+ Meer informatie

Het land van Naomi

5 minuten leestijd

Vragen over Bijbeluitleg zijn er in uiteenlopende soorten en gewichten. Het Zuid-Afrikaanse tijdschrift Hervormde Teologiese Studies bevat in zijn eerste aflevering van dit jaar (jaargang 62) een bijdrage over "Die juridiese problematiek van grondbesit in die boek Rut". De auteurs zijn Milda Stanton en Pieter Venter van de universiteit van Pretoria.

In Ruth 4:3 wordt gezegd dat de weduwe Naomi de grond die "van onze broeder Elimelech was", heeft "verkocht" (Statenvertaling). Hoe moet deze uitspraak worden begrepen?

De auteurs constateren dat volgens Deuteronomium 21 niet een echtgenote maar een oudste zoon als erfgenaam van haar man geldt (al blijkt uit diverse oudtestamentische teksten dat ook dochters erfgenaam van hun vader kunnen zijn). Zo bezien is het niet waarschijnlijk dat Naomi het stuk grond dat zij verkocht (4:3), zal hebben geërfd van haar overleden man Elimelech.

De auteurs komen met een andere verklaring. Naomi kan als "quasi-eigenares" zijn opgetreden in de zin dat zij het recht had op het vruchtgebruik. Zij kon wellicht op basis van een soort gewoonterecht aanspraak maken op de oogst van het land. In het Oude Testament wordt niet letterlijk van een vruchtgebruik gesproken, maar de auteurs denken dat de zaak zelf wel bestaan kan hebben. Zij verwijzen daarvoor naar een tekst als 2 Koningen 8:6, waar een vrouw ook "alle inkomsten van de akker" terugkrijgt. Deze verklaring neemt niet alle vragen weg, maar lijkt ook niet geheel uitgesloten te zijn.

Wie de actualiteit van de zeventiende-eeuwse arminiaanse controversen weer eens voor ogen wil zien, kan terecht in het Journal of the Evangelical Theological Society, aflevering 2 van 2006 (jaargang 49). Hier staan twee artikelen van Bijbelexegeten tegenover elkaar waarin de vraag centraal staat of er in Romeinen 9 primair sprake is van een groep die uitverkoren is of dat het gaat om enkelingen die zijn verkozen.

De predikant Brian J. Abasciano uit Hampton, New Hampshire, meent dat er in eerste instantie sprake is van een "corporatieve verkiezing" oftewel groepsverkiezing. Hij geeft deze visie in een kritiek op Thomas R. Schreiner, die in een artikel uit 1993 de verkiezing van afzonderlijke personen handhaafde. Schreiner, hoogleraar Nieuwe Testament aan het Southern Baptist Theological Seminary in Louisville, publiceert meteen zijn antwoord.

Abasciano promoveerde in 2004 op een vraagstuk met betrekking tot Romeinen 9. Hij verwerpt "het traditionele calvinistische concept van individuele uitverkiezing." Beslissend voor hem is de vraag "waar de primaire nadruk ligt": bij de enkeling of bij de groep. In Romeinen 9 ligt het primaat vol gens hem bij de verkiezing van een groep. Een "individu is slechts secundair als een lid van de gemeenschap verkozen." Dat was volgens de auteur in het Oude Testament al zo. In het Nieuwe Testament zou het niet anders zijn, en ook de toenmalige cultuur dacht volgens Abasciano vooral vanuit de gemeenschap en niet zozeer vanuit de enkele persoon. Vanuit deze visie stelt de auteur achtereenvolgens diverse overwegingen van Schreiner onder kritiek.

In zijn repliek betoogt Schreiner dat de verkiezing in Romeinen 9 zowel corporatief als individueel van aard is. Schreiner kritiseert de "standaard Arminiaanse" positie van Abasciano onder meer omdat deze zou inhouden dat God een groep uitverkiest, waartoe mensen pas gaan behoren als zij beslissen te gaan geloven. Het zwaartepunt in de verkiezing zou dan in feite bij het menselijke besluit komen te liggen. Terecht handhaaft Schreiner bovendien dat in de Bijbel sprake is van een uitverkiezing van afzonderlijke personen (hij noemt de drie aartsvaders en bespreekt passages als Johannes 6, Romeinen 8:30, en Efeze 1:4-5).

Het septembernummer van het Franse tijdschrift La revue réformée (jaargang 57) bevat bijdragen over het thema "De protestantse identiteit in een veranderende maatschappij". Deze aflevering bevat onder meer een artikel van Paul Wells, hoogleraar in Aix-en-Provence, over "Relativisme en biblicisme".

Volgens Wells hangen die twee nauwer samen dan men op het eerste gezicht zou denken. Het biblicisme, zoals Wells het definieert, verschilt van de klassiek-protestantse visie dat de Heilige Schrift "superieur is aan andere gezagsinstanties, kerkelijke of menselijke." Het evangelicale biblicisme geeft volgens Wells aan de Bijbel een geïsoleerde plaats. Zo kan het gepaard gaan met een riskante, kritiekloze aanpassing aan de moderne cultuur. Bij deze analyse ziet de auteur zich gesteund door onderzoek van David Wells uit 2005. Wanneer "de christelijke leer slechts weinig belang heeft" en "de spirituele ervaring daarentegen een interessan t product is dat de kerk kan commercialiseren en dat het individu zal consumeren omdat dit hem bevalt", dreigt subjectivisme de toon te zetten. Het einde van de evangelicale overtuiging is dan aanstaande.

Het probleem van het relativisme dat Wells signaleert is reëel. Toch is een biblicisme dat met relativisme samengaat nauwelijks een vorm van biblicisme, want de Bijbel zelf doet inderdaad uitspraken over de werkelijkheid die buiten het menselijke individu ligt. Als ook die teksten serieus worden genomen, wordt relativisme eerder bestreden dan bevorderd.

Aza Goudriaan, wetenschappelijk onderzoeker aan de faculteit der wijsbegeerte, Erasmus Universiteit Rotterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.