als het vertrekpunt nemen van de geseculariseerde situatie”, maar juist uit een ernstig nemen van de bijbelse tekening van de positie van de gemeente in deze wereld (Vgl. het prachtige artikel van W. Kremer in de bundel Woord en Kerk, Amsterdam 1969, getiteld: De gemeente in de ambtelijke theologie, met name de blz. 157- 159).

Overigens lag het zwaartepunt bij het denken over het functioneren van Gods gebod in onze brochure ergens anders: namelijk bij de samenlevingsproblematiek. Daarom werd geen afzonderlijke aandacht gegeven aan de ethiek van de gemeente.

HET MINST KWADE?

In het tweede vragenblok van prof. Velema speelt een bepaalde uitdrukking, die wij op pag. 18 van onze brochure hebben gebezigd een nogal centrale rol. Die uitdrukking is „het minst kwade”. Het is menen wij goed om hier nog een keer de gehele passage af te drukken, waarin die uitdrukking voorkomt:

„Hoe kan nu het gebod van God in de praktijk van het leven en samenleven zijn werking hebben? Vanuit de Schrift wordt ons duidelijk, dat dat immers Gods bedoeling is. Hij schenkt zijn geboden, opdat zij ons handelen zouden bepalen. In de Schrift zelf wordt zichtbaar hoe dat in zijn werk gaat. Gods geboden worden gegeven als gave van het verbond om in de gebroken wereld, waar de zonde heerst, richting te geven ten leven (vgl. Deut. 30, 11-20). Het is eigen aan de geboden van God, dat zij helpend en richting gevend op onze (gebroken) werkelijkheid ingaan. Het gebod wil temidden van die gebrokenheid een weg voor ons handelen ontsluiten, die de goede weg is, of in ieder geval de minst kwade (cursivering niet in de tekst van de brochure). Het wil ons leren te leven vanuit Christus temidden van alle gebrokenheid en zonde.”

Wij hechten eraan deze passage nog eens in zijn geheel te laten klinken. Alleen al uit het verband waarin de uitdrukking „de minst kwade” wordt gebruikt, kan duidelijk blijken dat het ons er hier niet om gaat (zoals prof. Velema stelt):

- dat „God met zijn wet een paar stappen teruggaat”, als we stuiten op de door ongehoorzaamheid aan de wet veroorzaakte gebrokenheid van het leven;

- dat „God van zijn wet nogal wat laat vallen”;

- dat het erom zou gaan „de geldingskracht van het gebod in stukken te delen, bijvoorbeeld door haar te halveren”.

Door deze wijze van vraagstelling draait prof. Velema de bedoeling van wat wij schreven juist om! We schreven dat het juist wèl de bedoeling van het gebod van God is ons handelen te bepalen! Dat het gebod zich niet terugtrekt, maar juist wil ingaan in onze gebroken werkelijkheid! En dat het ons juist een weg wil ontsluiten! Het wil ons temidden van alle gebrokenheid leren leven vanuit Christus.

Daar moet, menen wij, nog iets aan worden toegevoegd. Wat zich wreekt in de reactie van prof. Velema, is dat hij geen onderscheid maakt tussen de geldigheid van Gods gebod enerzijds en ons omgaan met en gehoorzamen aan de geboden van God anderzijds. Dat moet er wel toe leiden, dat de schijn wordt gewekt dat de geboden van de HERE een soort regels zijn, die zich zonder meer laten toepassen in ons leven en in deze wereld. Maar daarmee wordt voorbijgegaan aan twee belangrijke zaken. In de eerste plaats kan en mag het gebod nooit los worden gezien van God zelf, de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ook met zijn geboden het heil van mens en wereld beoogt. In de tweede plaats dat de gebrokenheid en de zonde niet slechts eigen zijn aan de werkelijkheid buiten ons, maar evenzeer aan onszelf. Ook wij kennen maar ten dele. Daarom verwezen wij in dit verband van de bovengenoemde passage ook naar het gebed van de dichter van psalm 119: „Ik ben een vreemdeling op aarde, verberg uw geboden niet voor mij”.

Waar het onderscheid tussen het gebod van God en onze gehoorzaamheidsgestalte(n) wordt uitgewist, doet men òf tekort aan het gebod òf men verabsoluteert de gehoorzaamheid van ons mensen. Onze belijdenis handhaaft dat onderscheid wèl, als er in HBC 115 wordt gezegd dat God beide wil: (1) ons onze zondige aard leren kennen en ons heenbrengen naar Christus en Zijn vergeving en gerechtigheid en (2) ons aanvuren tot het gebed om de Heilige Geest en tot levensheiliging.

Daarmee plaatst de HBC het gebod waar het gegeven is: namelijk in onze werkelijke situatie. De wet is geen „blauwdruk” van Gods bedoeling alsof Adam staande was gebleven. Wie rechtstreeks naar het paradijs terug wil, stuit op engelen met een vlammend zwaard. Het is Gods wil, dat wij slechts via het gebod èn op de wijze van het gebod met zijn bedoeling als Schepper zouden worden geconfronteerd. En wel, na de Uittocht. Zijn gebod is ons gegeven met het oog op onze werkelijke situatie. Daarin wil het ontdekkend, helpend en richtinggevend ingaan.

Wanneer dan in dit verband wordt gesproken van „de minst kwade”, heeft dat geen betrekking op de inhoud van het gebod (wellicht komt dat in de formulering van de brochure niet voldoende duidelijk uit). Immers, het gebod is goed (Rom. 7, 12) en wat God daarin van ons vraagt, is goed (Rom. 12, 2). Maar bij het gehoorzaam gaan op de weg die het gebod wijst, komen wij (helaas) soms niet verder dan „het minst kwade”.

In dit verband moet ons trouwens ook iets anders van het hart. Nog afgezien van het inhoudelijke bij de gedachtenwisseling over een uitdrukking als „de minst kwade”, valt er iets te zeggen over de wijze waarop prof. Velema met deze uitdrukking aan het werk gaat. Wij hebben met die manier van redeneren grote moeite. Prof. Velema „speelt” als het ware zodanig met die uitdrukking, dat hij ons laat zeggen, dat „Gods gebod ons leert er het minst kwade van te maken”, en zelfs „leidt tot kwaad doen”. Ja, zelfs zouden wij (impliciet) zeggen dat „God zelf vuile handen maakt door van mensen te vragen wat (hun) eigenlijk verboden is”…….

Zó ad absurdum met een uitdrukking aan de gang gaan, is een wijze van redeneren waarbij men anderen het tegengestelde laat beweren van wat zij werkelijk zeggen en bedoelen. Zo vergaat het ook ons.

Wij zoeken ernaar hoe we vandaag de dag in alle zorgvuldigheid en getrouwheid met Gods (goede!) gebod moeten omgaan. Die intentie kan duidelijk blijken uit onze brochure. En prof. Velema weet dat van ons. (Stevige) discussie en weerwoord is een goede zaak, juist ook in het kader van sámen zoeken. Daarbij mag men elkaar best vragen of een uitdrukking als „de minst kwade” wel zo gelukkig gekozen is. Maar de wijze waarop prof. Velema dat doet, daar hebben wij moeite mee. Hij legt ons redeneringen in de mond, waarvan hij terdege weet dat wij het zó niet bedoelen èn ook zó niet zeggen. Wij vragen ons af: is dit de wijze waarop wij met elkaar moeten spreken en debatteren? Hoe oprecht en zorgvuldig gaat prof. Velema eigenlijk met ons om?

EEN ONTKERSTENDE WERELD

Blijkens de eerste zinnen van het derde blok vragen heeft prof. Velema de bedoeling van onze zin op pagina 18 en 19 van onze brochure goed begrepen. We schreven daar: „Het eerste waar we aandacht voor willen vragen, is het feit, dat het gebod van God niet zonder meer als gebod van God kan worden gehanteerd waar de relatie met God niet gekend wordt”. We bedoelen daarmee inderdaad, dat ongelovige mensen oorsprong en bedoeling van Gods gebod niet onderkennen. En ook, dat de wet van God in het kader van het Evangelie gepredikt moet worden, om echt en van harte aanvaard en verstaan te worden.

Daarom bevreemdt het ons, dat prof. Velema even verder opnieuw de bedoeling van wat wij schreven omkeert, als hij zegt: „Waar blijft de gemeente met haar getuigenis als ze in een ontkerstende wereld zegt: zolang jullie het Evangelie niet geloven, kunnen we met de wet niets doen?” (AC 599). Nog erger wordt het, als er daarna door prof. Velema wordt geschreven: „Hoe komt dat minst kwade tot stand? Niet aan de hand van de wet, maar naar de mate waarin het een geseculariseerde samenleving belieft zich nog iets van de wet aan te trekken. Doch dan bepaalt de gebroken samenleving en de zondige mens, hoever het gebod van God nog geldig is” (AC idem).

Dat prof. Velema door het zó te stellen de bedoeling van de brochure omkeert, wordt niet alleen duidelijk uit het geheel van dit geschrift, maar komt vooral scherp uit tegen de achtergrond van een alinea van diezelfde 19e bladzijde:

„Toch mogen wij ons vanuit de overtuiging dat het gebod van God goed is, niet onttrekken aan de discussies van vandaag. Het zal er daarbij om gaan, de goedheid en heilzaamheid van Gods gebod te beargumenteren en zo het kwaad in te dammen en terug te dringen. Het opkomen voor Gods gebod zal nooit kunnen geschieden buiten de verwijzing naar het heil in Jezus Christus.”

Hier blijkt duidelijk, dat wij er juist voor pleiten, dat de gemeente haar getuigenis laat horen en opkomt voor het gebod van God! Ze weet immers dat het gebod goed is.

Wij nemen het dus wel degelijk op voor de usus politicus (= de overtuiging dat de wet van God ook betekenis heeft voor het politieke leven). De wet geldt immers alle mensen! Ze is zelfs - zo Rom. 2, 14v. - door de Here in elk mensenhart gegrift. Dat ontneemt mensen - ook buiten de kring van kerk en verbond - elke verontschuldiging. Het gebod brengt ook daar de verwording van de mens-zonder-God aan het licht. En de Here wil in zijn trouw dit in de harten geschreven gebod gebruiken als een breidel (zo Calvijn) om de boosheid van de mensen te bedwingen en te beteugelen (wij schreven: „indammen en terugdringen”).

Die twee zaken (het ontnemen van elke verontschuldiging èn dat beteugelen) dienen bij ons denken over de usus politicus beide te functioneren. Wordt de verbinding tussen deze beide verbroken, dat gaat deze „in de harten ingeschreven wet” licht als iets zelfstandigs functioneren naast of tegenover de geopenbaarde geboden van de Here. We vervallen dan gemakkelijk in een soort spreken over natuurrecht en humaniteit los van God in Christus. Er ontstaan dan twee min of meer zelfstandige terreinen: (1) de kerk waarin het om het hart en de bekering gaat (dus om de echte dienst aan God) en (2) de samenleving buiten de kerk, waar het „slechts” zou gaan om recht en humaniteit los van God. Maar ook buiten de gemeente dient bij het opkomen voor het gebod immer verwezen te worden naar Gods heil in Christus. Het gebod is altijd het gebod van die God, die deze wereld die zijn schepping is, niet loslaat. Waar de kennis van en de eerbied voor deze God ontbreekt wordt de geldigheid van Gods gebod niet opgeheven, maar is de basis waarop mensen zich laten aanspreken op Gods gebod weggevallen. Men komt dan niet tot de werkelijke bedoeling van Gods gebod. Dàt bedoelden wij toen wij schreven, dat het gebod van God niet zonder meer als gebod van God (men lette op de cursivering!) kan worden gehanteerd waar de relatie met God niet gekend wordt.

Daarmee is de usus politicus niet vervallen. Ze krijgt van hieruit juist haar plaats. Wij hebben ook in de wereld waar zij wereld-zonder-God is een taak: als God trouw blijft, mogen wij ons niet terugtrekken. God geeft zijn geboden (ook) om een draaglijke samenleving mogelijk te maken. Het bestaande, hoe geschonden ook door de zonde, mag door ons niet zonder meer worden afgeschreven. Wij hebben ons in te zetten voor verandering en verbetering, ook in de politiek en in het sociale leven. Wij hebben op te komen voor het goede gebod van God en wij mogen daarbij de goedheid en de redelijkheid van dat gebod ook naar niet-christenen toe beargumenteren en verdedigen.

Hiermee is niet àlles gezegd over de usus politicus. Verschil van inzicht over de hantering en de grenzen van deze usus is er immer geweest - prof. Velema weet dat evenzeer. Maar dat alles neemt niet weg, dat wij ook in de ons omringende samenleving hebben op te komen voor het goede gebod van de Here.

We onderstrepen dat dat het uitgangspunt van onze brochure is. Daarom menen wij te kunnen stellen, dat het in het vorenstaande meer dan duidelijk is, dat het etiket „situa-tie-ethiek” ongepast is.

Het gaat ons erom in gebondenheid aan de Schrift en aan de belijdenis van de kerk vanuit genoemd uitgangspunt de vragen die op ons afkomen, te doordenken. Daarmee zijn we bepaald niet klaar, integendeel. Ook binnen de kring van de studie- en bezinningsgroep is er een voortgaand gesprek op basis van dit gemeenschappelijke uitgangspunt. De brochure laat vragen open, die daarom ook terecht aan ons gesteld kunnen worden. Daarover moet dan ook verder gesproken worden - in vertrouwen.

Naar dat verdere gesprek zien wij uit!

Namens de Studie- en bezinningsgroep van Chr. Geref. predikanten en theologen,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.