+ Meer informatie

Ter overweging

11 minuten leestijd

W. L. Tukker e.a. Totdat Hij komt. Over de wederkomst van Jezus Christus. 96 blz. Prijs paperback f 10,90.

Vier auteurs hebben aan dit boekje meegewerkt. Zij komen uit de Hervormde en de Gereformeerde kerk (ds. Jaap Zijlstra), uit de Zevende-dags Adventistenkring (ds. H. J. Smit) en uit de vergadering der gelovigen (Jb. Klein Haneveld). De inhoud is even geschakeerd als de kring waaruit de auteurs afkomstig zijn. Men kan er verschillende meningen in aantreffen over de wederkomst. Berekening der jaren en het opnemen van de gemeente alsook bestrijding van het chiliasme. Wellicht was de lezer toch meer geholpen met een diepgaander bespreking van de Problemen dan nu mogelijk was.

Ir. J. van der Graaf e.a. Evolutie en Geloof. Verleden en Toekomst. 86 blz. Prijs paperback f 8,90.

In dit boekje zijn de voordrachten gebundeld die voor de microfoon van de Evangelische Omroep werden uitgesproken over het thema Evolutie en geloof. Behalve de reeds genoemde werkten ook mee de Professoren J. van Genderen en E. Schuurman en dr. W. J. Ouweneel.

Het is belangrijk materiaal wat van onderscheiden kanten ter overweging wordt aangeboden. Ambtsdragers die met deze vragen te maken hebben mogen niet aan dit boekje voorbijgaan.

J. Thomas, Homiletische hulplijnen. Aanwijzingen bij de preekvoorbereiding.

Boekencentrum, ’s-Gravenhage 1976, nr. 41 in de série Praktisch Theologische Handboekjes, 163 blz., f 23,90 (voor intekenaars op de série f 19,90).

De auteur is wetenschappelijk hoofdmedewerker aan de theologische faculteit van de VU (geweest), voor de praktische théologie. Daar hield hij zich vooral bezig met de homiletiek. Nu hij zijn werk daar beëindigd heeft, krijgen we in dit boek de resultaten van zijn arbeid als docent in de praktische vorming van studenten. Het boek draagt een bescheiden titel. Het pretendeert niet een homiletiek in een notedop te zijn, al heeft het daar wel iets van weg. Het beeld van de lijnen (uit de titel) heeft ook de titels van de hoofdstukken bepaald: 1. hulplijnen in het grondvlak; 2. werklijnen; 3. liturgische raaklijnen; 4. verbindende lijnen; 5. compositielijnen; 6. praktisch-theologische hoogtelijnen.

Het boek valt te typeren als een poging om aansluiting te zoeken bij nieuwere denk- en werkwijzen. Vandaar dat de mens tot wie de prediking zich rieht een grote plaats krijgt direct al aan het begin. De preek als communicatiegebeuren krijgt onder 4 een grote plaats. Merkwaardig is het, dat de schrijver de opbouw van hoofdstuk 4 ongeveer parallel laat lopen met de opbouw van hoofdstuk 2. Het is daarom niet onjuist te zeggen dat de kwestie van de communicatie centraal staat.

„Preken is: aanstaande zondag mensen oproepen om zich als gemeente te laten constitueren” (blz. 14). Bij de overzetting van het woord in de prediking spelen belevingswaarden een grote rol. Verder komen we de gedachte tegen dat de prediker de vrijheid van hoe te reageren, bij de hoorders moet respecteren. Hoe dit te verbinden is met de elders geponeerde stelling dat de prediking niet vrijblijvend mag zijn, is niet duidelijk; wel laat zich vermoeden wat de schijver op onze tegenwerping zou antwoorden.

Ons hield steeds weer de vraag bezig: wat is de Schrift eigenlijk voor de auteur van dit boek? Bijvoorbeeld het verhaal van wat mensen ervaren als God met hen contact legt en wil houden (blz. 46)?

Opvallend is dat de schrijver nergens de bekende omschrijving van uitleg en toepassing van het woord van God ge bruikt. Een relatie van prediking en belijdenis als expliciet onderwerp ontbreekt in het boek.

Dat de themapreek een ander soort kerkdienst veronderstelt dan de tekstpreek, is geen geringe wijziging van opzet en bedoeling van de samenkomst waarin een thema behandeld wordt, vergeleken met de uitleg van een tekst.

Het wil ons voorkomen dat dit boek door te grote nadruk op het communicatiegebeuren leidt tot een geëxistentialiseerde homiletiek. Daartegenover zal nadruk gelegd moeten worden op de Schrift als uitgangspunt en de mens als door God in de Schrift gekend en aangesproken.

Dr. J. Hendriks, drs. A. L. Rijken-Hoevens, De Kerkdienst. Sociologisch onderzoek naar opvatting en oordeel over de kerkdienst. Rapport nr. 6 van het Insticuut voor praktische Theologie, Vrije Universiteit Amsterdam, 188 blz., prijs f 10,—.

In dit rapport zijn de resultaten verwerkt van een onderzoek dat bovengenoemd Instituut heeft ingesteld in de Gareformeerde Kerk van Haarlem-Oost.

We kunnen slechts enkele van de resultaten vermelden. Bijna 90 procent van de gemeenteleden vindt de kerkdienst belangrijk. 40 procent is ontevreden met de huidige kerkdiensten. Medewerking en eigen verantwoordelijkheid van de kerkleden komen onvoldoende tot hun recht. De helft vindt dat er door de week meer contact zou moeten zijn met het oog op gezamenlijke bezinning. Ook vinden Velen dat de gemeenteleden betrokken moeten worden bij de voorbereiding van de kerkdiensten. De liturgie en de relaties tot medekerkgangers worden voor de waardering van de kerkdienst belangrijker geacht dan de preek en de predikant. Wel vindt men het belangrijk dat de predikant persoonlijk staat achter wat hij zegt.

29 procent van de ondervraagden vindt dat de kerk zich op het ogenblik op een juiste wijze ontwikkelt; 41 procent vraagt zich af of er niet te veel veranderingen plaats vinden en 23 procent vindt dat er te weinig in ontwikkeling is. Slechts 56 procent gelooft in het bestaan van een persoonlijk God. Op drie procent na geloven de anderen wel in God, maar hebben van Hem geen voorstelling. Van de 14 procent die God niet ervaren betreurt 8 procent dat.

Er is in de Godsvoorstelling een geweidige verandering gekomen. Daarover zou binnen de gemeente gesproken moeten worden.

Er is een duidelijke samenhang tussen iemands betrokkenheid bij het kerkelijke leven en zijn oordeel over de kerkdienst. Trouwe kerkgangers oordelen veelal positiever over de kerkdienst dan niettrouwe kerkgangers. Zij die de mondigheid van de mens hoog waarderen en haar in de kerk tekort zien komen, oordelen veelal negatief over de kerkdienst, in elk geval negatiever dan zij die in de kerk de geborgenheid bij God zoeken. Sexuele progressiviteit en kerkelijke progressiviteit blijken met elkaar te correleren. Velen vinden dat de kerk een kritische functie heeft in de maatschappij, terwijl 33 procent vindt dat de preek niet tot politiek en maatschappelijk engagement stimuleert. Tussen kerkelijke behoudendheid en politieke behoudendheid blijkt geen duidelijk verband te bestaan.

Al met al een merkwaardig rapport. Het is niet aan ons het te evalueren. De methode en resultaten laten zien dat er getracht is zo eerlijk mogelijk de stand van zaken weer te geven. Niettemin doet zich de mogelijkheid voor deze gegevens zo te gebruiken dat men de kerk in een bepaalde richting dringt. Het gaat om de interpretatie van de gegevens. Men kan ook zeggen: het gaat erom wat men ermee doet. Er zitten in de antwoorden altijd onduidelijkheden, vaagheden, hier en daar een vacuum. Hoe wil men dat opvullen? Beslissend zal toch blijken te zijn binnen welk raam men deze uitkomsten een plaats wil geven. Wanneer dat raamwerk van bepaalde makelij is, kan het zelfs voor de kerk schadelijk zijn dat deze resultaten zo op tafel gelegd worden. Ik denk dan met name aan de opmerking over „vragenderwijs geloven” (blz. 144) en aan de verschuiving van het ontologische naar het functionele Godsbeeld (blz. 124).

Op de achtergrond rijst dan de vraag naar de verhouding van de sociologie en het geloofsleven. Kan men tussen die twee een zodanige verbinding leggen, dat men het geloof sociologisch-statistisch gaat onderzoeken? Moet de sociologie het eigene van het geloof ook respecteren? Of is het geloof als voorwerp van onderzoek een algemeen gegeven? Vragen die het overwegen waard lijken, en die in hun beantwoording ook beslissend zijn voor wat men met deze resultaten doet.

Ir. J. van der Graaf, Te midden van tijdgenoten en geestverwanten. Aspecten van godsdienstig leven in deze tijd. Kok, Kampen, 167 blz., prijs f 17,50.

De auteur is eindredacteur van De Waarheidsvriend. Hij publiceerde onlangs een bundel opstellen onder de titel „In de Mozes en Aäronstraat”. Deze werd ook in ons blad besproken. De artikelen die hier gebundeld zijn, herkent men als afkomstig uit het bovengenoemd blad. Tot onze spijt staat er niet bij wanneer de artikelen het eerste gepubliceerd werden. Het ligt voor de hand, gezien de inleiding en ook de omvang van de hoofdstukken, dat enkele gedeelten elders of zelfs nog niet eerder werden gepubliceerd. Ook daarover ontvangen we geen verdere informatie.

Het boek is in drieën verdeeld: „Leer en Leven”, „De Heilige Geest en de geesten in onze tijd”, „Eenheid en participatie”. Er zijn bijzonder mooie en inzichtgevende artikelen bij; ook artikelen die niet uitkomen boven het karakter van een wekelijkse rubriek. Naar mijn gedachte had de auteur er goed aangedaan iets kritischer te selecteren, ook al vanwege het feit dat in dit boek een hoofdstuk „Participatie” voorkomt, dat in de zojuist genoemde bundel precies zo is opgenomen. Ik meen dat een auteur dat zichzelf en zijn lezers niet moet aandoen.

Mij boeide vooral het lange opstel „De Wereldraad van Kerken en het universalisme”, „Stijl en stijlloosheid”, „Evolutionisme en creationisme”. Men ziet hoe de auteur zijn weg zoekt en die aan anderen probeert te wijzen temidden van verschijnselen en stromingen in deze tijd.

Het laat zich denken dat de schrijver in de toekomst nog eens artikelen zal bundelen. Zou het dan niet goed zijn, om meer dan enkele bladzijden aan een bepaald verschijnsel te wijden; derhalve meer dan één artikel. Dat zou de bruikbaarheid, bijvoorbeeld in verenigingsverband of in kringwerk, verhogen. Uit waardering voor wat de schrijver kan geven doen we deze suggestie.

Dr. F. H. von Meyenfeldt, In zekere zin. Gedachten over waarheid, bijbel, geloof en kerk. Uitg. Wytse Benedictus-Hilversum. Prijs f 18,95. 137 pagina’s.

Een gecompliceerd boek dat de spanning tussen geloofsbenadering en wetenschappelijke benadering van „bijbel, geloof en kerk” op bijna elke bladzijde doet voelen! Er worden zoveel zaken aan de orde gesteld rondom deze thema’s, dat het ondoenlijk is U een overzicht van het geheel te bieden. Het is verleidelijk enkele van de vele rake typeringen die de schrijver geeft, te eiteren. Wie niet verder kijkt dan z’n wetenschappelijke neus lang is, zal het met de hier breed geargumenteerde visie niet gemakkelijk hebben. „Het evangelie is niet in discrediet omdat het kinderlijk is, maar omdat het hinderlijk is: het vergt nl. in alle tijden, in alle talen en in alle wereldbeelden dat de mens zichzelf verloochent” (93/4). De dualiteit tussen „verpakking” en „inhoud” (Kuitert) typeert hij met „ingebouwde willekeur” (108/9), een „gladstrijken van alle plooien” wat behoort tot de „eeuw van de rede” (117/8). „Wie niet openstaat voor de Geest van God, voor hem blijft de bijbel een gesloten boek” (126). Een théologie die lééft, reageert op eigen tijd, verwerkt eigen situaties en relaties maar altijd in voortdurende confrontatie met de Heilige Schrift, het spreken van de levende God. Wars is de schrijver van een tijdloze théologie die eindeloos herkauwt en steriel is, waarvan alleen een geraamte resteert. Dit boek wil daarvan rekenschap geven. Hij neemt daarbij hen die zo graag „bij de tijd” willen zijn met allerlei modieus gedoe, scherp op de korrel. „De grote kwaal van de mensheid zal tot de jongste dag blijven, dat zij kiezen voor een eigen werkelijkheidsontwerp, en alles op alles zetten om daarin onkwetsbare stellingen te betrekken” (137). Dan is het de taak van de kerk om achter alles een vraagteken te zetten „wat wij als wezenlijk aandienen. Wordt ze geconfronteerd met de overheid, dan zegt ze dat men God meer moet gehoorzamen dan de mensen. De zakenman voegt ze toe, dat de een de ander uitnemender moet achten dan zichzelf. Tegen gehuwden zegt ze dat men moet getrouwd zijn als niet getrouwd zijnde. De rijke moet zich maar wringen door het oog van een naald. De wetenschapper hoort dat de kennis teniet gedaan zal worden” (136). Tot de jongste dag blijft het de opdracht van de kerk „om al deze stellingen omver te werpen vanuit de stellige zekerheid dat het eeuwig leven is om God te kennen en Jezus Christus die Hij gezonden heeft” (137). Een teer punt raakt de schrijver wanneer hij zich afvraagt of bij alle modernisering en aanpassing inzake structuur, taal en aankleding van de kerk waarover immers velen zich druk maken in deze tijd, velen niet het gevoel hebben dat de Geest geweken is (135). ’k Heb de indruk dat de schrijver hierbij vooral zijn eigen kerken op het oog heeft (maakt het daar nu vigerende ondertekeningsformulier niet de Bijbel tot een „akkoord van gemeenschap” in plaats van zich in het „akkoord” van belijdenis en kerkorde te voegen ònder die Bijbel?), maar dit laat ook ons niet onberoerd. Het is geen gemakkelijke lectuur, maar wie zich de moeite geeft deze „gedachten” te bestuderen, zal — al blijven er natuurlijk vragen — dat niet zonder winst doen.

DE REDACTIE ONTVING:

— Van uitgeverij Meinema, Delft: J. van Drie c.s., Eerlijk voor elkaar. Gereformeerde studenten-pastores over geloof, belijden, kerk; prijs f 4,25 + f 1,25 portokosten, op postrekening 1850 van de uitgeverij; of via de boekhandel.

— Van uitgeverij Kok te Kampen: Ds. W. van Orsel, Een God van eeuwig Heil. Prijs paperback f 8,90.

— Dr. H. M. Matter, Wat moeten we nog geloven? Prijs f 12,50. Van dezelfde uitgeverij.

— Van Zomer en Keuning, Wageningen: Walter en Ingrid Trobisch, Mijn hart blijft onbevredigd. Een intieme briefwisseling. Prijs f 9,90.

— Van dezelfde uitgever: Simon Schoon, Nes Ammim. Een christelijk experiment in Israël. Prijs f 13,50.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.