+ Meer informatie

Kerkregering

5 minuten leestijd

Het gebed in de consistoriekamer

Enige tijd geleden verzocht iemand, die enkele jaren lid van een kerkeraad was geweest, mij in Ambtelijk Contact iets te schrijven over het gebed vóór en na de dienst in de consistoriekamer. Mijn briefschrijver had eigenlijk nooit goed begrepen waarvoor dat gebed diende, want in de gemeente waarvan hij ambtsdrager was geweest hadden de ouderlingen de gewoonte om in hun gebed voor alles en nog wat, zoals hij schreef, te bidden, bijv. voor de zieken en allen die niet naar de kerk konden of wilden komen, voor alle arbeid in Gods Koninkrijk, enz., en tenslotte ook nog voor de dienaar des Woords die gereed stond het Woord te verkondigen. De inhoud van het zgn. ”grote gebed” op de preekstoel had, zo liet onze broeder zich uit, ongeveer dezelfde inhoud als het gebed van de ouderlingen in de consistorie. Hij vond één en ander toch ietwat vreemd en daarom verzocht hij mij iets over het gebed in de consistoriekamer te schrijven.

Gaarne voldoe ik aan dit verzoek, maar ik voeg er onmiddellijk aan toe dat ik dit maar kort zal doen. Er is al heel veel over het gebed vóór en na de dienst geschreven en gesproken, maar voorzover ik kan nagaan is dit het breedvoerigste gedaan door dr. Ph. J. Huijser in zijn boek ”De ouderling en de prediking”, Kampen 1959. Hij schrijft daarover van blz. 161 tot en met blz. 173, in welk artikel hij o.a. verschillende auteurs noemt die hetzelfde onderwerp behandelen. Wij laten dat verder rusten en geven nu in het kort onze gedachten weer.

De oorsprong van het gebed in de consistorie ligt in het duister. Niemand weet wanneer de gewoonte om vóór en na de dienst een gebed in de kerkeraadskamer te doen is opgekomen. Onze gereformeerde vaderen hadden in elk geval deze gewoonte niet. Als zij deze gewoonte wél hebben gehad, dan zouden wij daaromtrent zeker door schrijvers als Voetius, Koelman e.a. zijn ingelicht. Maar dezen zwijgen er over, ook bij de behandeling van de kerkgebeden. Hieruit mag, zo is het algemeen gevoelen, de conclusie getrokken worden dat deze gewoonte bij hen niet bestond. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid mag worden aangenomen dat de gewoonte om vóór en na de dienst in de consistorie te bidden is opgekomen bij de Afgescheidenen in de vorige eeuw, toen hun samenkomsten meer dan eens uit elkaar werden gejaagd door de sterke arm der overheid en men vanzelfsprekend de behoefte gevoelde in een gebed vóóraf de Here te vragen dat alles rustig en ongestoord mocht verlopen en om in een dankgebed te danken voor de zegen dat alles ongestoord was verlopen, indien dit namelijk het geval was. Zo is waarschijnlijk het gebed in de consistorie ontstaan en tot een blijvende gewoonte geworden, hoewel niet bij alle gemeenten. Hierbij dient nog opgemerkt te worden dat men ook in orthodox-hervormde gemeenten, althans in sommige, deze gewoonte heeft overgenomen.

Het gebed vóór en na de dienst heeft o.i. een ambtelijk karakter. Dit wordt door verschillende schrijvers ontkend, maar o.i. heeft het dit karakter wel omdat het gebed uitgesproken wordt in opdracht van de kerneraad. Aan de gewoonte om zulk een gebed te doen ligt toch altijd een kerkeraadsbesluit ten grondslag, naar ik meen.

De inhoud van het gebed heeft betrekking op het goede en ordelijke verloop van de kerkdienst die gehouden staat te worden en om God te vragen de dienaar des Woords te sterken en te bekwamen tot de taak waartoe hij geroepen wordt. Een gebed voor ”alle nood der christenheid”, voor de zieken enz., enz., is hier niet op z’n plaats. Dáárvoor gaat straks de dienaar des Woords bidden op de kansel. Nog minder dient zulk een gebed om ”steken onder het water” te geven aan het adres van de predikant ! Dáártoe mag men het gebed niet verlagen. Als men kritiek op de predikant heeft zijn er andere wegen om zulks naar voren te brengen.

Het gebed in de consistorie zij kort. Lange gebeden verwekken dikwijls ontstemming en werken daarom ont-stichtend. Ds. J. Timmer schreef eens: ”In één van de gemeenten, die ik heb gediend, is ’t wel eens gebeurd dat er zó lang gebeden werd in de kerkeraadskamer, dat we bijna 10 minuten te laat in de kerk kwamen. De mensen zaten met ongeduld te wachten. Er waren er, die dachten, dat er in de kerkeraadskamer iets aan de hand was. Ik herinner mij het verhaal van een ouderling op de Veluwe, die zó lang bad, dat de Dienaar des Woords na het beëindigen van het gebed tot hem zeide: Dieve broeder, de gebeden van David, de zoon van Isaï, hadden een einde, maar aan uw gebed kwam vanmorgen haast geen einde”. De Waarheidsvriend, 9 nov. 1950. Er zouden meer illustraties te geven zijn ! Nogmaals, het gebed zij kort. Het dient te zijn een gebed om sterkte voor de predikant, om orde en rust, om des Heren tegenwoordigheid, om een zegen op de bediening van Woord en/of Sacrament, om de verheerlijking van Gods Naam door de dienst die gehouden zal worden. Zulk een kort, zakelijk en vooral hartelijk gebed wordt door de dienaar des Woords, die zich diep afhankelijk weet, van harte begeerd en op hoge prijs gesteld !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.