+ Meer informatie

De Christinnereis is voor jong en oud

7 minuten leestijd

48.

Nu trokken de pelgrims weer verder en gekomen op de plaats waar vroeger Kleingeloof geplunderd was, stond daar een man met uitgetrokken zwaard en met bloed bespat.

„Wie zijt gij?” riep Stoutmoedig hem toe. De man gaf ten antwoord: „Ik heet Verdediger van de Waarheid. Ik ben een pelgrim en op reis naar de Hemelstad. Nu ben ik onderweg door drie mannen overvallen, die mij de keus lieten tussen deze dingen: of één der hunnen te worden, of terug te keren, of op de plaats zelf sterven. Ik zei dat ik te lang eerlijk man geweest was om nu te eindigen in gezelschap van dieven. Het ruist in mijn hart: „Mijn zoon, wandel niet met hen op de weg; weer uw voet van hun pad”. „En het tweede?” vroegen zij. Als de plaats, die ik heb verlaten, nog niet ongeschikt ware voorgekomen, zou ik haar niet hebben verlaten. Maar omdat ik het gevaarlijk achtte daar te blijven, heb ik haar de rug toegekeerd. En wat het derde betreft, gaf ik ten antwoord, dat het leven voor mij een te hoge waarde had, dan dat ik het lichtvaardig in de waagschaal zou stellen, dus de gevolgen zijn voor uw rekening als gij het mij verder lastig maakt! Daarop viel het drietal, n.l. Woesthoofd, Onbesuisd en Waanwijs op mij aan en ik trok eveneens mijn zwaard om mij te verdedigen. Bijna drie uur duurde de strijd, en gelijk gij ziet, draag ik de merktekenen hunner boosheid, terwijl zij er ook niet ongedeerd zijn afgekomen. Zij zijn eerst nu op de vlucht gegaan, vermoedelijk verschrikt toen zij het gedruis van uw voetstappen hoorden”.

Stoutmoedig: „Maar de kamp was zeer ongelijk, drie tegen één!” Verdediger: „Dat is waar, maar velen of weinigen, dat betekent hetzelfde voor hem die zegt: Ofschoon mij een leger belegerde, mijn hart zou niet vrezen; ofschoon een oorlog tegen mij opstond, zo vertrouw ik hierop. Hoeveel Filistijnen heeft Simson niet verslagen met een ezelskinnebakken!”

Stoutmoedig: „Waarom hebt gij niet om hulp geroepen?”

Verdediger: „Ik heb hulp gevraagd, maar aan mijn Koning. Ik wist dat Hij mij kon horen en ongezien mij terzijde staat, en dat was mij genoeg”.

Stoutmoedig: „Gij hebt u vorstelijk gedragen. Toon mij uw zwaard”.

Toen Stoutmoedig dit gezien had en het een poos opmerkzaam had beschouwd, zeide hij: „O, dat is een echt Jeruzalems zwaard”.

Verdediger: „Juist. Wie zulk een zwaard heeft en het weet te hanteren, behoeft zelfs voor geen duivel te vrezen, al zou hij ook verschijnen als een engel des lichts. Want zijn licht is kunstlicht, waarmee het de donkerheid van zijn ongerechtigheid niet kan bedekken. Bij het recht gebruik van dit edele zwaard vertrouwt het hart op de Heere. Men behoeft er zich niet over te bekommeren of het wel duurzaam zal zijn, want het duurt tot in eeuwigheid; het wordt nooit stomp, het gaat door tot in de verdeling der ziel en der samenvoegselen en des mergs”.

„Maar”, vraagt Stoutmoedig, „hebt gij een lange tijd gestreden; het verwondert mij dat gij niet meer vermoeid zijt”.

„Ik vocht”, zei Verdediger, „tot het zwaard aan mijn hand kleefde, en toen het was alsof mijn hand en mijn zwaard één waren en het bloed mij langs de vingers droop, vocht ik met de grootste moed. En hierin werd ik gesterkt door de heldhaftige Eliazer, één van de drie helden die met David zijn sterkte zocht in de Heere. „Deze stond op en sloeg onder de Filistijnen, totdat zijn hand moede werd, ja zijn hand aan het zwaard kleefde; en de Heere wrocht een groot heil tenzelven dage”.

Stoutmoedig: „Gij hebt welgedaan! Gij hebt tot den bloede toe tegengestaan, strijdende tegen de zonde. Gij moet bij ons blijven, met ons in- en uitgaan, want wij zijn geestverwanten!”

Nu namen zij Verdediger tot zich en wiesen zijn wonden en gaven hem enige verkwikking, en daarop togen zij tezamen verder. Stoutmoedig was ten zeerste met hem ingenomen, omdat hij zulk een moedig en dapper man was, vooral daar zoveel zwakken in hun midden waren. Hij begon hem dus over vele dingen te ondervragen, en wel in de eerste plaats wat voor landsman hij was.

Het ondervragen vanuit een broederlijke belangstelling naar het innerlijke leven dient tot versterking van de innerlijke verbinding. Maar gans anders was het toen de Heere Jezus ten gerichte gesteld werd tegenover de hogepriester om ondervraagd te worden naar Zijn discipelen en Zijn leer. Daarop antwoordde Hij hen: „Wat ondervraagt gij Mij? Ondervraag degenen, die het gehoord hebben wat Ik tot hen gesproken heb, zie, dezen weten wat Ik gezegd heb”. En terecht, want wordt men ten gerichte gedaagd dan moeten de beschuldigers in de eerste plaats gehoord worden.

Maar desniettemin is het broederlijk ondervragen een zaak des gerichts. Een zaak waarop de Heere in de grote dag des gerichts terugkomt, zo men elkander pleistert met loze kalk. Hij wil dat wij elkander recht behandelen zodat men er mee in het gericht van Gods gerechtigheid zal kunnen bestaan. Zo deden de Emmaüsgangers en vonden elkander in dit woord: „En wij hoopten dat Hij was Degene, Die Israël verlossen zou”. In dat hopen op de Heere hadden zij elkander gevonden. Maar nu Christus, de hoop der heerlijkheid is ondergegaan in de vloekdood des kruises, bevinden zij zich in een zware beproeving, waaruit zij van hart tot hart met elkander spreken. In dat broederlijk spreken is het dus niet alleen een spreken vanuit hetgeen van de Heere geleerd en geschonken werd, maar ook vanuit het gemis der zaak. En tegelijkertijd werden deze discipelen in hun zware beproeving door hun Meester ondervraagd naar de oorzaak van hun droefheid, waarop zij wisten te antwoorden.

Het ondervragen van elkander naar de innerlijke gesteldheid van het hart, heeft zijn bestaansrecht vanuit het Woord en mag nimmer op de achtergrond gedrongen worden.

Op de vraag wat voor landsman hij was, was het antwoord van Verdediger: „Ik kom uit Donkerland. Daar ben ik geboren en mijn vader en moeder wonen daar nog. Een plaats die aan dezelfde kant ligt als de stad Verderf”. „Ja, nu de aanleiding tot mijn reis was, mijn geliefde broeder Stoutmoedig, de volgende: Er kwam in onze stad een zekere Waarheidsvriend en hij verhaalde ons van de u welbekende Pelgrim en hoe deze de stad Verderf had verlaten, met achterlating van vrouw en kinderen, om op de pelgrimsreis te gaan, hoeveel moeilijkheden hij onderweg ontmoette en die de Pelgrim alle te boven was gekomen, totdat hij met triomfgeschal was ontvangen in de stad na het overtrekken van de rivier. Ook verhaalde hij hoe de klokken geluid werden bij zijn binnenkomen, en hoe hij in feestkledij was gehuld, en nog allerlei andere dingen die ik niet zal verhalen. Om kort te gaan, die man wist het leven en de ganse geschiedenis van de Pelgrim zo te verhalen, dat mijn hart in mij brandende werd van verlangen, en ik mij door vader noch moeder liet weerhouden om te gaan en de reis te aanvaarden”.

Op de vraag van Stoutmoedig: „Gij zijt door de enge poort op de weg gekomen, nietwaar?” werd door Verdediger vlot geantwoord: „Juist, want dezelfde man had ons gezegd, dat al onze moeite vergeefs zou zijn als wij niet door de rechte deur ingingen”.

„Ziet gij wel”, zei de gids tot Christinne, „hoe de tocht van uw echtgenoot overal is bekend geworden?”

Ja, bekend geworden, want de gehele stad stond er als ’t ware van overeind. Maar wat meer zegt en oneindig veel meer, is wel dit, dat zijn uitgang uit de stad verschillende burgers tot zegen is geworden, zodat zij gelijk als hij met een innige reisvaardigheid kwamen op te trekken naar Sion. Maar dat alles was de Pelgrim bij het verlaten van zijn stad nog onbekend. Tot aan de enge poort had hij geen kontakt met echte pelgrims, en dat bleef zo totdat hij door het dal van de schaduwen des doods heen was. Het is grotelijks te waarderen in gezelschap van echte pelgrims te mogen reizen naar de Hemelstad.

Nijkerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.