+ Meer informatie

Sikkel als sociaal profeet

4 minuten leestijd

Rond de eeuwwisseling was de Amsterdamse ds. Johannes Cornelis Sikkel een van de vooraanstaande figuren in de Gereformeerde kerken. Zoals vele gereformeerde predikanten in die dagen was bij ook nauw betrokken bij de ontwikkelingen in de ARP en andere neo-calvinistische organisaties. Een van zijn dochters trouwde met mr. P. S. Gerbrandy, de man die later leiding zou geven aan het Londense oorlogskabinet.

Twee jaar geleden hield de vrijgemaakte predikant dr. B. H. Bremmer voor de jaarvergadering van het Gereformeerd Maatschappelijk Verbond een lezing over „J. C. Sikkel als sociaal profeet". Deze is thans bij De Vuurbaak in druk uitgegeven.

Na een korte inleiding in de sociale situatie van die dagen en de positie van de orthodox-protestanten daarin, geeft Bremmer een overzicht van Sikkels inbreng in de discussie over de sociale strijdvragen. Ook toen waren de mannenbroeders het lang niet altijd met elkaar eens.

Vrouwenarbeid

Op het eerste Christelijk Sociale congres van 1891 was de 35-jarige Sikkel één van de inleiders. Hij stelde zich toen zeer kritisch op tegenover dë buitenshuis werkendei gehuwde vrouw. „Arbeid (van de vrouw) op de akker, in de werkplaats of fabriek achtte hij in strijd met den regel die God stelde". Een vrouw op een post- of telegraafbureau was hem „een doorn in de ziel".

Later kwam hij op dit extreme standpunt terug. In een na zijn dood gepubliceerde brochure zag hij vooral voor de ongehuwde vrouw een veel ruimer arbeidsterrein. Toen ging hij zelfs zover dat hij een pleidooi voerde voor het kerkelijk stemrecht der vrouwelijke lidmaten.

Het interessantste van Sikkel is echter zijn stellingname ten aanzien van de christelijke vakbeweging. Hier kwam hij openlijk in conflict met de bekende ds, A. S. Talma, die in het kabinet-Heemskerk minister van Nijverheid, Landbouw en Handel was.

In de eerste jaren van deze eeuw werd in orthodox-protestantse kring heftig gedebatteerd over de vraag of het verantwoord en wenselijk was dat de christelijke arbeiders zich in vakorganisaties verenigden. In juni 1958 sprak ds. Sikkel zich daar in een referaat voor de christelijke patroonsvereniging Boaz,' aflteurend over uit. Wanneer arbeiders en patroons zich elk in eigen organisaties zouden verenigen — zo redeneerde hij — dan was dat niets anders dan „georganiseerde klassenstrijd". Daarom moesten de patroons zich „van Godswege" tegen de vakorganisaties verzetten.

De patroonsvereniging Boaz stelde zich vierkant echter Sikkels stellingen, maar de christelijke werkliedenvereniging Patrimonium nam in hetzelfde jaar een anti-Sikkelmotie aan, waarin werd uitgesproken dat „het recht van de arbeiders, om door vereeniging met anderen, zich behoorlijke arbeidsvoorwaarden te verzekeren, moet worden gehandhaafd".

Polarisatie

Zo was door Sikkels toedoen in de nog jonge chrjstelijk-sociale beweging een heftig polarisatie ontstaan. In verschillende opzichten had men Sikkel echter verkeerd begrepen. Daarom zette hij in zijn boek „Vrijmaking van de arbeid", zijn visie nader uiteen. Als hoofdbezwaar tegen de oprichting van vakorganisaties en patroonsbonden voerde hij aan dat men daarmee „blijft in de verhoudingen die het liberalisme verwekte".

Tegenover dat liberale model bepleitte hij een meer „organisch" en corporatief model. Bedrijfstaksgewijze moest de maatschappij geordend worden. Behalve de politieke Kamer moest ook een Kamer van de Arbeid worden opgericht.

In de loop der jaren kreeg Sikkel echter steeds meer waardering voor het werk der christeUjke vakbeweging. „Niet één Christenman mag buiten zijn Vakvereeniging blijven", zo schreef hij kort voor zijn dood in 1920. Toch behield hij bepaalde reserves.

Betekenis

Aan het eind van zijn betoog tracht Bremmer een balans op te maken van de betekenis van Sikkel als sociaal profeet en pionier. Die ziet hij vooral gelegen in „zijn worsteling voor een maatschappijvisie waarin de tegenstelling tussen kapitaal en arbeid wordt opgeheven door bedrijfsorganisatie".

Daarmee is inderdaad de kern van de zaak aangeroerd. Belangenbehartigende organisaties kunnen goed werk doen om de positie van een onderliggende partij te verbeteren. Maar zij betekenen ook een erkennen en een zich neerleggen bij maatschappelijke tegenstelUngen.

Vanuit de gedachte van de naastenliefde wilde Sikkel die maatschappelijke tegenstellingen opheffen. In dat kader beklemtoonde hij ook dat het in de arbeid niet in de eerste plaats gaat om het loon, maar om de taakvervulling van Godswege.

Zo is er in het sociale denken van Sikkel beslist veel wat ook voor deze tijd zijn waarde behouden heeft. Sikkel was een onafhankelijk figuur. Hij durfde de vinger te leggen bij de zere plek. Veel moeilijker viel hem echter het concreet aanwijzen van de remedie. Alhoewel hij zijn reserves hield, kwam hij in de praktijk steeds positiever te staan ten opzichte van de christelijke vakbeweging. Wie echter vijftig jaar later ziet wat daarvan geworden is, krijgt oog' voor de relevantie van Sikkels (oorspronkelijke) kritiek. N.a.v. „Ds. J. C. Sikkel als sociaal profeet en pionier" door dr. R. H. Bremmer. Uitg. Oe Vuurbaak, Groningen 1976, 55 pag. prijs ƒ 7,50.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.