+ Meer informatie

Het is de Heere

9 minuten leestijd

De Heere Jezus is Zijn jongeren vele malen verschenen. Deze verschijningen waren niet alle gelijk. Hier bij deze verschijning staat: „en Hij openbaarde Zich aldus”.

De verschijningen waren tevens openbaringen. Zij dienden tot onderwijs, om steeds meer door het geloof te wandelen en niet door aanschouwen-. Zij moesten allengskens van het zichtbare afgebracht worden, opdat zij zouden leren en geoefend worden om door het geloof te leven.

De verschijningen sloten zich aan bij de geestelijke gesteldheid der discipelen. Zij dienden tot onderwijs en vertroosting, al naar gelang dit nodig was.

Hij verscheen aan de Zijnen overeenkomstig hun geestelijke nood. Naar Zijn Goddelijke wijsheid en trouw heeft Hij hen aldus geleid. En dat is gelukkig vandaag nog zo. Omdat de Heere de Zijnen kent en precies weet wat zij behoeven, daarom is het onderwijs dat Hij geeft altijd nuttig en menigmaal aangenaam. ’t Kan ook vermanend en bestraffend wezen.

Hier krijgen wij de verschijning aan de zee van Tiberias. Hier waren enkele discipelen bij elkander. Vijf worden er met name genoemd en nog twee andere Zijner discipelen. Allereerst staat Simon Petrus. Deze discipel stelde zichzelf altijd vooraan. Hij taxeerde zich heel hoog. Toen stond hij nog in eigen kracht. Op een gevoelige en smartelijke wijze moest hij dit aflereij.

Wat heeft hem dit veel goed gedaan. In zijn brieven dringt hij aan op ootmoed en vernedering des harten. God wederstaat de hovaardigen, doch de nederigen geeft Hij genade, zo schrijft hij.

Nu wordt hij door de Heilige Geest voorop gesteld. Dan volgt Thomas. Thomas, de man, die zwaarmoedig van karakter was, die worstelde met het lijden van Christus, dit niet begreep en zo moeilijk kon geloven.

Wat is hij tot een heerlijkebelijdenis gekomen. Hij wordt hier als de tweede vermeld.

En dan komt Nathanael, de Israeliet in wie geen bedrog is. In Joh. 1 : 46 wordt van hem geschreven. De Heere Jezus heeft tot hem gezegd: „Gij zult grotere dingen zien dan deze”. Hij had al meerdere dingen van Hem gezien en nu zal de Heere Zich bij vernieuwing wederom aan hem openbaren.

Daarna de zonen van Zebedeus. Zij leden niet aan een gevoel van minderwaardigheid. Aardse gedachten hadden zij van Jezus’ Koninkrijk. Door de oefeningen hadden zij hieromtrent wel veel afgeleerd, al waren zij hun aardsgezinde gedachten niet geheel kwijt.

Er was in hun leven plaats gekomen voor de belijdenis van de Doper: „Hij moet wassen, doch ik minder worden”.

En twee andere van Zijn discipelen. Wie waren dat nu? Laat ons daar niet naar gissen. Wat is dit kostelijk, dat wij niet weten, wie zij waren. De Heere kende ze. Hij kent de

Zijnen. Hij vergeet er niet een. Hij vergat Petrus niet en Thomas niet, doch ook deze twee niet.

Wat is dit troostrijk voor die naamlozen in Gods kerk in den lande. Wellicht hebbenzij de kleinste gedachten van zichzelf. Misschien durven zij zich nooit bij Gods kinderen te rekenen. Als zij nog eens deze vrijmoedigheid mogen hebben, wat worden zij danbestreden, dat zij ten onrechte dit hebben gedaan.

Was dit met hen ook zo? Wij weten het niet. Dit weten wij wel, dat de Heere ze er bij rekent. Wij geloven, dat deze discipelen aldus genoemd worden en beschreven zijn, tot troost en onderwijs in Gods kerk van vandaag. De Heere kent Zich het recht gelukkig toe om de Zijnen te rekenen in het opschrijven van Zijn volk, zeggende, d *ze en die is in Sion geboren. Hij bevestigt en schraagt en onderwijst ze. Hij leidt ze en verbindt ze aan Zich en aan elkander.

In de lijdenstijd uit elkaar geslagen, nu weer hefelijk verenigd. Hier neemt Petrus weer de leiding. „Ik ga vissen”, zo zegt hij. De anderen zeggen: „Wij gaan ook met u”. Was dit verkeerd? Ach neen, de discipelen hebben er geen afkeuring over gekregen. Zij moesten wachten, en wachten duurt lang. Wachten is moeilijk. De uitgestelde hoop krenkt het hart. Wanneer het wachten soms lang duurt, voordat de toegezegde belofte vervuld wordt, wat Ran de satan ons toeh hevig bestrijden. Was dat hier ook het geval? Ook datlezenwij niet. Wij geloven, dat ook dit besluit, om te gaan vissen, medegewerkt heeft ten goede omtrent hun geestelijke vorming. Tenslotte, alles wat ons in ons leven overkomt, komt van de Heere. Voor degenen, die God liefhebben, werken alle dingen mede ten goede. Voorspoed en tegenspoed, gezondheid en krankheid, ja zelfs alle ding. De Heere heeft er Zijn wijze bedoelingen mede. ’t Is voor ons juist de zaak of wij deze verstaan en daardoor geoefend worden en dichter bij Hem komen. Asaf moest zijn bestraffingen elke morgen hebben, opdat hij Gods doen zou zien in heiligdomslicht.

Wat heeft dit in zijn leven rijke vruchten afgeworpen.

De discipelen gaan vissen. Zij gingen uit en traden terstond in het schip; en in die nacht vingen zij niets.

Het staat er zo eenvoudig, zo gewoon.

’t Waren vissers. Zij wisten hoe zij het doen moesten. Hoe zij hun best deden, er kwam niets in het net.

Vroeger wellicht rijke vangsten gehad. En nu niet weinig, doch niets gevangen.

Zo gaat het in het geestelijk leven ook menigmaal. Wanneer het de tijd der eerste liefde is, wat kan het dan aangenaam zijn. Om dit beeld van het vangen eens vast te houden, zij hebben geen kerkgang of zij hebben wat mogen vangen.

’t Gaat ze als Ruth. Zij lezen aren op bij de hemelse Boaz. Zij leven gedurig van de meevallers. Het leven is vol van verrassingen. W anneer de Heere ons echter meer wil leren en ons verder wil brengen, dan worden deze verrassingen minder.

Het kan zijn, dat de reden ligt in verborgen zonden, doch dat behoeft niet altijd het geval te zijn. Het gaat in het geestelijk leven zo, dat de Heere voor elke weldaad plaats maakt. Er bestaat ook gevaar, dat we zouden gaan rusten op de weldaden, die de Heere gaf, op de vertroostingen, die Hij schonk en we geen behoefte zouden krijgen aan de Heere Jezus Christus en Zijn gerechtigheid. En daartoe onderwijst de Heere nu door Zijn Geest. Zij vangen niets en zijn daar min of meer ontevreden over, ’twelkblijktuithet antwoord, dat zij aan de onbekende Meester geven.

De Meester is Dezelfde als altijd. Zo gaat het steeds in het geestelijk leven. De Heere geeft, doch verwijt niet.

„Kinderkens”, zo sprak Hij. Wat een aangename aanspraak. Wat een vertrouwelijketoon. „Hebt gij niet enige toespijs?”

In het Oosten was brood de hoofdmaaltijd en vis en andere gerechten werden er bij gegeten als toespijs.

Wist de Heere dit niet? Ja, de Heere wist alles. Hij stelde deze vraag om Zich heerlijker aan hen te openbaren.

Hij had hen gadegeslagen. Hij stond op de oever. Hoe lang stond Hij daar?Datweten wij niet.

Er staat: als het morgenstond geworden was. Toen het enigszins begon te lichten. In de nacht konden zij niets zien. De nacht of de morgenstond is voor de Alwetende gelijk. Dat Hij daar stond, wat ligt hier een rijke lering en vertroosting in. Alles wat daar geoeurde, geschiedde door Hem, ook het niet eangen. Hij laat ze niet aan hun lot over. Hij stond op de oever. Zo staat Hij op de oever van ons leven in allerlei toestanden. Hij is vlakbij om te zien of wij Hem nodig hebben. Hij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Zijn hand geve. ’t Is zo jammer, dat de mens dit niet ziet. Dit geldt zelfs voor de onbekeerde mens. De Heere werkt alle deze dingen, opdat men detoevlucht tot Hem zou nemen.

Hoe reageren Gods kinderen dan? Verstaan zij het altijd? Jakob zegt: „Alle deze dingen zijn tegen mij”. David zegt: "Ik zal nog een der dagen door de hand van Saul omkomen”. Asaf zegt: „Heeft God vergeten genadig te djn?” En Sion? Sion zegt in wegen van druk, vanneer de Heere ze verrijktmetdeheerlijkste oeloften: "De Heere heeft mij verlaten, ja vergeten zelfs”.

De discipelen antwoorden: „Neen”. Wat een kort, eigenlijk onhebbelijk antwoord op zulk een vriendelijke vraag.

Ondanks dat antwoord geeft de Heere raaden zal Hij ze verrassingen bereiden. Een verrassing in de weg van het wonder. Hoor maar! „Werpt het net aan de rechterzijde van het schip en gij zult vinden”.

Dit vissen gaat op’s Heeren bevel naarde wet van het Koninkrijk Gods. Volgens de berekening der discipelen was het verkeerd.

Naar des Heeren gedachten was het goed. Zijn wegen en gedachten zijn anders enhoger dan de onze.

Het dwaze Gods is wijzer dan de mensen. Daar te vissen was ook dwaasheid. ’s Heeren bevelen opvolgen is vaak in onze ogen dwaasheid. Is het geen dwaasheid, wanneer de Heere tot Mozes zegt: „Zeg de kinderen Israels, dat zij voorttrekken”?

Hoe kunt ge toch door de zee gaan? Ja, dat is Gods weg. Dan door de zee, dan door de lordaan en dan aan de rechterzijde van het schip. En dan? Ach, misschien kunt ge dit uit uw eigen leven aanvullen. Die onderwijs ontvangt in’s hemels wegen, zal gedurig met dit dwaze Gods kennis maken.

Het dwaze Gods is oneindig veel wijzer dan alles wat van ons is. Het dwaze Gods doet roemen en maakt dat wij ons verwonderen moeten. Wij geloven, dat straks de hemel weergalmen zal van het zogenaamde dwaze Gods. Het viel voor de discipelen ook zomee. Wat een vangst. Door dit wonder komen ze er achter, dat het de Heere is.

Johannes is de eerste, die het opmerkt. Wat een aangename ontdekking was dit voor de discipelen. Hier bewees Jezus, dat Hij Koning was en de vissen gebood in het net te komen. Wanneer zij in de nacht gevangen hadden, was dit ook door Hem geschied. Hiermaakte de Heere plaats voor het wonder, zodat zij uitriepen: „Het is de Heere!”

Een heerlijke gang maakten zij mede. Zij werden geleid door de weldaden naar de Weldoener. Dat is een rijk voorrecht.

Dat is wasdom in het geestelijke leven. Hier kregen zij onderwijs, ook voor hun geestelijke arbeid. Wat gaat het menigmaal zo in het Koninkrijk der hemelen. Wanneer wij menen, dat alles verkeerd was, gebruikt de Heere het tot zegen van anderen. Dan krijgt Hij de eer!

Bij de discipelen was het niet de kunst van hun vissen. ’t Was alles alleen door Hem. Het is de Heere!

Gelukkig degene, die Hem zo mag aanschouwen door het geloof. Alles komt dan van Hem. Door deze oefeningen krijgen wij meer kennis van Hem en krijgt Hij de eer.

Kent u Hem al, lezer? Wie gij ook zijt, gij ontvangt alles van Hem. Vraag of ge Hem moogt leren kennen. Anders zult u eenmaal tot de ontdekking komen, dat alles van Hem kwam, doch dat het uw ziel bewoog om Hem te vrezen. Dan zal de ontdekking, dat Hij de Heere is, u niet tot troost zijn, doch tot schrik. Maar dan is het te laat. Val Hem te voet en buig voor Hem.

Kinderen van God, hoe is uw weg? Zwaar? Donker? Tegenspoed? Ontdekkend? Denkt er wel om, Jezus staat op de oever van uw leven. Eenmaal zal alles opgelost worden en gij zult zeggen: Het is de Heere.

E.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.