+ Meer informatie

CHRISTELIJK-GEREFORMEERDEN

7 minuten leestijd

In het nummer van september jl. werd mijn artikel over „Geldschulden” opgenomen. Het begon met „Wij christelijk-gereformeerden ”. Ter toelichting op deze schrijfwijze had ik een uitvoerige voetnoot geplaatst. Maar die voetnoot was zó uitvoerig, dat de redactie haar niet liet afdrukken. Daar had ik begrip voor. Maar nu benut ik graag de geboden gelegenheid er op terug te komen.

Als ik mij niet vergis, was het ds. J.H. Velema, die jaren geleden in de Wekker kritische opmerkingen maakte over de manier waarop de naam van onze kerken vaak gespeld werd: Christelijk Gereformeerde Kerken. Terecht wees hij op de juiste spelling: Christelijke Gereformeerde Kerken.

In officiële stukken van de Hervormde Kerk van voor de Afscheiding noemde deze zich soms al Christelijke Gereformeerde Kerk. Deze naam is dus niet van vandaag of gisteren. Taalkundig is zij geheel verantwoord.

Maar ja, je hebt nu eenmaal altijd mensen die Roomser zijn dan de Paus. Zij schreven en spraken na de verschijning van het bewuste Wekker-nummer niet alleen over Christelijke Gereformeerde Kerken, maar ook over christelijke gereformeerden. Dit laatste is, hoewel deze spelling onder ons zeer gangbaar is geworden, onjuist.

Christelijke gereformeerden zijn, taalkundig bezien, gereformeerden die christelijk zijn (en die kennelijk onderscheiden moeten worden van niet-christelijke gereformeerden). Inhoudelijk is die schrijfwijze echter een enormiteit; christenen zijn niet altijd gereformeerd, maar gereformeerden zijn altijd christelijk.

Dat de naam van onze kerken een samengestelde naam is, neemt niet weg dat zij als naam een eenheid is. Ook in het met die naam corresponderende bijvoeglijk naamwoord of bijwoord „christelijk-gereformeerd” moet deze eenheid tot uitdrukking komen. Dit gebeurt door het koppelteken. Dit teken voorkomt tegelijk dat „christelijk” als een bijwoord bij „gereformeerd”, dus als een wijze van gereformeerd-zijn opgevat zou moeten worden. Wie christelijk-gereformeerd is, is een christelijk-gereformeerde en met elkaar zijn wij christelijk-gereformeerden.

Let wel, in „Christelijke Gereformeerde Kerken” is een koppelteken niet op zijn plaats. Want het karakter van een eigennaam staat daar zonder meer vast, terwijl uit de toevoeging van de laatste letter van „Christelijke” blijkt, dat dit woord geen bijwoord bij „Gereformeerde”, doch - evenals „Gereformeerde” - een bijvoeglijk naamwoord bij „Kerken” is. Eerder nog zou een komma tussen deze beide bijvoeglijke naamwoorden te verdedigen zijn. Maar een komma is daar weinig functioneel en, midden in een naam, zelfs ongewenst.

Mijn conclusie is, dat vele scribenten en sprekers zullen moeten terugkeren van de dwalingen huns taalkundigen weegs. Niet meer schrijven „christelijke gereformeerden”, maar „christelijk-gereformeerden”. Niet meer „christelijke gereformeerde kerkbladen”, maar „christelijk-gereformeerde kerkbladen”. Niet meer „van christelijke gereformeerde zijde”, maar „van christelijk-gereformeerde zijde”. Enzovoorts.

Br. Van der Leeden raakt met zijn uitweiding over de schrijfwijze „christelijk-gereformeerden” een teer en taalkundig interessant (maar vrij lastig) punt aan. De naam Christelijke Gereformeerde Kerken heeft mij al tientallen jaren bevreemd: Gereformeerde impliceert toch Christelijk, dacht ik steeds. Na de Reformatie was er (o.m.) sprake van zowel Hervormde als Gereformeerde kerken (waarmee men toen wel hetzelfde bedoelde…) ; het sprak kennelijk vanzelf, dat het om Christelijke kerken ging. Wij zouden het adjectief Christelijke dus net zo goed als toen hebben kunnen missen; had men het van meetaf maar weggelaten (en dus niet die in officiële stukken van vóór de Afscheiding opgedoken naam Christelijke Gereformeerde Kerken gekozen), want inmiddels zijn er complicaties opgetreden die weglating van Christelijke verhinderen: Er zijn immers al Geref. Kerken gekomen die kennelijk geen behoefte voelden aan de (vanzelfsprekend geachte) toevoeging, dat het om Christelijke kerken gaat; vervolgens kwamen namen als Geref. Kerken (Vrijg.) en Nederlandse Geref. Kerken ons hoe langer hoe vaster pinnen op de naam van onze kerken.

Deze inleiding heeft slechts zijdelings te maken met de van mij als neerlandicus gevraagde commentaar, maar zij lijkt mij toch niet zonder belang; wij kunnen eruit concluderen (met br. Van der Leeden) dat de naam Christelijke Geref. Kerken historisch juist is, en dat Christelijke (met -e) evenals Gereformeerde een adjectief bij Kerken is. Dan blijft, althans voor mij, de vraag over: Waarom heeft men - zoals ds. J.H. Velema schreef, al in de Herv. Kerk vóór de Afscheiding - dat adjectief Christelijke bij het ad-jectief Gereformeerde gevoegd, en waarom koos men in 1869 uit een reeks voorgestelde namen uitdrukkelijk voor de naam met beide adjectieven (Prof. J.J.v.d. Schuit in Gedenkboek Afscheiding, Dordrecht, DJ. v. Brummen, p. 92-93), nadat in 1836 een verzoek om als „Christelijke Geref. Kerken onder het kruis” te worden erkend, was afgewezen - overigens niet op grond van de naam (Dr. H. Berkhof, Gesch. der Kerk, Callenbach, Nijkerk, 6e dr. 1955, p. 288)? Naar het antwoord op deze vraag kan ik slechts gissen; het is misschien een vrij complexe zaak die buiten mijn terrein ligt. De schrijfwijze Christelijke Geref. Kerken is, ik wees er al op, taalkundig correct, maar zij is m.i. qua inhoud toch merkwaardig - en mogelijk heeft men dat in 1892 zo gevoeld bij de Vereniging met de „Dolerenden” (die toen - pikant detail! - óók Neder landsche Geref. Kerken werden genoemd, vgl. ds. H. Janssen in Gedenkboek Afscheiding, p. 143), gelet op de keuze voor de naam Geref. Kerken in Nederland, naast welke kerken de Chr. Geref. Kerk bleef voortbestaan (vgl. uitspraak van de eerste synodale vergadering, ‘s-Gravenhage, 1893).

Van dàt moment af konden onze kerken het adjectief Christelijke m.i. moeilijk meer laten schieten, als zij dat zouden hebben gewild.

Degenen die tot de Chr. Geref. Kerken behoren, zullen dan Christelijke Gereformeerden worden genoemd (in welke woordverbinding het adjectief gereformeerde is gesub-stantiveerd, d.w.z. tot zelfstandigheid is geworden); vergelijk: oude getrouwe leden wordt tot: oude getrouwen. Dit laatste kan evenzeer in het enkelvoud worden gebruikt: (Hij is) een oude getrouwe, dus met behoud van de slot-e van oude. Naar analogie daarvan kan ik zeggen: Ik ben een christelijke gereformeerde.

Twee opmerkingen hierover:

a. In deze situatie ben ik meteen van de keus tussen wèl of niét een koppelteken af.

b. Br. Van der Leeden noemt de spelling Christelijke Gereformeerden eigenlijk onjuist; op grond van zojuist genoemde parallel meen ik, dat we dat niet kunnen zeggen. Als hij vervolgens opmerkt dat er dan „inhoudelijk… een enormiteit” staat, geef ik hem wel gelijk, maar ik teken er meteen bij aan, dat ik van de naam Christelijke Gereformeerde Kerk(en) eigenlijk precies hetzelfde kan zeggen: Zijn de andere Gereformeerde kerken in ons land op grond van hun naam géén Christelijke kerken, omdat zij dit adjectief niet in hun naam hebben? Br. Van der Leeden is blijkbaar zó aan die naam gewend, dat hij dit in de voorlaatste alinea van zijn uiteenzetting over het hoofd ziet.

Wij zitten intussen nog wèl met dit Christelijk(e) opgescheept in de verbinding Christelijk Gereformeerd, zoals in het zinsverband: Hij is Christelijk Gereformeerd. Br. Van der Leeden wil een koppelteken tussen beide plaatsen om daarmee de „eenheid tot uitdrukking (te laten) komen”, evenals die eenheid zou bestaan in de samengestelde naam van onze kerken. Dat een koppelteken in de naam van onze kerken „niet op zijn plaats” zou zijn omdat daarin „het karakter van een eigennaam zonder meer vast(staat)”, is onjuist: een koppelteken kàn in die naam niet staan, juist wegens de slot-e van Christelijke. M.b.t. het gebruik van het koppelteken gelden regels die te vinden zijn in de Leidraad, opgenomen in de Woordenlijst van de Nederlandse Taal, 1954; het zijn er acht, waarvan hoogstens de regels 4 en 7 in aanmerking zouden komen voor ons „geval”. Regel 7 gaat over samenstellingen die berusten op een nog als zodanig gevoelde nevenschikking (christelijk-historisch is hiervan een voorbeeld); kunnen wij dat van christelijk en gereformeerd óók stellen? Regel 4 heeft betrekking op samenstellingen waarvan het tweede lid een bepaling van het eerste is; kunnen wij hiervan spreken in ons „geval”?

Ten slotte: Of er nu wèl een koppelteken tussen Christelijk en Gereformeerd staat: Voor mij (en niet voor mij alleen) blijft de verbinding van beide een merkwaardige zaak (al voorkomt een koppelteken tussen beide in dit geval de onbehoorlijke vraag, of wij àndere gereformeerden - gelet op onze naam - minder of niet christelijk vinden).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.