+ Meer informatie

Geselsie uit Suid-Afrika

3 minuten leestijd

Voor het eerst sinds m'n verblijf in Zuid-Afrika ben ik in de binnenstad van Johannesburg geweest. Eigenlijk is het maar een klein eindje bij ons vandaan, nog geen veertig kilometer. Nee, de afstand is niet de reden dat ik er nog nooit was. Het centrum van Johannesburg heeft namelijk een reputatie waar die van een Amsterdamse achterbuurt nog redelijk gunstig bij is. Was het niet dat we erheen verwezen waren door de chef van een meubelzaak -zijn filiaal had niet wat we zochten- dan hadden we er ons nooit vertoond. Het is een drukke zaterdagochtend. Het verkeer schuifelt door de toch ruime straten. Wonder boven wonder vinden we snel een plekje voor de auto en met gemengde gevoelens laten we hem achter. Hopelijk vinden we hem net zo blinkend ongeschonden terug. Te voet doorkruisen we een paar winkelstraten, waar het in de meest letterlijke zin van het woord zwart ziet van de mensen. Het is moeilijk om een schatting te maken, maar het is denk ik niet overdreven te stellen dat er duizenden mensen lopen, maar we hebben hooguit tien, vijftien blanken gezien. Op de brede trottoirs zitten verkopers zij aan zij. Groente- en fruithandelaartjes zijn er het meest, hun koopwaar keurig uitgestald op bordjes - tien bordjes met een paar uien elk, twintig bordjes met een aantal aardappelen, bordjes met een tros druiven of mandarijnen of tomaten. En de buurman doet precies dezelfde handel, alleen hebben zijn bordjes een andere kleur. Om de paar honderd meter zit iemand met een kappersmodellenboek. Je zoekt een kapsel uit en je wordt naar de "kapper" geloodst: een man met een kam, een schaar en tondeuse. Zijn salon is een tentje zonder voorkant zodat iedereen zijn knipkunst bewonderen kan. De afgelopen nacht is het koud geweest. Misschien is er daarom midden op het trottoir een vuurtje rond een lantaarnpaal gestookt. Maar het is waarschijnlijker dat een aantal zwarten een feestmaal heeft klaargestoofd, want naast en in de ashoop ligt een berg losse rommel en nog een zak vol afval ook. De binnenstad verpaupert. Een jaar of vijf geleden zag het er heel wat netter uit, vertelt m'n schoonzus die ook bij ons is. In die tijd werkte zij in een van de vele kantoren in deze buurt. De statige, vaak oude gebouwen staan in schrille tegenstelling tot de chaotische aanblik van de sypaadjes (trottoirs). Op werkdagen schijnt het minder rommelig te zijn, maar nu biedt het geheel bepaald geen opwekkende aanblik. Ondanks alles voel ik me in het minst niet bedreigd. De mensen kijken soms even verwonderd op: Hé, een witmens. Maar van vijandigheid of roofzuchtigheid merken we niets. In het stadsdeel waar hotels, bars en aanverwante zaken geconcentreerd zijn, ligt dat anders. Daar kun je een gewapende wacht meekrijgen als je de straat op gaat en dat is echt geen overbodige luxe. Wij vinden echter onze auto zonder deuken en nog met radio terug. En als ik thuiskom bedenk ik pas dat ik voor onze binnenstad-expeditie wel eens m'n gouden tientje had mogen afdoen voor een ander me een handje hielp. Maar gelukkig heeft niemand daar een poging toe gedaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.