+ Meer informatie

UIT DE PRAKTIJK

5 minuten leestijd

35

Op menig zeilschip kon men voorheen de naam lezen „Levensstrijd” of „Strijd is leven” of „Leven is strijd”. Dit zijn allen waarheden op zichzelf, die door ieder mens min of meer worden ondervonden. Bezien we het leven der mensen dan vinden we strijd op allerlei gebied; in het maatschappelijke de strijd om het bestaan, op kerkelijk terrein de strijd en verdeeldheid; in het gezins- en familieleven is alles ook altijd niet in vrede, en hoe is het doorgaans in het persoonlijk leven? De natuurlijke mens, van God vervreemd, wordt in het Woord vergeleken bij een voortgedreven zee, die niet rusten kan, waarvan de grote oorzaak is, dat de mens door zijn val zijn Schepper kwijt is, en dus de enige grond voor de vrede mist. Hoe weinigen worden er gevonden, die van dit laatste innerlijk kennis hebben verkregen, die met de oorzaak van hun strijd hier op aarde te doen kregen. Er wordt nog wel over gesproken, en als belijdende mensen stemmen wij dit nog wel verstandelijk toe, maar hoe klein is het getal dergenen die de schuld hiervan naar zich toekregen en leerden eigenen, want door onze val zijn wij uit de gunst van onze Schepper gevallen, en is moeite, strijd en de dood ons deel geworden.

Voor wie deze dingen geen onbekende zaken zijn, en die aanvankelijk met hun verloren staat te doen kregen, beginnen al enigermate te zien, dat er nog een bizondere strijd is, een strijd die direkt niet naar buiten zichtbaar is; een recht ontdekt mens keert zijn vijandig bestaan tegen God kennen, en daar krijgt hij schuldgevoel, droefheid en berouw over; dit drijft hem niet met boetvaardigheid en schuldbekentenis tot God, tegen Wien hij gezondigd heeft. Zulk een heeft geen rust meer, en naarmate men al meer ontdekt wordt leert men ook kennen, dat men zijn eigen zaligheid in de weg staat, het eigen „ik” begint zich almeer te openbaren, en de strijd tegen dit eigen „ik”, dat zich de Wet Gods niet onderwerpt, is zo zwaar; die daar kennis van omdragen, gaan daar gebogen onder, en zuchten weleens „hoe kom ik daar ooit van verlost”. Daar wordt wat ondervonden van wat Paulus schrijft over de tweemens, dat de Geest strijdt tegen het vlees, en het vlees tegen de Geest. Als het nieuwe deel eens de overhand mag hebben, dan moet het eiken „ik” zwijgen.

Dit vernamen wij eens op een huisbezoek uit de mond van een oude vrouw, die door genade kennis had verkregen van deze zaken. In het kort vertelde zij ons van de wegen, die de Heere met haar gehouden had; wat zij in de Heere heeft mogen ontmoeten, en wat zij zelf geweest is tegenover de weldaden des Heeren. Met aandacht hebben wij haar beluisterd, want of men de zaken verstandelijk weergeeft, dan of het met levendigheid mag verhaald worden, maakt nog wel een verschil uit. Nu, nadat de Heere dierbare zaken in haar leven had geopenbaard, en zij spreken mocht van een geschonken Borg en Middelaar, en was schuldvergeving in Zijn Bloed, kreeg zij almeer te doen met haar verdorven bestaan en eigen „ik”. Van de strijd kon zij vertellen, want de ontdekkingen, wat de mens van nature is en ontvangen genade blijft, gaan door; maar nu zij op hoge leeftijd was gekomen (zij was al boven de negentig) mocht zij zo hartelijk getuigen: door de genade Gods mag ik nog zijn die ik ben; met alles wat de Heere haar geschonken had, was zij laag aan de grond gebracht, en ellendig in zichzelf gebleven in de dagelijkse oefening, waaruit zo duidelijk bleek haar afhankelijk, kinderlijk eenvoudig leven.

Hier ontmoetten wij een Godvrezend mens, die niet groot geworden was met de genade, die de Heere geschonken had, maar die verwaardigd was geworden met een nauw leven aan de Troon der Genade, en getuigen mocht van de enige hoop, die niet beschaamd, omdat de liefde Gods in haar hart is uitgestort.

Deze vrouw is de strijd niet onthouden, maar zij heeft de kracht van de woorden des Heeren ervaren: In de wereld zult gij verdrukking hebben, doch heb goede moed, ik heb de wereld overwonnen.

Als die laatste woorden werkelijkheid worden in het leven, wat is dat een tegenwicht tegen de verdrukking en strijd in deze bedeling. Zij mocht de goedheid des Heeren over haar levensweg en de genade prijzen, en in en tot alles de Heere benodigen, klein en onwaardig in zichzelve, en alles verwachtende van Hem, die van eeuwigheid haar heeft gekend, en in de tijd heeft overgezet uit de macht der duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Wat zijn zulke bezoeken leerzaam, versterkend en bemoedigend voor ambtsdragers; als het leven levendig is, heeft men bij dezulken niet veel woorden nodig om ze uit hun tent te lokken. Voor zó’n mens mogen wij goede hoop hebben, zeide mijn ambtsbroeder, bij het naar huis gaan, waarop wij hartelijk ja hebben gezegd, want die komt de strijd wel te boven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.