+ Meer informatie

Samenvatting van de discussie

10 minuten leestijd

De verschillende vragen zijn in drie rubrieken onder te brengen. Uiteraard heeft deze indeling iets schematisch, waardoor niet aan alle gestelde vragen recht gedaan wordt, maar waardoor wel, naar mijn gedachte, de grote lijnen, waarin de diskussie zich bewoog, zichtbaar worden. Allereerst waren er vragen over de betekenis van de verwachting van de wederkomst in verband met onze roeping tegenover de wereld. In de tweede plaats over de betekenis van de verwachting van de wederkomst voor het kerkelijke leven. In de derde plaats over de bete kenis van de verwachting van de wederkomst voor het persoonlijke leven.

I. De betekenis van de verwachting van de wederkomst in verband met onze roeping tegenover de wereld.

Een opmerkelijk groot aantal vragen behoorde tot deze rubriek. Terecht werd het door deze vragen-stellers gezien, dat iedere bezinning op de wederkomst van de Here Jezus Christus een roeping inhoudt en dat een rechte verwachting van de wederkomst zal moeten samengaan met de beleving van die roeping. Door een van de vragenstellers werd die roeping zelfs uitdrukkelijk op de eerste plaats gesteld, toen hij vroeg: „Moet onze evangelisatie-roeping — de bewogenheid met de mens om ons heen — niet prevaleren in onze prediking en ambtelijke arbeid boven het leven uit de verwachting van Christus’ wederkomst in het „Kom, Here Jezus, ja kom haastig?” We zullen hier de juiste verhouding tussen verwachting en roeping voor ogen moeten houden. Dan kunnen we niet meer zeggen, dat het één prevaleert boven het ander, maar dan is het één onlosmake lijk verbonden aan het ander. Verder gaande in de lijn van de gestelde vraag, zouden we kunnen komen tot een koud aktivisme, waarmee we de mens om ons heen toch niet waarachtig dienen. Waar we leven uit de. verwachting van Christus’ komst zal die verwachting ons — we mogen haast zeggen: „auto matisch” — brengen tot een bewogenheid met de mensen, die de Here niet kennen. We weten immers uit de Schrift, dat Zijn komst voor hem louter ver schrikking zal zijn. Hoe zouden we bij een waarachtige verwachting van Zijn komst daar onbewogen onder kunnen blijven? Het is dezelfde drijfveer, die moet staan achter de verwachting van Christus’ komst en de roeping om het evangelie tot anderen te brengen, nl. de liefde tot de Here (vgl. Op. 22 : 17 en 2 Cor. 5 : 14). Verwachting en roeping zijn twee aspekten van de beleving van de ene liefde tot de Here.

Hiermee was ook het antwoord gegeven op de vraag, of het niet nodig was om in het licht van de naderende wederkomst de gemeente toe te rusten tot de evangelisatieroeping. Die toerusting zal in de eerste plaats moeten geschieden door tot de Here Jezus Christus te lokken en te nodigen. Niet allerlei kader kursussen in de eerste plaats zullen de roeping tot het getuigen doen verstaan, maar waar de liefde tot de Here gekend wordt, zullen én de verwachting én de roeping tot getuigen een steeds grotere plaats in het leven krijgen. In onze houding tegenover anderen zullen we ons niet in de eerste plaats hebben te laten leiden door het feit van de wederkomst, maar door de Persoon van de Weder komende.

II. De betekenis van de verwachting van de wederkomst voor het kerkelijke leven.

Verschillende vragen-stellers onderstreepten de noodzaak van wat in het referaat gesteld was, dat de verwachting van de wederkomst maar niet een facet in het kerkelijke leven mag zijn naast vele andere facetten, maar dat die verwachting iets moet zijn, dat het hele kerkelijke leven doortrekt en bepaalt. Het gaat om een bepaalde houding van de kerk, die uit alles van haar doen en laten blijkt. Om tot die houding te mogen komen is uiteraard de prediking van grote be tekenis. „Wordt”, zo werd gevraagd, „in de prediking niet te veel nadruk gelegd op de wederkomst van Christus als rechter en te weinig op Zijn wederkomst als bruidegom?” Ook hier zullen we het één niet tegenover het ander mogen stellen. De ernst van Christus’ wederkomst als rechter zal evenzeer moeten blijven door klinken als de stralende blijdschap in verband met Zijn komst als bruidegom. Hoe ernstig de gevolgen zijn bij verwerping van het evangelie zal nooit ver zwegen mogen worden (vgl. Hebr. 2 : 3). De Bijbel zegt daar ook verschrikke lijke dingen over (Op. 20 : 15). Maar terecht werd er vragenderwijs op gewezen, dat over Christus’ komst niet alleen gesproken mag worden als een komst als rechter. Er is ook die andere kant: de dag van de wederkomst zal voor allen, die Christus’ verschijning hebben liefgehad de dag van de definitieve kroning zijn (2 Tim. 4: :8). De heerlijkheid daarvan zal de gemeente getekend en voor ogen gesteld moeten worden. Wie de Here waarachtig lief mag hebben (vgl. Joh. 21 : : 15-17) is onuitsprekelijk rijk: hij wacht de rijkste bruidegom: de Koning der koningen en het rijkste huwelijks-geschenk: de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Zou die rijkdom verzwegen mogen worden?

Een belangrijke vraag was, of in de prediking in het algemeen niet te weinig aandacht aan de wederkomst gege ven wordt., zodat het ook aan de prediking te wijten is, dat de verwachtende houding in de gemeente veelal gemist wordt. Inderdaad is het als een aanklacht tegen de prediking van de kerk te zien, dat het appèl in verband met de wederkomst veelal gekomen is van allerlei groepen (b.v. de Maranatha- beweging van Joh de Heer). Aan de andere kant zullen we niet mogen denken, dat de prediking, waardoor het verlangen naar de weder komende Here gewekt wordt, een „bijzondere” prediking is. Het gaat om die prediking, waarvan de inhoud is, wat de inhoud moet zijn van iedere prediking: Jezus Christus en Die gekruisigd. Juist op dit punt hebben we voor ogen te houden, dat het niet in de eerste plaats gaat om de wederkomst, maar om de Wederkomende. Door de prediking, waardoor — als middel in Gods hand — de liefde tot de Here gewekt wordt, wordt ook de verwachting van Zijn komst gewekt. Die prediking hoeft bepaald niet specifiek over de wederkomst te gaan! Ditzelfde is te bedenken met het oog op andere vragen, die informeerden naar de mogelijkheden om in dit opzicht vooral de jongeren in de gemeente ambte lijke leiding te geven. Ook tegenover de jongeren moet die leiding niet in iets „bijzonders” bestaan. Waar in onze dagen inderdaad veel buiten de dienst van de Here is, dat jongeren aantrekkelijk kan schijnen, moet aan hen getoond worden in het leven en de overtuiging van de ouderen, dat de liefde van en tot de Here alles wat aantrekkelijk schijnt in de wereld vér te boven gaat. We zullen het aan jongeren en ouderen in de gemeente duidelijk moeten maken, dat we met de vragen van de wederkomst alleen maar „klaar” komen op de heuvel Golgotha, waar we inderdaad alles wat rijk schijnt moeten verliezen om de ware rijkdom te vinden.

Geïnformeerd werd ook naar de grenzen van de kerk. „Is het met het oog op de wederkomst roeping om ongelimiteerd kerkelijke eenheid te zoeken, of schuilt in het streven naar kerkelijke eenheid — zoals dat ook in het referaat gesteld werd — een duidelijk gevaar? En zo ja, waar liggen dan de grenzen van die een heid?” Zoals over heel de verwachting van de wederkomst niet te spreken is buiten de liefde tot de Here om, vindt ook de roeping tot kerkelijke eenheid haar taak en haar grenzen in de liefde tot de Here. Die liefde is dan evenwel geen vaag gevoelen, waardoor men iedereen zonder meer heeft te aksep teren, zoals in de kommunikatie-theorie van de oecumenische beweging gesteld wordt, maar die liefde openbaart zich in een gebondenheid aan het Woord van de Here (Joh. 14:23).Waar we elkaar als kerken niet kunnen vinden op de basis van Gods Woord, zullen we elkaar niet kunnen en mogen vinden. Dit is vooral ook te bedenken ten opzichte van de Rooms-Katholieke Kerk, waar we — on danks verblijdende veranderingen — toch een ontwikkeling in de richting van de „valse profeet” hebben te zien.

III. De betekenis van de verwachting van de wederkomst voor het persoonlijke leven.

Gevraagd werd, of wij het niet reeds meemaken, dat het voor de gelovigen steeds moeilijker gaat worden om het geloof echt te beleven. Door meerdere vragen stellers werd in dit verband gewezen op de z.g. „continu-arbeid”, waardoor ook de zondag in het arbeidsproces betrokken wordt. Inderdaad zien we hier een ontwikkeling waarvan we het einde nog niet kunnen zien, maar waarbij het al wel duidelijk wordt, dat ekonomische belangen steeds meer in het hele maat schappelijke leven de boventoon zullen gaan voeren. Bij een dergelijke ontwikke ling zal de beleving van het geloof niet gemakkelijker worden. Misschien wel dieper en rijker, omdat de realiteit van het offer zo steeds meer in het gezichts veld kan komen. We zullen ons op de vragen rondom de z.g. „zondagsarbeid” nader te bezinnen hebben, waarbij het rapport over die arbeid, uitgebracht door de deputaten voor algemene diaconale en maatschappelijke aangelegenheden een goede richting wijst. Het gaat er om, dat wij het gevaar zullen onderkennen — door verschillenden werd daar terecht op gewezen — dat wij onder een schijn van godsvrucht het wezen van het geloof gaan verloochenen onder de druk en de verleiding van de omstandigheden.

Een heel indringende vraag was de vraag, of we bij het nadenken over de komst van de Here in heerlijkheid eigenlijk wel iets anders konden overhouden door een grote vrees voor die komst. Hierbij komt het aan en onze persoonlijke ver houding tot de Here. Kennen wij de Here niet in liefde en geloof en gaan wij — naar we wéten diep in ons hart — aan Hem voorbij, dan is er bij de gedachte van de naderende wederkomst inderdaad alle reden tot vrees. Die vrees hoeft evenwel niet het laatste woord te zijn in het heden der genade. Met die vrees mogen we uitvluchten tot Hem, die ons in Zijn liefde nog wil ontvangen. Waar we ons aan Zijn liefde kwijtraken, zal ook de wederliefde ons hart gaan vervul len. Dan wordt de vrees buitengesloten (1 Joh. 4: 18) en komt er plaats voor de echte verwachting.

„Maar we houden toch altijd de twijfel?” zo werd gevraagd. Het ligt er maar aan wat we onder „twijfel” verstaan. Onder „twijfel” blijken velen te verstaan, de werkelijkheid van wat Paulus zegt in 2 Cor. 13 : 5: „Stel uzelf op de proef of ge in het geloof zijt, onderzoekt uzelf”. Wanneer dit onder „twijfel” verstaan wordt, dat we een kritische houding innemen ten opzichte van onszelf en ons geloof is dit een goede zaak, waar de Schrift zelf ons toe oproept. In dit ver band zou ik evenwel liever niet spreken over „twijfel aan onszelf”, maar over „zelfbeproeving”. Deze zelfbeproeving hoeft de verwachting van de wederkomst niet in de weg te staan, maar ze léért ons integendeel die verwachting, omdat ze ons steeds oprechter terugwerpt op de Here. Als met „twijfel” bedoeld wordt de onzekerheid, of wij ons wel op het Woord van de Here mogen verlaten, zoals dat Woord tot ons kort, is dat inderdaad een struikelblok op de weg naar de waarachtige verwachting van de wederkomst. Deze „twijfel” is immers niets anders dan een verkapte vorm van ongeloof. En waar ongeloof is, kan geen verwachting van de wederkomst zijn. Twijfel in deze laatste zin hoeft er niet altijd te zijn en mag er eigenlijk nooit zijn. Ze verdwijnt, wanneer we in het geloof onvoorwaardelijk leren te bouwen op het Woord van de Here, „weder geboren niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende Woord van God” (1 Petr. 2:23).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.