+ Meer informatie

RONDOM DE TOEEIGENING DES HEILS

29 minuten leestijd

Vooral wil ik twee opmerkingen maken. De eerste is, dat in deze inieiding uiteraard niet alle aspecten van de toeëigening des heils aan de orde kunnen komen. Bij de keuze die ik moest maken, heb ik mij vooral laten leiden door een aantal vragen die mij zijn voorgelegd door het comité dat deze conferentie heeft georganiseerd. In de tweede plaats wil ik erop wijzen, dat ik mijn inleiding wil toespitsen op de situatie binnen onze kerken. Het is mij er dus niet zozeer om te doen na te gaan hoe de toeëigening functioneert binnen andere kerken. We richten de blik vooral naar binnen.

Het is van belang om elkaar aan het begin van deze vergadering eraan te herinneren wat we nu eigenlijk met die uitdrukking “ toeëigening des heils” bedoelen. Ik zet enkele definities uit onze kring naast elkaar: “Bij de toeëigening van het heil gaat het speciaal om het antwoord op de vraag hoe de mens deel krijgt en houdt aan het heil. We kunnen ook zeggen: welke ervaringen de Heilige Geest de mens die in het heil gaat delen en die daarin blijft delen, doet doormaken”1. En een andere omschrijving luidt: “Onder de toeëigening des heils verstaan we het werk van Gods Geest, waardoor zondaren in het bezit komen en blijven van de verlossing die Christus heeft verworven”2. In deze omschrijvingen horen we de elementen doorklinken die ook in onze belijdenis te vinden zijn. Daarbij stellen we wèl vast dat onze confessie op dit punt een dubbel accent legt. Het eerste is dat de Heilige Geest de gelovigen de verlossing die Christus verworven heeft, deelachtig maakt (d.w.z. Hij doet hen in die verlossing delen). Het tweede accent is dat de gelovige zich dat heil ook door het geloof toeëigent3. We zouden dat zó kunnen samenvatten: bij de toeëigening van het heil gaat het om het werk van de Geest in het hart van de gelovige èn over zijn of haar geloofservaring of geloofsbevinding.

Een bijbels begrip?

Iemand zou hierbij de vraag kunnen stellen: er is inderdaad over dit onderwerp wel een en ander in de belijdenis te vinden, maar ik kom het hele woord “toeëigening” in de Bijbel niet tegen! Is het eigenlijk wel een bijbels begrip? Nu moeten we met het stellen van dit soort vragen wel op onze hoede zijn: zulke formuleringen kunnen namelijk maar al te gemakkelijk de indruk wekken dat wij een spanning, of zelfs een tegenstelling aannemen tussen onze confessie en de Bijbel. En dat kan de bedoeling niet zijn, aangezien de meesten van ons bij herhaling hun handtekening gezet hebben onder de zinsnede, “dat wij van harte gevoelen en geloven, dat al de artikelen en stukken van de leer, in de Drie formulieren van enigheid begrepen, in alles met Gods Woord overeenkomen”4. Uiteraard geldt dat ook voor wat de belijdenis zegt met betrekking tot de toeëigening des heils. Natuurlijk wil ik met deze opmerking niet zeggen dat de vraag niet legitiem zou zijn. Integendeel, juist omdat we van oordeel zijn dat de confessie in alles met Gods Woord overeenkomt, mogen we haar ook bevragen op haar bijbels gehalte!

Hoe zit het dan met dit punt van de toeëigening; komt dat in de Bijbel voor? Wie het woord in de Schrift wil vinden, zoekt dat inderdaad tevergeefs. “Toeëigenen” en “eigen maken” komen tenminste in de concordantie die ik gebruik, niet voor. Nu zegt dat op zichzelf nog niet zoveel. Er worden wel meer uitdrukkingen in kerk en theologie gebruikt, die we zó in de Schrift niet aantreffen. Ik denk bijvoorbeeld aan termen als “Drieëenheid”, “één Wezen en drie Personen”, “voorzienigheid” enz. Dergelijke uitdrukkingen hebben hun waarde, omdat daarmee een heel complex aan bijbelse gegevens kort kan worden aangeduid. Uiteraard moeten we er daarbij wèl nauwlettend op toezien dat dergelijke woorden een bijbelse invulling krijgen en blijven behouden. Dat geldt ook voor de uitdrukking “toeëigening des heils”.

Nu is het zeker mogelijk om vanuit de Schrift te laten zien, hoe de Heilige Geest zondaren doet delen in het heil dat Christus verworven heeft. Dat zou bijvoorbeeld kunnen gebeuren door na te gaan wat de Bijbel zegt over elk van de aspecten van de toeëigening die in de nota van de synode uit onze belijdenis zijn bijeen gelezen. Het zou dan met name moeten gaan over dingen als: schenking en deelachtigmaking, de verhouding Geest en Woord, wedergeboorte, de “drie stukken” enz. Hoe nuttig - en nodig -dat ook mag zijn, het zal voor iedereen duidelijk zijn dat het volstrekt ondoenlijk is om in een inleiding als deze al die facetten uit te werken. Wellicht is het mogelijk dat iemand ons bij een andere gelegenheid daarmee kan dienen.

Het kader van het verbond

Een andere vraag is hoe het thema van de toeëigening zich verhoudt tot het verbond van God. Bestaat er tussen die beide eigenlijk geen spanning? We komen namelijk in de meer bevindelijke kringen mensen tegen die veel en soms ook heel lang worstelen met de vragen rond de toeëigening. In kringen waarin veelmeer op de vastheid van Gods beloften gewezen wordt, waarop men zich gelovig mag verlaten, lijken deze vragen toch minder te leven. Komt dat inderdaad omdat er een spanning is tussen de vragen rond de toeëigening van het heil en het verbond van God? Tegenover deze gedachten zou ik het volgende willen opmerken: waar het verbond in prediking en pastoraat schriftuurlijk functioneert, moet de zaak van de toeëigening juist aan de orde komen. Ik zou dat duidelijk willen maken aan de hand van een bekend citaat van Calvijn. Het is te vinden in zijn commentaar bij Genesis 17: 7. Hij schrijft daar:

“Daarom wordt ons hier duidelijk dat er twee soorten kinderen in de kerk zijn: omdat het geheel van het volk door één en dezelfde stem in de schaapskooi van God wordt bijeen vergaderd, worden allen zonder uitzondering in dit opzicht als kinderen beschouwd en is de naam gemeente op hen allen tezamen van toepassing. Maar in het verborgen heiligdom van God worden geen anderen als kinderen van God beschouwd dan degenen in wie de belofte door het geloof bevestigd is. En hoewel dit verschil voortvloeit uit de bron van de genadige verkiezing, waaruit ook het geloof zelf ontspringt, onderscheiden wij de ware kinderen van God van hen die dat niet echt zijn, door de kenmerken van geloof en ongeloof, aangezien de raad van God voor ons verborgen is”5.

Er is dus binnen het ene verbond sprake van tweeërlei kinderen des verbonds. Alle verbondskinderen leven onder de beloften en eisen van het verbond. Maar sommigen hebben door het geloof de belofte ingewilligd en anderen niet. Dat betekent dat deze bijbelse visie op het verbond onmiddellijk de vragen naar de toeëigening met zich meebrengt. Hoe leren we de belofte door het geloof omhelzen? Wat zijn die kenmerken van geloof en ongeloof, waarover Calvijn het heeft. Zo krijgt de zaak van de toeëigening ook een geweldig gewicht. Het gaat hier immers om het al of niet delen in de schatten van het heil, dat in het verbond wordt toegezegd! Daar kan en mag de prediking in de verbondsgemeente niet aan voorbijgaan.

De prediking en het hart

Er is nog een andere reden waarom de toeëigening van het heil een centrale plaats in de prediking dient in te nemen. Die ligt in wat de Schrift zelf over de verkondiging van het Woord zegt. God wil immers in het bijzonder de prediking van het evangelie gebruiken om mensen tot het geloof te brengen (vgl. vr. 65 H. C.). Dat houdt in dat de prediker geroepen is de boodschap zo dicht mogelijk aan de harten van de hoorders te leggen. In het klassieke formulier voor de bevestiging van dienaren des Woords, wordt dat onderstreept, wanneer gezegd word dat hij het Woord “aan zijn volk niet alleen zal voordragen, maar ook behoort toe te eigenen (= toe te passen)”. Het is wellicht goed om dat hele gedeelte te lezen:

“Het ambt van de herders of dienaren des Woords is: eerstelijk, dat zij des Heeren Woord, door de Schriften der profeten en apostelen geopenbaard, grondig en oprechtelijk aan hun volk zullen voordragen en het toeëigenen, zo in het gemeen, als in het bijzonder, tot nuttigheid der toehoorders, met onderwijzen, vermanen, vertroosten en bestraffen, naar eens iegelijks behoefte, verkondigende de bekering tot God en de verzoening met Hem door het geloof in Jezus Christus”.

Deze taal is door en door bijbels. In het Nieuwe Testament is volstrekt duidelijk dat de prediking verkondiging is van Jezus Christus en Die gekruisigd. Maar die heilsboodschap is met grote nadruk gericht op het hart van de zondaar. De Heere Jezus Zelf heeft na Zijn opstanding de apostelen - en in hen heel Zijn kerk - opgedragen dat “in Zijn Naam gepredikt (zou) worden bekering en vergeving der zonden” (Luk. 24 : 47). Hier wordt de persoonlijke, geestelijk spits van de prediking duidelijk aangegeven. En de hervormde ds. C. den Boer tekent dan ook volkomen terecht bij deze tekst aan:

“Daarmee (nl. met de woorden “bekering en vergeving der zonden”) zijn ook al de vragen van de zgn. heilstoeëigening gegeven. Het valt mij op, dat er op dit punt heel wat watervrees onder ons is. Vrees voor een piëtistische overwoekering van het objectieve heil door de toeëigeningsvragen. Ik denk echter, dat er bij onze gemeenteleden nogal eens sprake is van teleurstelling als zij van de man op de kansel nooit merken, dat hij hun aanvechtingen, hun twijfel en strijd kent en erin afdaalt. Trouwens, ook al zou niemand in onze gemeente erom verlegen zijn om van ons te horen, hoe het werkt, als God de Heilige Geest een zondaar bij Christus Jezus brengt, dan zullen we er toch mee dienen te rekenen, dat een Schriftmatige prediking van bekering en vergeving der zonden de vraagstellingen van de heilstoeëigening schept”6.

Maar, zal iemand vragen, gaat de prediking zo niet helemaal op in de toeëigingsvragen? En er is toch veel meer dan dat? We dienen toch ook vanuit het Woord onderricht te worden hoe we moeten staan in deze wereld? Bovendien mogen we toch ook verwachten dat er in de prediking licht valt over wat in dit tijdsgewricht op ons afkomt? Inderdaad! Maar dat moet dan wel op deze wijze gebeuren: in de prediking zoekt het Woord allereerst het hart van de mens en laat zo ook licht schijnen over ons hele leven in de wereld. Wat meer toegespitst gezegd: wie in de prediking langs het hart van de zondaar - en dat is dus ook langs de vragen rond de toeëigening - heengaat, zegt misschien wel vele en goede dingen over de wereld en wat daarin omgaat. Hij doet echter tekort aan de bijbelse opdracht om in de naam van Christus de bekering en de vergeving tot God te verkondigen!

De vraag is dan natuurlijk wel: hoe moeten de zaken van de toeëigening in de prediking aan de orde komen? Uiteraard gaat het er niet om het woord “toeëigening” in de prediking een “x” aantal keren te noemen. Ik denk dat de meeste predikanten onder ons het woord toeëigening ook maar heel spaarzamelijk gebruiken. Dat is in elk geval in mijn preken het geval. Maar de zaak dient voluit in de prediking te functioneren. Hoe dan? Ik wil een aantal dingen noemen. Daarbij moet ik een keuze maken. Misschien vindt u dat die wat eenzijdig uitvalt. Dat zij dan zo. Ik hoop in elk geval een aantal wezenlijke punten aan te stippen die van belang zijn voor onze bespreking.

Ontdekkende prediking

In de eerste plaats wil ik erop wijzen dat een prediking waarin de toeëigening functioneert een ontdekkend karakter draagt. In het bezinningsstuk over de toeëigening van het heil wordt dat zijdelings aangeroerd als het in verband met de “drie stukken” gaat over de kennis van de ellende7. Uit onze eigen kerkelijke geschiedenis zijn een aantal opmerkelijke uitspraken te noemen waarin de noodzaak van de kennis van ellende nadrukkelijk bepleit wordt. Ik laat hier de citaten volgen die niet in de nota staan afgedrukt. De eerste is een uitspraak van de synode der Christelijke Afgescheiden Gereformeerde Kerk die in 1846 te Groningen werd gehouden. Zij heeft betrekking op de toepassing van de zaligheid.

“6e. Door sommigen is geleerd, dat het niet noodzakelijk is, dat iemand, die opregt tot den Heere de toevlugt zal nemen, alvorens overtuigd worde van zijne schuld en on-magt, volgens de praktijk van den Heidelbergschen Catechismus, maar dat iedereen tot omhelzing van Christus, ook zonder die voorbereiding geroepen wordt. De Vergadering oordeelt: Dat de Heere Jezus nimmer noodzakelijk noch dierbaar kan zijn, tenzij de zondaar eerst door den Heilige Geest overtuigd zij van zijne doemwaardigheid en onmagt, en dat de bovengenoemde stelling aanleiding geeft, om inbeelding voor een opregt geloof te houden. Niemand zal ook tot den Heere Jezus willen komen, dan die alvorens van zijnen ellendigen staat in zich zeiven overtuigd zij, zonder dat wij hierdoor de vrijheid van de werkingen des Heiligen Geestes beperken, maar alleen de gewone wijze zijner werking opgeven, in opzigt tot maat en trap van overtuiging”8.

Vervolgens herinneren we aan een fragment uit het getuigenis van de generale synode van 1953:

“Tevens dat krachtens dit verbond, hoe ellendig wij ook in onszelf ons bevinden, wij een recht hebben om te geloven. Om daarvan gebruik te mogen maken, is het noodzakelijk, dat we in de bevindelijke weg leren, dat we God kwijt zijn en van nature in een verbroken werkverbond liggen, dood door de zonden en misdaden en we alleen door een oprecht geloof Christus en al Zijne weldaden deelachtig kunnen worden, waartoe dan ook dit verbond ons de volzalige weg ontsluit”9.

Er kunnen mogelijk vragen rijzen bij de wijze waarop de dingen hier geformuleerd worden. Het is mij echter niet zozeer begonnen om de woorden die hier gebruikt worden. Veelmeer gaat het me om de zaak die hier aan de orde is en die onder ons moet vaststaan. En dat is dat in een Schriftuurlijk-geestelijke prediking de mens buiten Christus in zijn armoede en schuld wordt getekend. Hem dient onomwonden te worden aangezegd dat hij met de gehele wereld voor God verdoemelijk is. Op deze wijze zoekt de verkondiging van het Woord zondaren van hun schuld te overtuigen.

Het luistert hier nauw. Ontdekkende prediking mag niet ontaarden in een voorwaardelijke prediking. Dat gebeurt waar de indruk gewekt wordt, dat iemand eerst zoveel ellendekennis moet hebben, voordat hij de toevlucht tot Christus mag nemen. Zo is het niet! Elke zondaar, wie hij ook is, wordt geroepen om tot Christus te komen in zijn nood, schuld, twijfels, onbekeerlijkheid en ongeloof. Maar ieder die tot Hem komt, leert wel inzien wie hij is voor God en zal zijn schuld voor Hem belijden. Dat gebeurt trouwens niet één keer, maar zal steeds terugkeren en verdiept worden, zodat we het heil in Christus steeds meer nodig hebben.

Daarmee is ook aangegeven dat het ontdekkend element in de prediking nooit op zichzelf mag staan. Prachtig wordt dat op verschillende momenten in onze Heidelbergse Catechismus onder woorden gebracht. Ik denk met name aan vraag en antwoord 115: “Waarom laat ons dan God alzo scherpelijk de tien geboden prediken, zo ze toch niemand in dit leven houden kan? Ten eerste, opdat wij ons leven lang onze zondige aard hoe langer hoe meer leren kennen, en des te begeriger zijn om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken”. Laten we vooral letten op dat woordje “en”. Daaruit wordt duidelijk dat de kennis van zonde geen doel in zichzelf is. Zij wil het verlangen opwekken naar het heil dat in Christus te vinden is. Anders gezegd: in de weg van de kennis van zonde wordt in ons hart ruimte gemaakt voor Christus als Borg en Zaligmaker. Daarom wordt Hij niet geëerd in een prediking, waarin de kennis van zonde op zichzelf staat en het zicht op Christus wordt verduisterd. Maar net zo min is die prediking tot eer van Christus, waarin het ontdekkende element wordt overgeslagen of ontbreekt!

Belofteprediking

In de tweede plaats mag de prediking voluit belofteprediking zijn. Juist een goede bijbelse prediking van de beloften, zal krachtige en toch ook tere geestelijke leiding kunnen geven met betrekking tot de vragen rond de toeëigening. God heeft zijn beloften in de doop betekend en verzegeld. Daarom wordt in die beloften het volle heil dat Christus verworven heeft, aan heel de gemeente toegezegd. We dienen er echter voor te waken de indruk te wekken alsof alle bondelingen nu ook automatisch in dat heil delen. Binnen onze kerken is op verschillende manieren tegen dit gevaar gewaarschuwd. Zo is herhaaldelijk benadrukt dat er een onderscheid gemaakt moet worden tussen de schenking en de deelachtigmaking van het heil. Al zijn die beide ten nauwste op elkaar betrokken, toch is het voluit bijbels om te zeggen dat het heil dat in de belofte geschonken is, door de Geest moet worden toegepast. Wanneer bij andere gelegenheden gewaarschuwd is tegen een vereenzelviging van Woord en Geest, dan heeft dit ten diepste betrekking op dezelfde zaak. Ik kan niet nalaten enkele kernachtige zinnen van wijlen prof. Van der Meiden te citeren:

“Wanneer het Woord gezien wordt als één met den Geest, n.l. zó, dat de Geest Woord geworden is en die Geest altijd werkt, dan heeft een ieder, die het Woord gelooft, alles. Het Woord heeft tot inhoud Gods heilsbeloften, heeft tot inhoud den Christus. Dat Woord is geschonken. Dat Woord is één met den Geest. Ik geloof dat Woord. Dan heb ik alles. Dan heb ik niets te maken met geestelijke ervaring; niets te maken met de vraag of ik wedergeboren ben of niet; dan behoef ik ook niet te staan naar het werk van den Geest in mij en niet te spreken of te preken over Gods doorleidend genadewerk in het hart. (...) De bijzondere werking van den Heiligen Geest met het Woord, wordt (in dit geval - AB) ontkend. Door dit alles krijgen wij een onjuiste prediking over den Persoon van den Geest te horen, en die onjuiste prediking berooft de gemeente van haar troost”10.

Door nadrukkelijk te pleiten voor de bijzondere Geesteswerking door en met het Woord wil Van der Meiden alle automatisme bij de wortel afsnijden. Daarbij is het uiteraard allerminst zijn bedoeling om op deze manier de betrouwbaarheid en de rijkdom van Gods beloften in de schaduw te stellen. Integendeel, hij wil er juist voor waken het belovend spreken van God in zijn bijbelse verbanden te laten staan Laten we bovendien niet vergeten, dat de Heilige Geest, die het Woord persoonlijk aan de harten toepast, ook aan de bondeling wordt toegezegd. Zo staat het immers in het klassieke formulier voor de kinderdoop: “De Heilige Geest (verzekert ons) door dit heilig sacrament, dat Hij in ons wonen en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil, ons toeëigenende hetgeen wij in Christus hebben, namelijk de afwassing onzer zonden en de dagelijkse vernieuwing van ons leven”.

In de prediking dient er dan ook op gewezen te worden, dat God Zijn belofte gegeven heeft als pleitgrond. De Heere betuigt immers in Zijn Woord dat zondaren ootmoedig mogen pleiten op Zijn belofte van genade. We behoeven daarmee niet te wachten tot we de kracht van Gods beloften persoonlijk ervaren hebben. De bekende Engelse puritein John Bunyan schrijft in zijn levensbeschrijving hoe hem dit na zware geestelijke strijd duidelijk werd:

“Door deze verzoeking werd ik ook krachtig van mijn vroegere dwaze gewoonte afgebracht om het woord van de belofte opzij te schuiven, wanneer het in mij opkwam. Want hoewel ik niet die zoetheid en vertroosting uit de belofte kon halen als bij andere gelegenheden het geval was geweest, greep ik als een drenkeling nu naar alles wat ik zag. Vroeger vond ik, dat ik mij niet met de belofte moest inlaten, tenzij ik mij daardoor vertroost voelde. (... Maar) in deze dagen strompelde ik, vaak in mijn grootste zielestrijd, zelfs naar de belofte toe (zoals paarden, die nog vastzitten in de modder, strompelend vaste grond proberen te bereiken), met het vaste voornemen (...): hierop rust en steun ik, en ik laat de vervulling ervan over aan de God des hemels, die haar heeft gedaan”11.

Deze woorden hebben duidelijk een pastorale spits. Zij willen laten zien dat God de belofte nadrukkelijk als pleitgrond voor zondige mensen bedoeld heeft. Daarom doen wij onszelf ernstig tekort als we haar zo niet gebruiken, bijvoorbeeld door eerst te wachten tot die belofte krachtig tot ons hart spreekt. Anderzijds wijst Bunyan er ook op dat wie zich nu werkelijk door het geloof op de belofte verlaten mag, haar kracht wel zeker in zijn leven ervaren zal. Daar staat de belovende God Zelf voor in!

In dit verband moeten we zeker ook wijzen op de vastheid en de volheid van de verbondsbelofte. In de verbondsafspraken ligt namelijk alles vast wat voor leven en sterven nodig is. In de belofte liggen alle heilsschatten opgesloten.

“Niets is er in de kerk van Christus, tot in het binnenste heiligdom toe, te bekomen en te bezitten, of het is daar reeds betekend, voorgesteld, toegezegd en onder zegel toegezegd. Wie met de rijkste genade bedeeld dit leven verlaat om in te gaan in het eeuwige leven, die zal terugziende moeten zeggen: ‘Al wat Hij mij gegeven heeft, dat heeft Hij mij aan het begin reeds toegezegd’. (...) De belofte van het genadeverbond bevat, in hoe klein formaat ook gegeven, het gehele geloofsleven van een christen”12.

Daarom mag in prediking en pastoraat juist vanuit de beloften van God geestelijke leiding gegeven worden in de vragen rond de toeëigening van het heil. In Zijn genadige beloften geeft God immers antwoord op allerlei bange vragen die in het hart kunnen opkomen. Als ons geweten ons aanklaagt omdat we tegen de Heere gezondigd hebben, betuigen zij waar vergeving te vinden is. Wanneer wij te strijden hebben met de zonde die in ons woont, wijzen zij aan in Wiens kracht die alleen weerstaan en gedood kan worden. Soms houdt God Zich voor Zijn kinderen verborgen en slaat de angst hen om het hart of ze zich niet bedrogen hebben. Ook in dat geval zullen ze alleen vastheid en zekerheid vinden in “het geloof in de beloften Gods, die Hij in Zijn Woord zeer overvloedig tot hun troost geopenbaard heeft (vgl. D.L. V, 10).

Onderscheidenlijke zielszorg

Het bovenstaande houdt nadrukkelijk in dat de zielszorg in prediking en pastoraat onderscheidenlijk dient te zijn. We behoren rekening te houden met allerlei verschillen die er in geestelijk opzicht tussen mensen kunnen zijn. Nu krijgt iemand die hiervoor het pleit voert, al spoedig het verwijt te horen, dat hij zich bezondigt aan het opdelen van de gemeente in allerlei geestelijke klassen, staten en standen. Als men daarmee bedoelt te waarschuwen tegen een scholastiek-getinte klassificatiemethode, zoals die in de latere periode van de Nadere Reformatie voorkwam, is dat niet ten onrechte. In die tijd waren er inderdaad schrijvers die het geestelijke leven àl te strak en àl te schematisch in vakjes wilden indelen. Maar dat laat onverlet dat het voluit bijbels is om de gemeente onderscheidenlijk te benaderen. Dat dient dan wel te gebeuren vanuit een pastoraal motief. Op deze wijze functioneerde dit principe eigenlijk al in de tijd van de Reformatie. Zo brengt bijvoorbeeld de reformator Martin Bucer in zijn boek onderscheidingen binnen de gemeente aan met het oog op de pastorale zorg. Hij laat zien dat er in de ene kudde verschillende soorten schapen zijn: verloren schapen, dwalende schapen, gewonde of gekwetste schapen, zwakke schapen en schapen die gezond en sterk zijn13. Vanuit de Schrift geeft hij vervolgens aan welke geestelijke leiding deze schapen nodig hebben. Bucers gedachten hebben - zeker ook op dit punt - grote invloed gehad op het Engelse puritanisme. Voor deze beweging was een onderscheidenlijke prediking met een sterk pastorale inslag kenmerkend 14. In de begintijd van de Nadere Reformatie hier in Nederland is deze wijze van preken van de Engelse “praktizijns” overgenomen en verder ontwikkeld. Daarom zou ik de stelling willen verdedigen dat een pastoraal getoonzette, onderscheidenlijke prediking niet slechts teruggaat op de Nadere Reformatie of op het puritanisme. De wortels hiervan zijn al bij de reformatoren te vinden! Naar mijn overtuiging moet een bijbels-reformatorische prediking daarom ook pastoraal-onderscheidenlijk zijn.

Uiteraard is het meest fundamentele onderscheid dat in de prediking aan de orde komt dat tussen gelovigen en ongelovigen. In het licht van de Schrift is het echter geoorloofd en zelfs geboden ook andere onderscheidingen aan te brengen. Zo hebben we rekening te houden met degenen die ten diepste onverschillig zijn ten opzichte van de boodschap van de Schrift. Daarnaast zijn er mensen voor wie geloven een volstrekte vanzelfsprekendheid is. Sommigen kunnen vastzitten op een bepaald “idee”, bijvoorbeeld dat de Heere in het leven van een zondaar altijd werkt volgens die éne heel bepaalde weg. Anderen “staan” in geestelijk opzicht “van verre” en hunkeren ernaar om verder geleid te worden. Ook zijn er kinderen van God die naar meer helderheid zoeken met betrekking tot de kennis van Christus. Zo zou nog meer te noemen zijn. Uit deze kleine opsomming zal echter wel duidelijk zijn geworden, dat er binnen de gemeente van een grote verscheidenheid sprake is, waarmee we in prediking en pastoraat rekening dienen te houden15.

Wat betekent dit nu voor ons als ambtsdragers? Ik stip slechts enkele dingen aan. Allereerst is het van het grootste belang dat wij naast de mensen gaan staan en hun geestelijke vragen - of ook het gebrek daaraan! - kennen. Een fraaie karakteristiek van deze houding vinden we bijvoorbeeld in de figuur van Evangelist in Bunyans Christenreis. Deze zoekt de pelgrim die onder zijn zondepak gebukt gaat, in zijn nood op. Vervolgens probeert hij er vragenderwijs achter te komen, waarover deze man zo loopt te tobben en hoeveel hij weet over de manier waarop hij van zijn last verlost kan worden. Dan geeft hij hem raad die bij zijn geestelijke omstandigheden past. In de tweede plaats dienen wij als ambtsdragers in onze persoonlijke omgang met de Heere en onze Schriftstudie aandacht te hebben voor de vragen rond de toeëigening van het heil. Ik zou er dan ook heel in het bijzonder voor willen pleiten dat we ons verdiepen in de praktisch-geestelijke geschriften van Reformatie, puritanisme en Nadere Reformatie. Vele ambtsdragers die in de eerste helft van deze eeuw onze kerken gebouwd hebben, waren grondig met deze geschriften vertrouwd. En het zou uitermate te betreuren zijn als de kennis van het geestelijk onderwijs dat daar te vinden is, in onze tijd en in de toekomst teloor zou gaan.

De cirkel en de vier punten

Tenslotte zou ik nog enkele opmerkingen willen maken bij de vraag: Hoe komt het toch dat de onderlinge gesprekken rond het thema van de toeëigening vaak zo moeizaam verlopen? Waaraan ligt het, dat we nogal eens het gevoel hebben dat we niet begrepen worden of elkaar niet begrijpen? Nu is het niet mijn bedoeling om in deze lezing “het” antwoord op deze vragen te geven, gesteld dat ik daartoe in staat zou zijn. Liever wil ik aan u en aan mezelf vier dringende vragen voorleggen. We zouden die vragen in kaart kunnen brengen als vier punten die op een cirkel zijn aangekruist. Het zal duidelijk zijn dat ik met de cirkel die de vier punten verbindt, wil zeggen, dat de vragen heel nauw met elkaar verband houden en eigenlijk in elkaar overlopen.

Allereerst dringt de vraag: Waar staan wij zélf? Het is een bekend gegeven dat er binnen onze kerken een grote verscheidenheid is en dat er ook verschillende gedachten zijn op het punt van de toeëigening. Die verschillen zullen er zijn tussen ons als ambtsdragers onderling, maar ook tussen de gemeenten waartoe wij behoren.

Ds. J.H. Velema schetst de uitersten in onze kerken als volgt:

‘In de ene gemeente wordt een prediking gebracht, die (...) ervan uitgaat: hier zit een gelovige gemeente, die in het geheel op weg is naar de eeuwige zaligheid. De oproep tot bekering heeft alleen betrekking op de dagelijkse bekering, want de gemeente hier ter plaatse is bekeerd. Dat Gods heil moet worden toegeëigend komt niet aan de orde, want de hele gemeente deelt in het heil. Waarom zouden wij haar met deze moeilijke termen vermoeien? (...) Hoe geheel anders de tweede kerkdienst! (...) De dienst wordt gekenmerkt door somberheid. De weg van het geloof wordt (in de preek - AB) beschreven en allerlei standen van het geestelijk leven belicht. (...) De oproep tot bekering klinkt duidelijk door. Maar toch lijkt het dat de prediker door allerlei voorwaarden die hij opnoemt, met de ene hand terugneemt wat hij met de andere hand wilde geven”16.

Misschien vindt u deze tekening wat al te gechargeerd. Dat is ook nauwelijks te vermijden wanneer men de uitersten tegenover elkaar stelt. Maar zijn deze tendensen niet duidelijk in onze kerken aanwezig? En dan maakt het nogal wat verschil tot welke gemeente wij behoren en bij welke prediking wij ons thuisvoelen.

De tweede vraag luidt: Verstaan wij elkaar wel? Met onze onderlinge verscheidenheid hangt namelijk samen, dat we een verschillende taal gebruiken. Vaak wordt gezegd, dat het daarbij alleen maar om een accentverschil gaat. We hebben het immers inhoudelijk over dezelfde zaken, alleen zegt de één het in modernere bewoordingen dan de ander! Maar is dat altijd zo? We weten dat een verandering in de bewoordingen bepaald niet altijd waardevrij is. Door verschuivingen in de taal kan de inhoud van de woorden zich ook aanmerkelijk wijzigen. Om een extreem voorbeeld te noemen: als we in plaats van bekering het woord mentaliteitsverandering gaan gebruiken, is er naar mijn gedachte sprake van een heel wezenlijke verschuiving in de betekenis. Daarom dienen we op dit punt duidelijkheid te scheppen en mogen we niet te snel concluderen dat het “alleen maar” gaat om een verschillend taalveld.

De derde vraag hangt hier nauw mee samen: Spreken we wel echt dóór? Het is goed dat er de laatste tijd op verschillende kerkelijke vergaderingen opnieuw over de onderlinge verschillen gesproken is. Aan het einde van dergelijke besprekingen wordt doorgaans de balans opgemaakt. Vaak wordt gezegd, dat de verschillen toch niet zo groot bleken te zijn en dat we dichter bij elkaar staan dan sommigen dachten. Nu is het beslist niet mijn behoefte om de verschillen onnodig op te blazen. Maar de vraag blijft me bezighouden: Trekken we die conclusies niet wat al te snel? Zijn de dingen echt diepgaand doorgesproken en hebben we elkaar werkelijk gepeild? Zijn we helemaal eerlijk geweest en hebben we onze harten op tafel gelegd? Of gaan we toch weer met een mengeling van opluchting en moedeloosheid naar huis, terwijl de dingen niet echt grondig en geestelijk aan de orde geweest zijn?

De laatste vraag is: Zijn we bereid onze opvattingen werkelijk te toetsen? Het lijkt soms zo te zijn dat in de discussies de standpunten min of meer duidelijk naar voren komen. Maar er verandert eigenlijk niets. De onderlinge vervreemding en verwijdering blijft bestaan. Mijns inziens is dat één van de belangrijkste redenen, dat er rond de onderlinge gesprekken een geest van vermoeidheid en moedeloosheid is ontstaan. En daarom dringt de vraag des te meer: Zijn we bereid onze opvattingen bij te stellen door samen te luisteren naar Schrift en belijdenis?

Broeders, deze vragen houden mij met name de laatste tijd erg bezig. Daarom wil ik ze aan u allen doorgeven ter overweging. Zoals gezegd, worden die vragen onderling verbonden door een cirkel. Die cirkel dreigt een vicieuze te worden, waardoor we in onze gesprekken steeds weer op dezelfde obstakels stuiten. Ik hoop echter van harte dat deze vier vragen zo op ons afkomen, dat - onder de zegen van de Heere - de vicieuze cirkel doorbroken wordt!

Aantekeningen

1. W.H. Velema, De toeëigening van het heil in de prediking, in: W.H. Velema (red.), Delen in het heil, Kampen 1989 (verder aangehaald als Delen), blz. 41.

2. J.H. Velema, Wie zijn wij? Plaats van, informatie over, kijk op de Christelijke Gereformeerde Kerken, Amsterdam 1992, blz. 85.

3. Zie hiervoor de nota “De Toeëigening de heils’ in de belijdenisgeschriften, een overzicht”, in de Acta van de Generale Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland, Apeldoorn-Centrum 1992 (verder aangehaald als Nota), biz. 289 - 294, m.n. sub 2 (biz. 289v.).

4. Vgl. het ondertekeningsformulier voor predikanten en voor ouderlingen en diakenen in bijlage 36 en 37 K.O.

5. Vgl. Calvini Opera (Ed. Baum, Cunitz, Reuss), Vol. 23, p. 238. In de vertaling van S.O. Los, Verklaring van de Bijbel door Johannes Calvijn - Genesis deel 1, De Groot Goudriaan 1970, is dit gedeelte te vinden op blz. 357.

6. C. den Boer, Geadresseerde prediking, in: J. van der Graaf (red.), Een vaste Burcht voorde Kerk der eeuwen: opstellen opgedragen aan drs. K. Exalto, Kampen 1989, blz. 129 - 137; blz. 135.

7. Vgl. Nota, p. 292v. (sub 6).

8. Aangehaald bij J.H. Velema, Wat is Christelijk Gereformeerd?, Amsterdam 1948, blz. 97v.

9. Zie: Acta van de generale synode der Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland 1953, blz. 228v.

10. L.H. van der Meiden, De bijzondere Geesteswerking met het Woord, Dordrecht 1949, blz. 20v.

11. John Bunyan, Overvloedige genade voor de grootste van alle zondaren (vert, door J.B.H. Alblas), Houten 1989, blz. 92v. (§ 248, 250).

12. W.L. Tukker, Verbondszegen en verbondswraak, in: J. van der Graaf (red.), Vast en zeker! Aspecten van het verbond Gods, Kampen 1974, blz. 86. Vgl. ook: P. den Butter, Kinderen van het verbond, in: C. den Boer, M. van Campen en J. van der Graaf (red.), Zicht op Israël, deel 3, ‘s-Gravenhage 1988, blz. 108 - 130.

13. W.H. Velema vraagt hier terecht de aandacht voor in Delen, blz. 60 e.v. Het geschrift van Bucer is nu ook toegankelijk in een Nederlandse vertaling: Martin Bucer, Over de ware zielzorg, vert. H.J. Selderhuis, Kampen 1991. Het gedeelte over de “onderscheidenlijke” zielzorg begint hier op blz. 62.

14. Zie bijvoorbeeld: James I. Packer, A Quest for Godliness, The Puritan Vision of the Christian Life, Wheaton, Illinois. Eén van zijn conclusies: “Strength of application was (..) the most striking feature of Puritan preaching, and it is arguable that the theory of discriminating application is the most valuable legacy that Puritan preachers have left to those who would preach the gospel effectively today” (p. 288).

15. Vgl. ook W. Kremer, Priesterlijke prediking, Amsterdam 1976, blz. 27, 29: “Juist nu het gevaar van vervlakking allerwege dreigt, dient de geestelijke leiding helder en scherp te zijn, opdat het snode van het kostelijke klaar worde onderscheiden. Om dit te bereiken is de onderscheiding in onbekeerden, bekommerden en bevestigden ongenoegzaam. Er is in de verbondsgemeente veel meer verscheidenheid. In een onderwerpelijke, onderscheidende en ontdekkende prediking zal zij daarom benaderd moeten worden”.

16. J.H. Velema, Wie zijn wij?, blz. 186.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.