+ Meer informatie

Naar de katechisatie

7 minuten leestijd

115

HET GELOOF (3)

Wij ontvingen een brief van een broeder, een getrouw lezer van „Bewaar het Pand” en die ook onze katechisatie-lessen „met interesse sinds jaar en dag” volgt, zoals hij ons schrijft. Nu is het deze vriend niet duidelijk en is deze het er niet eens mee, dat we in een vorige les (113) schreven: „De tweede vrucht van de wedergeboorte is het geloof”. De briefschrijver meent, dat het juist andersom is, dus dat de wedergeboorte vrucht is van het geloof. En wel om deze reden, dat de mens in Adam alle waarachtig geestelijk leven mist, zodat een mens geen geestelijk leven kan bezitten dan door de vereniging met Christus, die alleen door het geloof geschiedt. En verder dat alle weldaden, die Christus voor Zijn volk verworven heeft, hun ook door het geloof geschonken worden.

Dat de Schrift het Woord noemt het zaad der wedergeboorte en dat het Woord geen vruchten afwerpt als het met het geloof niet gemengd is, zodat het geloof in orde noodzakelijk aan de wedergeboorte vooraf moet gaan. Tot zover onze waarde briefschrijver.

Allereerst willen we gaarne onze hartelijke waardering uitspreken voor de wijze, waarop onze briefschrijver ons benadert en blijk geeft van zijn belangstelling. We willen dan ook gaarne op zijn bezwaar ingaan in deze les, mogelijk ook tot verduidelijking voor anderen.

We zijn het met deze vriend volkomen eens, dat een mens geen geestelijk leven kan bezitten dan door vereniging met Christus, die alleen door het geloof geschiedt.

Nu dienen we hier zuiver te onderscheiden. Inderdaad is er geen vereniging met Christus mogelijk dan door het geloof. Dit leert de Schrift duidelijk.

We moeten hier echter de vraag beantwoorden: w a n n e e r geschiedt deze vereniging met Christus? Eerst bij de volle verzekerdheid van het geloof, zodat men dan op goede gronden mag wéten, Hem persoonlijk te bezitten en te kennen? Of bij de w e d e r g e b o o r t e? Want de wedergeboorte wordt in de Schrift ook genoemd de INPLANTING of INLIJVING in Christus. Zie de gelijkenis van de Heere Jezus over de Wijnstok en de ranken.

In deze gelijkenis komt het verschil uit tussen de LEVENDE en de DODE ranken. De dode ranken staan slechts in UITERLIJKE relatie tot Christus en missen de levenssappen uit Hem. Die levenssappen krijgen de LEVENDE ranken wèl. En die bekomen zij door het g e l o o f!

De mens is geestelijk dood, dood in zonden en misdaden, missend alle waarachtig geestelijk leven, zoals ook onze briefschrijver terecht opmerkt.

Het is nu door de WEDERBARENDE werking van de Heilige Geest, wanneer een dode zondaar deel krijgt aan het NIEUWE LEVEN der genade. En dit nieuwe leven kan nooit anders dan uit Christus zijn, „Die het leven en de onverderfelijkheid aan ’t licht gebracht heeft.” II Tim. 1 : 10.

Wanneer nu iemand het nieuwe leven in de wedergeboorte of inlijving in Christus deelachtig wordt, zal dan zo iemand dadelijk met volle verzekerdheid durven zeggen, dat Hij Christus deelachtig is? We hebben al eens meer opgemerkt, dat de zondaar dan eerst ONTDEKT wordt aan zichzelf, zoals de verloren zoon tot zichzelven kwam. Dan ziet hij, dat hij tegen God gezondigd heeft en al heeft hij nog zoveel van Jezus gehoord en gesproken, hij kent Hem niet. De levensvraag van de wedergeborene is: Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? Is er enig middel om de welverdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen? Opmerkelijk is, dat onze Heidelberger, die deze vraag stelt, niet dadelijk komt met het antwoord: ja hoor: het is Jezus Christus, maar dan luidt het antwoord: „God wil, dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede.” En door nader ontdekkend onderwijs wordt er plaats gemaakt voor Christus, Die uit het heilig Evangelie gekend wordt.

Door het geloof wordt Hij geopenbaard en geschonken aan het ontledigde hart.

De vraag is nu: gaat het geloof aan de wedergeboorte vooraf of omgekeerd?

Volgens Schrift en belijdenis gaat de wedergeboorte aan het geloof vooraf. Want hoe kan men waarlijk geloven zonder dat men wedergeboren is?

Dit geeft ook de HEILSORDE aan, welke de Bijbel stelt. De apostel schrijft in Rom. 8 : 30: „Die Hij te voren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen (dit is hier de INWENDIGE roeping, waarbij de wedergeboorte plaats heeft) en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd (welke rechtvaardiging geschiedt door het geloof) en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt.”

Wanneer we de verdelingen bezien, die onze oudvaders in de heilsorde gesteld hebben, zien we, dat men steeds de wedergeboorte v ó ó r het geloof stelt. We noemen: v. Mastrigt, Francke, Brakel. En bij de nieuwe theologen: Gravem eyer, Bavinck en Wisse.

Wel-is-waar stelden Calvijn en art. 24 van de Nederl. Geloofsbelijdenis het geloof vóór de wedergeboorte. Wanneer beide echter spreken over de wedergeboorte, zien zij de wedergeboorte niet maar als in de aanvang van het nieuwe leven, maar tevens ook in het geheel van haar voortzetting, zoals deze zich openbaart in heel het werk van de bekering, dat zich voltrekt in héél het leven van de wedergeborene. Zo gezien, gaat dus de geloofsinplanting vooraf.

We moeten dus vasthouden aan de orde, welke onze vaderen in de heilsorde stellen en bovenal zoals de Heilige Schrift die aangeeft.

Bovendien zijn grote gevaren niet denkbeeldig, wanneer men aan de wedergeboorte het geloof doet voorafgaan. We bedoelen in deze zin, dat men vandaag in de prediking sterk benadrukt: je moet geloven, Jezus aannemen. Dat men wedergeboren moet worden en bekeerd, wordt vaak nauwelijks of niet meer genoemd.

Nu willen we hiermede niét zeggen, dat het niet aankomt op het geloven. De eis des geloofs houdt de Bijbel ons duidelijk voor, maar n i e t in die zin, dat de mens zèlf kan geloven, maar dat die eis zal uitdrijven tot den Heere, evenals de eis tot bekering met de bede: Heere, bekeer Gij mij, zo zal ik bekeerd zijn.

De Schrift zegt duidelijk, dat het geloof een gave Gods is, door de Heilige Geest gewerkt in het hart, door het Woord! Zie Efeze 2 : 8; Rom. 10 : 17.

Wanneer Gods Geest de zondaar wederbaart, werkt Hij tevens het beginsel van het ware geloof in het hart. Dit beginsel bevat het volkomen geloof. Christus zegt: „indien ge een geloof had als een mosterdzaad.” In het zaad toch ligt de gehele plant besloten. Maar de w a s d o m is nodig tot de ontwikkeling en tot het uitgroeien van dat zaad tot plant of boom en tot vrucht.

In het w e z e n van het geloof ligt dus alles inbegrepen, maar de b e o e f e n i n g van het geloof is nodig om in die wasdom te delen en de vrucht te openbaren.

Nog één opmerking en dan besluiten we deze les. Wanneer onze vaderen spraken van „geloofsvermogen” en „geloofsdaden” bedoelden zij niet om hiermee aan te geven, dat er een tussentijd kan liggen tussen die beide. Wanneer de Heilige Geest de gave van het ware geloof schenkt, dan zullen de geloofsWERKZAAMHEDEN niét kunnen uitblijven, zoals smart over de zonde in een droefheid naar God, hongeren en dorsten naar den Heere, naar Zijn Woord, naar Zijn heil!

En hoe kunnen deze werkzaamheden plaats hebben, indien de zondaar niet eerst w e d e r g e b o r e n wordt, vernieuwd?

Gaarne vertrouwen we, dat onze gewaardeerde briefschrijver een en ander wat duidelijker is geworden en mogelijk ook anderen.

Geve de Heere ons die zielswerkzaamheden met den Heere bij de aanvang en bij de voortgang ook tot nadere bevindelijke kennis van Christus als de enige en volkomen Middelaar en Borg voor een diep-schuldig volk!

Urk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.