+ Meer informatie

Kloof tussen opleiding en beroep groeit

Krijgen we inteïlectuelenproletariaat?

7 minuten leestijd

Slechts twaalf procent vau de Merkgelegeixheid in ISederland is van middelbaar of hoger niveau, terwijl vorig jaar van de schoolverlaters 31 procent middelbaar, semi-hoger en hoger onderwijs had gevolgd. De verhoging van het onderwijsniveau gaat evenwel sneller dan die van het werkniveau.

DOEN WAT JE KUm

Deze conclusie kwam dezer dagen ter sprake op een congres van de Nederlandse Vereniging voor bedrijfspsychologie en de Nederlandse Vereniging voor personeelsbeleid dat was gewijd aan de kloof tussen vooropleiding en functie.

Dr. F. J. van Oudenhoven van ÜOE-Van der Grinten in Venlo noemde de relatie opleiding-taak maar één van de vele facetten Van de oeneming van kwaliteit en kwantiteit van het onderwijs. Onderwijs wordt bijvoorbeeld ook gezien als middel om een hoger inkomen te verwerven. Wel zijn er aanwijzingen, dat de verschillen in inkomen tussen diverse categorieën opgeleiden kleiner worden naarmate het aanbod van hoger opgeleiden sterker stijgt dan de vraag.

Volgens de heer Van Oudenhoven worden onderwijseisen voor bepaalde taken vaak verzwaard, zonder dat dit gezien de inhoud van het werk nodig is. Het gevolg is dat de toegang tot functies voor lager opgeleiden wordt geblokkeerd en dat „het probleem van de onderbelaste academicus een deel van de problematiek van de werkloze academicus gaat opvullen". Afstuderenden willen in hun beroep „doen wat je kunt". Naarmate het belang van het onderwijs in de werksituatie minder accent krijgt,zal ontevredenheid over een te „laag" werkniveau volgens dr. Van Oudenhoven minder worden. Om de gevolgen van de kloof tussen onderwijs en taak aanvaardbaar te maken, zullen planning en informatie over de verwachte ontwikkeling in beroepsgroepen en nivea's zijns inziens moeten worden verbeterd. Hij zei, dat er ook minder frustraties zullen ontstaan als onderwijs en taak waar mogelijk worden „gekoppeld" als „hiërarchische lagen" in de werksituatie zoveel mogelijk worden opgeruimd en als lage werkniveaus verdwijnen door mechanisatie.

Drs. K. F. J: Luy, dii-ecteur van het gewestelijk arbeidsbureau in Amsterdam, sprak de vrees uit dat de kloof tussen heit onderwijsniveau en het niveau van de aangeboden functies voorlopig nog onoverbrugbaar zal blijven. Hij noemde het opvallend, dat het marktmechanisme in dit opzicht faalt: hef geringe aanbod van lager geschoold personeel wordt niet „rechtgetrokken" door hogere lonen voor deze groep. De verdringing van lager door hoger opgeleiden doet zich volgens hem alleen nog maar voor bij de lagere opleidingsniveaus. Zo komen jongeren met een LEAO-, MEAO of MAVO-diploma in de knel ten gunste van hoger opgeleide jongeren.

GEEN SCHANDE

Drs. Luyf voorspelde, dat de langdurig werkloze in de toekomst meer dan nu uit de rijen van de gediplomeerden en gespecialiseerden afkomstig zal zijn. De werkloosheid onder de academici (3200) verspreidt zich over alle vakken en hetzelfde verschijnsel doet zich voor bij het lager beroepsonderwijs.

Onderwijs, voorlichting en begeleiding spelen volgens drs. Luyf nog te weinig in op de ontwikkeling van de arbeidsmarkt. Dat geldt met name ook voor veel parttime- en avondonderwijs. ,,Des te triester", aldus drs. Luyf, „aangezien het daar gaat om mensen die achterstanden willen inhalen en die opnieuw gefrustreerd raken omdat hun kans op werkloosheid - zij het op iets hoger niveau - even groot blijft".

Een belangrijk deel van de werkloosheid valt volgens hem ook te verklaren uit het feit dat de onderwijskeuze steeds sterker wordt beïnvloed door een veranderende arbeidsmotivatie en -oriëntatie. Er is sprake van een groeiende afkeer van het be-' drijfsleven en een verschuiving naar de diensten- en sociale sector.

Interessant en verantwoordelijk werk wordt belangrijker gevonden dan het loon, terwijl werkloosheid niet meer als een schande wordt ervaren.

Drs. Luyf pleitte voor betere voorlichting over en begeleiding bij de beroepskeuze in samenwerking met arbeidsmarktorganisaties en voor ,.meer fantasie" bij het bedrijfsleven.

LUXEPROBLEEM

De heer W. Baars van het NW noemde het probleem van overeducatie, van heit teveel aan opleiding, „een luxe probleem". In het lager beroepsonderwijs is al jaren een numerus fixus, zei hij,, het is natuurlijk zeer belangrijk, dat er 3200 academici werkloos zijn, taaar zij vinden op een gegeven moment wel een baan. Erger is, dat tienduizenden jongeren zonder werk zitten, jongeren, die door de neiging om de deelneming aan hogere vormen van onderwijs af te remmen en om voor allerlei banen steeds meer diploma's te gaan vragen, in een nog groter isolement dreigen te raken: in het beroepsleven zowel 'als in de gehele samenleving. „Hun startpunt in de maatschappij wordt er zo niet beter op", aldus de heer Baars. . De heer H. H. Voogd, rector van de rijksscholengemeenschap Erasmus in adviezen inzake de bereopskeuze en Almelo, zei dat het onderwijs bij dus ook al bij de keuze van de eindexamenvakken, in de allergrootste moeilijkheden raakt. „Wij weten immers hoegenaamd niets van de situatie . op de arbeidsmarkt, zeker niet op da lange termijn", wanneer het gaat om trends op midDoordat de mogelijkheden voor het behalen van een diploma steeds worden opgevoerd, wordt de „afzetmarkt" voor onze geslaagden steeds ongunstiger, stelde hij. „Steeds meer leerlingen moeten steeds meer moeite doen om toegang te verkrijgen tot instituten van vervolgonderwijs waarvan het diploma steeds minder maatschappelijke garanties biedt", aldus de heer Voogd.

PROLETARIAAT

Hij sprak de vrees uit, dat op korte termijn een nieuw soort proletariaat zal ontstaan, „een inteïlectuelenproletariaat dat zich in de wachtkamers van de wachtkamers van de arbeidsbureaus staat te verdringen". De heer Voogd pleitte daarom voor de stichting van een landelijk „marketing bureau voor het onderwijs" dat doorlopend zowel de vraagtrend bij de pakkettenkeuze in het onderwijs als de vraagtrend in de arbeidsmarkt analyseert, zodat de leerlingen goede voorlichting kan worden gegeven over de consequenties van hun keuze en over hun toekomstmogelijkheden. De heer A. F. Manche, concenidirecteur van De Bijenkorf, betoogde dat de gedachte dat diploma's een bepaalde maatschappelijke positie kunnen garanderen, onjuist is en tegengegaan moet worden. Enerzijds krijgen de leerlingen veel onnodige ballast mee, aderzijds leren ze niet hoe ze moeten werken en samenwerken. Het bedrijfsleven - en met name de detailhandel - schiet volgens de heer Manche tekort bij het vertalen van eisen die uit een functie voortvloeien in wensen aan het onderwijs.

ANGST

Dr. J. J. M. Penders, directeur van het „Pedagogisch centrum beroepsonderwijs bedrijfsleven", stelde dat er niet alleen een kloof is tussen onderwijs en arbeidsleven, maar oök tussen onderwijs en maatschappij. Het middelbaar onder^vijs mist volgens hem (veei meer dan- het beroepsonderwijs) de aansluiting met de maatschappelijke praktijk. Juist voor leerlingen van dit onderwijs zou participatie-onderwijs volgens hem zin hebben.

Niet alleen de school, maar ook het „arbeidsleven" draagt verantwoordelijkheid voor de vormin.g van de leerling. De vraag naar de aard van die verantwoordelijkheid wordt volgehs dr. Penders nog teveel gesteld in een sfeer van angst en competitie en ontaardt daardoor nogal egens in „platvloerse bekvechterij". Hij zei dat voor het -arbeidsleven het aanvaarden van die verantwoordelijkheid zal moeten leiden tot verdere vermaatschappelijking van zijn doelstellingen. Anderzijds moet het arbeidsleven van het onderwijs kunnen verwachten, dat het met zin voor de realiteit van alle dag uit zijn isolement komt.

Tijdens de discussie werd het idee van een algemene dienstplicht in het bedrijfs(arbeids) leven geopperd. Prof. dr. H. M. in 't Veld-Langeveld, lid van de wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid, zêi dat dit een mogelijkheid is die overweging verdient. Het „zoekproces" neemt volgens haar^ grote vormen aan: jongeren die van school komen hebben er geen notie van welke voortgezette studie of welk beroep hun beste ligt, ze proberen maar eens wat en vaak worden jaren verknoeid aan verschillende studies. Een direkte confrontatie met het arbeidsleven heeft wellicht een gunstige uitwerking, zei mevrouw In 't Veld.

GEEN LOSSE DINGEN

Ze verklaarde ook, dat de kloof tussen opleiding en beroep een structureel probleem is en dat daarom erg voorzichtig moet worden omgesprongen met het ondoordachte doorvoeren van „losse" maatregelen zoals is gebeurd met de partiële leerplicht en de numerus fixus. Er zal toch enigszins een richting moeten worden bepaaW en alle maatregelen zullen moeten worden bekeken op hun consequenties voor kwantiteit, kwaliteit, de vraag hoeveel keuzevrijheid voor bedrijfsleven en werknemers we willen handhaven en eventueel de dwang die we willen toepassen, aldus prof. In 't Veld.

De heer S. "rh. van Bijsterveld, secretaris van de industriebond NKV, verklaarde dat het onderwijs niet uitsluitend dienstbaar mag worden gemaakt aan het te kleine ideaal van het bedrijfsleven. Het moet opleiden voor de samenleving en het moet ook voor de groep die een arbeidsloos inkomen heeft de mogelijkheden om zinvol bezig te zijn, verruimen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.