+ Meer informatie

De Christinnereis is voor jong en oud

7 minuten leestijd

30.

Zo hadden zij dan het einde van deze weg der beproeving bereikt tot eer van de Heere en tot beschaming van de vijand. En nu moesten zij nog de spelonk voorbij waar de Pelgrim ook langs was gekomen. Daar kwam nu, waarop men niet in het minst gerekend had, een reus uit tevoorschijn, wiens naam was Moker.

Deze Moker had het er op toegelegd jonge mensen te lokken in de strikken van een valse wijsbegeerte. Hij kende Stoutmoedig bij naam en riep hem toe: „Hoe dikwijls heb ik u verboden deze dingen te doen?”

„Welke dingen?” vroeg Stoutmoedig.

„Welke?” schreeuwde de reus. „Dat weet gij maar al te goed, maar ik zal er nu voor immer een einde aan maken!”

Om te beven, daar Moker het gemunt had op jonge mensen wier aangezicht gekeerd is naar Sion, om wijs te mogen worden tot zaligheid. Hij stelde met een geweldige handigheid de valse wijsbegeerte, een godsdienstige beschouwing, die afkerig is van de innerlijke beleving, de verborgen omgang met God, op de voorgrond. Zodra men de godsdienstige beschouwingen van die valse wijsbegeerte voor het ware gaat houden, zweeft men over de werkelijkheid van de innerlijke beleving heen, waarvan zo duidelijk gesproken wordt in de Schrift.

Hier wordt het ons dan ook op het hart gebonden dat men met de lamp van beschouwing in de duisternis komt te staan, om verwezen te worden naar de buitenste duisternis daar de olie in het vat des harten ontbreekt. Moker zoekt al het goede en dat is de innerlijke beleving des geloofs, in puin te slaan.

„Maar”, zei Stoutmoedig, „laten wij voor wij beginnen uitmaken, waarvoor wij moeten vechten”.

Gedurende deze woordenwisseling stonden de vrouwen en kinderen te beven en wisten niet wat te doen. Steeds meer kwamen zij hun gids in zijn leiding en onderwijzingen te waarderen. Was hij er eens niet bij geweest. Maar dat wist de Heere wel! Het was Hem zeer wel bekend, dat deze vrouwen en kinderen tegen de mokerslagen van deze valse wijsbegeerte niet waren opgewassen. De wijsheid van Stoutmoedig was niet van beneden, vanuit de mens, maar van boven, van de opperste Wijsheid.

„Nu dan”, schreeuwde Moker met de brutaliteit van het ongeloof, „gij berooft het land en wel met de zwaarste roof!”

„Dat zijn slechts algemeenheden”, betuigt Stoutmoedig, „maar noem nu eens bijzonderheden”.

„Als gij het weten wilt”, riep de reus uit, „gij zijt een kinderdief; ja, vrouwen en kinderen weet gij te vangen en dan voert ge ze mee naar een vreemd land, en zo verzwakt gij het rijk van mijn vorst!”

„Maar nu heb ik u te zeggen”, gaf Stoutmoedig ten antwoord, „dat ik een dienstknecht ben van de God des hemels, en dat het mijn werk is zondaars te roepen tot bekering, en geen poging onbeproefd te laten om mannen, vrouwen en kinderen te roepen uit de duisternis tot het licht, en van de macht des satans tot de vrijheid der kinderen Gods. Indien gij daarover met mij strijden wilt, laat ons dan aanvangen, hoe eer hoe liever”.

Uit kracht van de Goddelijke opdracht brandt het hart van Stoutmoedig van liefde tot onbekeerden. Tot mensen, die het leven der genade missen en nog zijn in dienst van zonde, satan en ongeloof. Hij predikte de noodzakelijkheid van de waarachtige bekering, de droefheid naar God, die daarvan de werkende oorzaak is door wederbarende genade. In de prediking van het Evangelie komt de Heere tot zorgeloze en goddeloze zondaren, want dat is het zaad der wedergeboorte, waaruit alleen de Heilige Geest door Zijn onwederstandelijke werkingen het nieuwe leven der genade kan verwekken en verwekt tot op de dag van heden, tot instandhouding van de kerk.

Nu trad de reus naar voren en Stoutmoedig ging hem tegemoet; hij met uitgetrokken zwaard, maar de reus met een knots. Terstond vielen zij op elkander aan, en met de eerste slag van de reus viel Stoutmoedig op één knie ter aarde. Dat ziende, begonnen de vrouwen en de kinderen van vreze te wenen, maar in minder dan geen tijd was Stoutmoedig weer op de been en sloeg zo dapper op de vijand in, dat hij hem een wond aan de arm toebracht. Zo hielden zij de strijd een uur lang vol, en wel met zulk een vuur, dat de damp, die de reus uit zijn neusgaten blies, geleek op de wasem uit een kokende ketel.

Eindelijk waren zij genoodzaakt enige tijd te rusten, maar Stoutmoedig nam de toevlucht tot het gebed. Ook deden de vrouwen en kinderen niets anders dan zuchten en bidden zolang de strijd duurde.

Daarvan was bij Moker geen sprake. Hij had rust nodig om in zijn hart het vuur van haat en vijandschap tegen het leven der genade en de prediking van het Evangelie wat op te stoken.

Maar bij de oprechten was het een roepen tot de Heere, een smeken om ontferming, opdat zij staande zouden mogen blijven tegenover de oppervlakkige leer van een godsdienstige beschouwing. Het ondergaan in die valse wijsbegeerte was voor hen het allerergste.

Toen de strijders wat gerust hadden en weer op adem waren gekomen, vielen zij elkander opnieuw aan en nu velde Stoutmoedig zijn tegenpartij met één slag ter aarde.

„Geef mij tijd om weder op te staan!” schreeuwde deze. Maar van het schreeuwen tot de Heere was bij Moker geen sprake. Met al zijn godsdienstige beschouwingen stond hij niet in dienst van de Heere. Zijn godsdienst was een godsdienst vanuit de mens, daar kon hij niet mee komen bij de Heere.

En toch gunde Stoutmoedig de reus werkelijk een ogenblik tijds om weer op de been te komen. Zeker van zijn overwinning, gaf Elia de dienaren van Baal ook ruimschoots tijd om hun strijd te strijden tegenover de God van Israël, opdat de overwinning des te heerlijker zou zijn. En dat voetspoor wordt ook gevolgd door Stoutmoedig.

En nu begon de strijd zo fel te worden, dat het weinig scheelde of de reus had Stoutmoedig de schedel verbrijzeld. Met de moed der wanhoop riep de reus al zijn krachten saam om voor zijn principe, dat zijn afkomst heeft vanuit de hel, de beslissende slag te leveren tot vreugde van allen, die het waren toegedaan. Maar Stoutmoedig stormde met vernieuwde kracht op hem in en wist hem behendig het zwaard onder de vijfde rib te steken. Door bloedverlies uitgeput, zonk de reus ter aarde en de kracht begaf hem om de knots langer vast te houden. Met een volgende slag scheidde hij het hoofd van het lichaam en nu ging er een vreugdekreet uit de mond der vrouwen en kinderen en allen tezamen dankten God voor de hun geschonken verlossing.

Toen dit geschied was, sloegen zij een paal in de grond en nagelden daaraan het hoofd van de reus, terwijl zij met grote letters daaronder schreven:


Hij, die dit hoofd droeg op zijn leên,
Deed vaak de pelgrims kwaad,
Hij hield hen tegen, spaarde er geen,
En heeft hun veel geschaad.


Tot ik, Stoutmoedig, eind’lijk kwam,
De pelgrims fel geplaagd,
Ten leidsman en de macht benam
Hem, die hen had belaagd.


Maar denk nu niet dat het reuzengeslacht Moker daarmee van de aarde is verdwenen. Het is een geslacht dat niet uitsterft, het blijft de oprechten kwellen tot aan het eind der dagen. Christus is door het geslacht van de valse wijsbegeerte genageld aan het kruis en daarmee heeft Hij onze verlossing uit die helse greep verworven. In Zijn kracht is het mogelijk dapper te strijden tegen het helse mokergeslacht tot behoud van de leer die naar de godzaligheid is.

Nijkerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.