+ Meer informatie

DE BEKERING

13 minuten leestijd

Volgens de Heilige Schrift

Met behulp van een concordantie is vast te stellen, dat er in het Oude Testament meer gesproken wordt over bekering dan over geloof. In het Nieuwe Testament is het andersom.

Het Oudtestamentische woord heeft ons veel te zeggen. Het duidt niet slechts verandering in iemands leven aan, maar een radicale ommekeer. De hebreeuwse term staat voor zich omkeren en terugkeren.

Zich bekeren tot God en zich bekeren van de zonde gaan samen (1 Kon. 8 : 33, 35). Mensen die zich van God hadden afgekeerd en op de verkeerde weg waren, worden door Hem opgeroepen om zich te bekeren. De terugkeer tot Hem wordt zichtbaar in daden van boete en berouw en in een nieuw leven.

Wat hebben de profeten op de noodzakelijkheid van de bekering gewezen!

Soms is de profetische prediking van oordeel en genade, die tot bekering leiden moet, meer op het volk Israël als geheel gericht, omdat het de Here verlaten heeft, en soms meer op de mensen die van Hem zijn afgedwaald.

Maar dat maakt in wezen geen verschil.

Het moet een zaak van het hele hart zijn. Trouweloze, Juda, bekeerde zich niet met haar gehele hart, maar alleen in schijn (Jer. 3:10). De onbekeerlijkheid van het volk kwam duidelijk uit (vgl. Jer. 25 : 3-7) en het gericht kon niet uitblijven (Jer. 25 : 8-38). Maar behalve de eis is er de belofte van bekering. In Hosea 14:2 en 3 staat: Bekeer u, Israël, tot de HERE, uw God, want door uw ongerechtigheid zijt gij gestruikeld. Komt met woorden van schuldbelijdenis, bekeert u tot de HERE. Het is geen eis zonder een belofte: Ik zal hun afkerigheid genezen, Ik zal hen vrijwillig liefhebben, want mijn toorn keert zich van hen af.

Bij Gods belofte behoort het gebed: Bekeer mij, dan zal ik mij bekeren, want Gij, HERE, zijt mijn God (Jer. 31 : 18).

De Here HERE roept Israël toe: Bekeert u en wendt u af van al uw overtredingen. Vernieuwt uw hart en uw geest. Waarom toch zoudt gij sterven, huis Israëls? Maar Hij belooft ook: Een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste. Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en maken, dat gij naar mijn inzettingen wandelt. (Ez. 18:30, 31: 36: 26, 27).

De aankondiging van het oordeel moet tot bekering dringen.

Een niet minder sterk motief is echter het woord van genade. Scheurt uw hart en niet uw klederen en bekeert u tot de HERE, uw God. Want genadig en barmhartig is Hij, lankmoedig en groot van goedertierenheid, berouw hebbende over het onheil (Joël 2 : 13). Bekering is de weg tot het heil, tot de vergeving van zonden (Jes. 55:7) en het leven (Ez. 33:11).

Op verschillende bladzijden van de Bijbel wordt beschreven, hoe mensen zich tot God bekeren. Soms moet iemand eerst in het nauw raken, zoals koning Manasse. Toen zocht hij de gunst van de HERE, zijn God, Hij verootmoedigde zich diep voor het aangezicht van de God en zijn vaderen (2 Kron. 33:12). De belijdenis van schuld en het gebed om vergeving kunnen niet gemist worden. De God van zijn vader Hizkia, de God van het verbond, verhoorde hem. Daar volgt in deze korte samenvatting van de bekeringsgeschiedenis van Manasse op: En Manasse erkende, dat de HERE God is.

Wat we lezen van David na zijn zonde met Bathseba, mogen we ook bekering noemen, al ontbreekt het woord in 2 Samuël 12. David was op de verkeerde weg en moest opnieuw tot bekering komen. Daar wordt ook om gebeden in Psalm 51: Schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in mijn binnenste een vaste geest; verwerp mij niet van uw aangezicht, en neem uw Heilige Geest niet van mij; hergeef mij de blijdschap over uw heil, en laat een gewillige geest mij schragen.

In de oorspronkelijke taal van het Nieuwe Testament worden twee woorden gebruikt (metanoia en epistrophè), die beide kunnen worden weergegeven met ’bekering’. Men zegt wel eens, dat het eerste wijst op een veranderde gezindheid en het tweede op een andere levenswandel. Als deze beide woorden op elkaar volgen zoals in Handelingen 3 :19 en 26 : 20, kan men vertalen: inkeer en bekering of berouw en bekering.

De prediking van Johannes de Doper luidde: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. De Here Jezus Christus heeft de boodschap van het evangelie op dezelfde wijze onder woorden gebracht. Het motief van het dreigende oordeel komt bij Johannes sterk naar voren. Toch heeft Calvijn gelijk, als hij in het derde hoofdstuk van het derde boek van de Institutie zegt, dat Christus, de Here, en Johannes de oorzaak van de bekering afleiden van de genade en van de belofte van de zaligheid. Het eerste is de proclamatie van de genadige heerschappij van God in Christus. Juist daar vloeit de oproep tot bekering uit voort.

Er gaat bij de bekering veel door een mens heen. De verloren zoon uit de gelijkenis kwam tot zichzelf en zei: Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten. De vader ontvangt hem dan met open armen. Er zal blijdschap in de hemel zijn over één zondaar die zich bekeert (Luc. 15:7).

De Heiland, die zelf gekomen is om zondaren tot bekering te roepen en gezegd heeft: Bekeert u en gelooft het evangelie (Mare. 1 : 15), heeft zijn apostelen en daarmee zijn kerk de opdracht gegeven om in zijn naam bekering tot vergeving van zonden te prediken aan alle volken, te beginnen bij Jeruzalem (Luc. 24 : 47).

In het boek Handelingen zien we het gebeuren. Joden moeten zich bekeren (Hand. 2 : 38; 3:19), maar heidenen niet minder (Hand. 14 : 15; 17 : 30). Paulus heeft Joden en Grieken betuigd zich te bekeren tot God en te geloven in onze Here Jezus (Hand. 20 : 21). De bekering is een overgang uit de duisternis in het licht, uit de macht van de satan tot God (Hand. 26:18). Het tot bekering of geloof en bekering komen (Hand. 9:35; 11:21) is beslissend voor de eeuwigheid.

Waar de bekering werkelijkheid wordt, zullen er ook vruchten van de bekering zijn. We zien daar iets van bij Zacheüs en weer anders bij de gevangenbewaarder uit Filippi (Luc. 19:8; Hand. 16 : 33, 34).

De apostel Paulus zegt in zijn brieven, dat de goedertierenheid van God tot boetvaardigheid (bekering) leidt (Rom. 2:4), en dat de droefheid naar Gods wil een onberouwelijk inkeer (bekering) tot heil brengt (2 Kor. 7:10).

Tegenover de droefheid van de wereld, die hopeloos is en die de dood brengt, stelt de apostel de droefheid die aan Gods maatstaf en Gods bedoeling beantwoordt. Dan komt het tot een bekering, die onberouwelijk is en die leidt tot het eeuwig behoud.

Niet ieders bekering lijkt zo ingrijpend als die van koning Manasse of die van Saulus van Tarsus. Maar zonder bekering kan niemand.

Daarbij is niet alleen te denken aan de overgang uit de duisternis in het licht, maar ook aan een steeds meer breken met het kwaad en een zich steeds meer richten op God en op het doen van zijn wil.

Tot de discipelen komt het scherpe woord van Jezus: Voorwaar, Ik zeg u, wanneer gij u niet bekeert en wordt als de kinderen, zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan (Mat. 18:3). In Openbaring 2 en 3 lezen we herhaaldelijk, dat tot een gemeente gezegd wordt: Bekeer u. Het wordt uit het verband duidelijk, waarom bekering nodig is en geen uitstel lijden kan.

Het woord ’bekeert u’ komt trouwens in het evangelie van Christus in de grondtaal in een vorm voor die aangeeft, dat de bekering moet doorgaan.

Met een variant op de eerste van de 95 stellingen van Luther kan men zeggen, dat het gehele leven van de gelovigen op aarde in het teken van de bekering zal moeten staan.

Volgens de belijdenis

We treffen in de Dordtse Leerregels een heel belangrijk hoofdstuk aan, dat handelt over de verdorvenheid van de mens en zijn bekering tot God.

De achtergrond daarvan is het leergeschil met de remonstranten, die de mogelijkheid om zich tot God te bekeren aan de mens zelf toeschreven. Hij had immers een vrije wil.

Met grote nadruk leert de kerk, dat wij zonder de genade van de Heilige Geest niet tot God willen en kunnen wederkeren. Als wij komen en bekeerd worden, is dat het werk van God, die ons uit de duisternis riep tot zijn wonderbaar licht. Door de genade die hij ontvangen heeft, gelooft de mens en bekeert hij zich (hoofdstuk III/IV, 3, 10, 12).

De kerk belijdt niet alleen, dat de bekering Gods gave is, maar ook dat het onze roeping is ons tot God te bekeren. Er is een bevel van bekering en geloof. Dat staat niet op zichzelf, maar het komt mee met de verkondiging van de belofte van het evangelie (II, 5). Als velen die door het evangelie geroepen worden, toch niet komen en zich niet bekeren, ligt de schuld daarvan bij henzelf (III, 9). Niemand mag er God dus een verwijt van maken, als het in zijn leven blijft zoals het was.

Dat de bekering Gods gave en tegelijk onze roeping is, moeten we niet als een tegenstelling beschouwen. Het zijn twee bijbelse lijnen en vooral in de verwerping der dwalingen bij dit hoofdstuk van de Leerregels vinden we er ook Schriftbewijs voor.

Er waren vroeger twee opvattingen die afgewezen moesten worden en ze bestaan nog. Enerzijds hoort men zeggen: God is wel zo goed om ons de gelegenheid te bieden om ons te bekeren, maar de bekering zelf is onze eigen zaak. Anderzijds wordt gezegd: God zal het moeten doen en wij moeten het dan maar afwachten.

De Here God eist echter met het volste recht van ons, dat wij ons tot Hem bekeren. Wij zijn schepselen en daarmee is onze verantwoordelijkheid al gegeven. Daar komt voor velen die de roepstem van God horen, nog bij, dat zij kinderen van het verbond zijn. De God van het verbond, die zich eerst tot ons gewend heeft, vraagt dat wij ons tot Hem wenden. Hij bewerkt dat ook zelf door zijn Woord en Geest. In Jeremia 3 : 22 staat het woord van de God van het verbond: Keert weder, afkerige kinderen, Ik zal uw afdwalingen genezen. Het antwoord is: Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de HERE, onze God.

Het is gebruikelijk geworden om onderscheid te maken tussen de eerste of principiële bekering en de voortgaande of dagelijkse bekering. Daar is ook bijbelse grond voor.

Wie de belijdenisgeschriften raadpleegt, vindt de voortgaande bekering in Zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus beschreven en de eerste bekering in de Dordtse Leerregels.

De waarachtige bekering bestaat in de afsterving van de oude mens en de opstanding van de nieuwe mens: een hartelijk leedwezen over de zonde en een hartelijke vreugde in God; een hoe langer hoe meer haten en vlieden van de zonde en een lust en liefde om naar de wil van God in alle goede werken te leven.

Het woord ’waarachtig’ staat er in de Catechismus bij, omdat er ook allerlei schijnbekeringen of onechte bekeringen zijn, waarvan sommige wel eens aangeduid worden als bekeringen van de zonde tot de deugd of bekeringen uit vrees voor de gevolgen van het kwaad en niet uit liefde tot God. Bekoring door het evangelie is ook nog geen bekering.

Verder kan men spreken van een hernieuwde bekering, waarbij te denken is aan de bekering tot God na het vallen in grove zonden.

In de Leerregels worden twee voorbeelden uit de bijbel gegeven: David en Petrus. Ook van deze hernieuwde bekering geldt, dat het Gods gave is en tegelijk onze roeping. We lezen in hoofdstuk V: ’totdat hun, wanneer zij door ernstige boetvaardigheid op de weg wederkeren, het vaderlijke aanschijn Gods opnieuw verschijnt’. Daar ligt in opgesloten, dat God van zijn kinderen deze boetvaardigheid verwacht. Maar de kerk belijdt ook, dat God de zijnen door zijn Woord en Geest zeker en krachtig vernieuwt tot bekering (V, 5 en 7).

De bekering blijft aan de orde

Bekering is maar moeilijk. Wat de Bijbel en de kerk ervan zeggen, is niet zo onbegrijpelijk, maar wij hebben er grote moeite mee. Mensen willen nog wel eens veranderen. Maar zich bekeren - moet dat?

Hier blijkt weer dat het evangelie niet naar de mens is. Maar de bekering tot God als gave en eis tegelijk niet aan de orde laten komen, is ingaan tegen de boodschap van het Oude en Nieuwe testament.

Nieuwtestamentisch gezien is het leven van van een christen een leven in het geloof. Het moet ook een leven van bekering genoemd worden. Geloof en bekering, bekering en geloof zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Er is een eerste bekering, die een beslissende wending tot God is. De echtheid ervan zal altijd moeten blijken in een voortgaande of dagelijkse bekering. Wie bekeerd is, keert zich altijd weer tot God. Er is ook niemand wiens toewending tot God en afkeer van de zonde nu al volkomen is. Het is een strijd die ons leven lang duurt.

Ook daarom bedenken we dat de bekering aan de orde blijft, omdat het voor wie onderscheiden kan, waarop het aankomt, duidelijk wordt, wat het gericht zijn van het hart op God en zijn dienst in de praktijk van het leven met zich meebrengt. We staan in allerlei relaties en komen in verschillende situaties terecht. De Bijbel bevat geen artikel of voorschrift voor elk voorkomend geval. Maar als we ons eenmaal gekeerd hebben tot onze God en ons steeds opnieuw tot Hem keren, wordt ons leven beheerst door de vraag, die een van de kenmerken was van de bekering van Paulus: Here, wat moet ik doen? Of zoals in Psalm 86 staat: Leer mij, HERE, uw weg, opdat ik in uw waarheid wandele; verenig mijn hart om uw naam te vrezen.

Het is bijbels om op de concreetheid van de bekering te wijzen. In de wet en in het evangelie wordt ons voor ogen gesteld, wat de Here van ons vraagt. Wat hebben de profeten de dingen bij de naam genoemd! Brengt dan vrucht voort, die aan de bekering beantwoordt, zegt Johannes de Doper (Mat. 3 : 8).

Wie nagaat, of er nu anders over de bekering gedacht en gesproken wordt dan vroeger, neemt een tendens waar, al is die niet algemeen, om minder de nadruk te leggen op de eerste bekering en op de bekeringsweg, en meer op de voortgaande bekering.

Het is wel nodig, dat we oog hebben voor de veelzijdigheid van wat de Bijbel bekering noemt.

We dienen ook het gevaar te zien van de voorstelling, dat de bekering naar een bepaald model of volgens één ideaal schema zou verlopen, waarbij de volgorde van ellende, verlossing en dankbaarheid of de theologische orde van wet en evangelie dikwijls een grote rol speelt. Er is meer verscheidenheid in het werk van de Heilige Geest dan wel eens wordt aangenomen.

De reaktie mag echter niet zijn, dat men het woord ’bekering’, als men het nog gebruikt, zo verbuigt, dat het alleen nog slaat op een anders handelen op maatschappelijk en politiek gebied. Dan is het hart eruit.

Bovendien kan het gemakkelijk gebeuren, dat men er anderen de wet mee stelt en zelf buiten schot blijft.

We moeten altijd bij onszelf beginnen. De bekering is voor iedereen een persoonlijke zaak, ook en juist ook in de verbondsgemeente.

In de ’Gemeenschappelijke verklaring ten aanzien van de toeëigening des heils’ (1975) staat niet voor niets, dat van christelijk-gereformeerde zijde betoogd werd, dat de oproep tot geloof en bekering in de lijn ligt van Schrift en belijdenis (Zondag 31 en 33 van de Heidelbergse Catechismus).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.