+ Meer informatie

Voor de jeugd

9 minuten leestijd

Beste Jongelui!

We hebben tot nu toe steeds gesproken over „werken op de rustdag”. Dat klinkt natuurlijk een beetje eigenaardig. Want als er over een „rustdag” gesproken wordt, wie denkt er dan aan „werken”? Maar jullie zullen wel begrepen hebben, wat we met werken op de rustdag bedoelen. Het ziet natuurlijk op een werken in de dienst des Heeren. En dan is er genoeg te doen. De zondag is echt niet tot een ezelsdag gegeven, die luie mensen op één oor liggende, naar hün genoegen zouden kunnen doorbrengen.

Toch moet er op de rustdag ook „gerust” worden. Gerust van de dagelijkse arbeid, die tot het noodzakelijke dient beperkt te worden. Want er is en blijft altijd arbeid, die ook op de zondag doorgang moet hebben.

Toch is het opmerkelijk dat in de Heid. Cat., die we tot nu toe gevolgd hebben, er helemaal niet gesproken wordt over de gewone dagelijkse arbeid, of het rusten daarvan. Er wordt wel over een ander rusten gesproken. Hoor maar: „ten andere, dat ik alle de dagen mijns levens van mijn boze werken ruste, den Heere door Zijn Geest in mij werken late, en alzo den eeuwigen Sabbath in dit leven aanvange.”

Er is dus op de rustdag veel te doen, maar er moet ook veel gelaten worden.

We moeten op de rustdag rusten van onze boze werken. En dan niet alléén op de rustdag, maar al de dagen van ons leven. Boze werken mogen dus nóóit worden gedaan. Des zondags niet, maar des maandags ook niet.

En wat zijn nu boze werken?

Boze werken staan hier tegenover goede werken. Goede werken zijn dan goed, wanneer ze geschieden uit een waar geloof, naar de wet van God en tot Zijn eer. Boze werken hebben precies de tegenovergestelde kenmerken. Want die werken zijn boos, die niet uit het ware geloof voortkomen. „Zonder geloof is het onmogelijk om God te behagen”, (Hebr. 11 : 6). Werken die niet geschieden naar de wet van God, dat is naar de wil van God, die zijn ook boos. Want het is altijd het één of het ander. Als ik de wil des Heeren niet volbreng, dan doe ik de wil van de boze. Wie niet voor Mij is, die is tegen Mij heeft de Heere Jezus eens gezegd. Een weg daar tussen door bestaat niet. Zo is het ook met dat derde kenmerk. Alles wat gebeurt wil het het stempel van Gods goedkeuring ontvangen moet geschieden tot eer van God. Dat staat ook in de bijbel. „Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al tot eer van God”, 1 Cor. 10 : 31.

Heel veel werken, waarom wij door mensen geprezen worden, komen, wanneer wij er mede voor het aangezicht des Heeren verschijnen, op de vuilnishoop terecht. Want „al wat uit het geloof niet is, dat is zonde”, Rom. 14 : 23.

Jullie gevoelen wel, dat, als het nu zo opstaat, je echt niet klaar bent met te zeggen: Je mag ’s zondags dit niet doen, en je mag ’s zondags dat niet doen, je mag ’s zondags bijna niets doen. Want als je het zo wilt gaan stellen, dan kom je op de lijn van de farizeërs terecht, die het precies hadden uitgerekend, wat op de sabbath wel en wat niet geoorloofd was. Er zijn ook nu nog heel wat mensen, die op de zondag naar een bepaald lijstje leven — de andere dagen van hun leven tellen minder zwaar — en als ze dan dat lijstje maar zo getrouw mogelijk nakomen, dan geeft men zichzelf nog wel geen tien voor het heiligen van de sabbath, maar toch wel een „voldoende”. En als je dan, met al je zogenaamde goede werken, nog afgekeurd wordt en uit des Heeren mond moet vernemen, dat al je „gerechtigheden” een wegwerpelijk kleed zijn, dat valt echt niet mee. Ik kan best begrijpen dat die oudste zoon, uit de gelijkenis, kwaad werd. Hij had nog nooit zijns vaders gebod overtreden, en toen zijn jongste broer thuis kwam, die in zijn ogen toch maar een slampamper was, werd hij onthaald alsof hij ik-weet-niet-wie-wat meebracht. Dat is toch… laten we eerlijk wezen.

„Dat ik al de dagen mijns levens van mijn boze werke ruste”. Dat gebiedt God in het vierde gebod. En dat gebod van God eist „gehoorzaamheid”. Als dat recht op jullie afkomt, dan zou het mij niet verwonderen als je zoudt zeggen: Wie kan dan zalig worden? Deze vraag stelden de discipelen ook eens aan de Heere Jezus, na het gesprek met die rijke jongeling. En toen was Zijn antwoord: Zalig worden is bij de mensen onmogelijk. Ja. Maar gelukkig, wat bij mensen onmogelijk is, dat is mogelijk bij God. Hij is een almachtig Wezen. En Hij maakt het bij Zijn kinderen zo, dat ze in beginsel toch naar Zijn wil gaan leven. Hoewel de allerheiligste, zolang hij in dit leven is, maar een klein beginsel heeft van deze „nieuwe gehoorzaamheid”. En als dat beginsel leeft, want dat kan ook nog zo verschillend zijn, dan is het hun lust, om al de dagen van hun leven, van al hun boze werken te rusten. Zij zouden dan heilig willen leven. De zonden — boze werken, woorden en gedachten —, nooit meer willen doen. Doch al willen zij nu van al hun boze werken rusten, zo laten de boze werken hen niet met rust. Dat wordt dan voor zo iemand een kwellende aangelegenheid. Begrijpen jullie dat?

Wanneer iemand, waar je toch niet van houdt en die je liever nooit meer zag, je niet met rust laat en iedere keer weer voor je aandacht treedt, dat is, op z’n zachtst gezegd, erg vervelend. Je kimt dan de verzuchting wel eens slaken: Hoe kom ik daar ooit van af? Die zucht kennen nu ook degenen, die lust hebben leren krijgen om de Heere te vrezen, in geestelijk opzicht. Zij zeggen dan: Wanneer zal ooit die tijd nog eens aanbreken, dat ik van alle boze werken voor goed zal mogen rusten. Dat ik nooit meer zal behoeven te zondigen, dat ik altijd tot eer des Heeren zal mogen leven, dat ik altijd de eer des Heeren zal mogen bedoelen? Als jullie die verzuchting ook kennen, dan feliciteer ik je. Want dât komt niet uit de natuur des mensen voort. Want de mens van nature — zoals hij geboren is — bedoelt altijd zichzelf. Doch, die uit God geboren is, gaat God bedoelen. Al is het dan maar bij tijden en ogenblikken.

O zeker, dat zou altijd zo moeten zijn, al de dagen van hun leven. En dat het nu niet altijd zo is, komt voort uit de oude mens, dat is dat onwedergeboren deel in de wedergeboren mens. Dat is, zoals de bijbel het noemt, het „vlees”. En het vlees onderwerpt zich der wet Gods niet. Het kan ook niet. Want het vlees is tot niets nut. Het vlees beërft ook het koninkrijk Gods niet. Dat gaat straks het graf in. Dan mogen degenen die God lief hebben leren krijgen, van al hun boze werken rusten. Wat zal dat een rust zijn. Je wordt dan nooit meer nagezeten door boze werken, woorden of gedachten. Gewis, er blijft een rust over voor het volk van God. Hebr. 4 : 9.

Er staat nog meer. We moeten de Heere door Zijn Geest in ons laten werken. Dit moet niet zo worden verstaan, alsof de mens het in zijn macht zou hebben, om de geest al of niet in zicht te laten werken. De Heilige Geest zou dan afhankelijk, ondergeschikt zijn aan de welwillendheid van de mens. Wie het zo stelt, komt op de remonstrantse lijn terecht. En daar moeten we ook niet wezen. Want dan wordt het schepsel verheerlijkt en niet de Schepper.

Het gaat hier over de ware gelovigen. De Heid. Cat. is een „geloofsbelijdenis”. Het gaat over mensen, die de Heilige Geest hebben ontvangen. En die Geest mag niet worden tegengestaan. Dat is de bedoeling van deze zin. Hij moet in het leven van Gods kinderen de ruimte hebben. Wanneer Hij dat krijgt, onder beding van Gods genade — want alle mensenwerk valt hier buiten — dan werkt die Geest ontdekkend. Hij laat zien, dat de zondaar van al datgene wat God gebiedt te doen op Zijn dag, ja al de dagen van zijn leven, niets terecht brengt. En dat maakt nu de Heere Jezus zo noodzakelijk, Die al de dagen Zijns levens van boze werken heeft gerust. Hij heeft nooit iets onbehoorlijks gedaan, gesproken of gedacht zelfs. En nochtans is Hij gekwalificeerd als Iemand, die de sabbath niet heeft gehouden. Ook dáárom is Hij veroordeeld geworden, opdat zondaren in het gericht Gods ook van die zonden zouden kunnen worden vrijgesproken. Wanneer nu de zondaar door het geloof, hetwelk de Heilige Geest in het hart werkt, op de Volbrenger van het sabbathsgebod mag zien, Die tevens al de schuld van Zijn volk heeft betaald, dan geeft dat „rust” in de ziel. Dit te beleven, is de eeuwige sabbath in dit leven aanvangen. Het is dan hier een aanvangen, beginnen, om het straks, eeuwig, volmaakt Boven voort te mogen zetten. Dan mag men eeuwig rusten van alle kwaad, om dan eeuwig te rusten in God. Dat is eeuwig een zalige, zoete vrede te genieten, die dan nooit meer verstoord kan worden.

Jongens en meisjes, ik moet weer gaan eindigen. Ik heb natuurlijk lang niet alles gezegd, wat hier gezegd zou kunnen worden. De ene gedachte, die wordt neergetikt, doet steeds weer andere gedachten opkomen. Misschien zijn er bij jullie verschillende vragen onbeantwoord gebleven. Mogelijk ook zijn er onder het lezen van deze artikelen, nieuwe vragen gerezen. Ik hoop echter dat hetgeen geschreven is, tot lering en bekering zal mogen strekken. De Heere kan het daartoe gebruiken. En dat is en blijft de wens van jullie aller vriend

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.