+ Meer informatie

DE WARE EENHEID GODS WERK

7 minuten leestijd

2

De éénheid een wonder van Gods werk. In de symbolische handeling, die de profeet Ezechiel moet doen, komt het sprekend uit. De profeet moet de twee houten Juda en Jozef nemen en ze in zijn hand tot elkaar laten naderen, zodat ze één worden in zijn hand. En de boodschap moet hij erbij laten klinken tot de ballingen van de kinderen Israëls en Babel: Zie, Ik zal het hout van Jozef, dat in Efraims hand geweest is en van de stammen Israëls zijn metgezellen nemen, en Ik zal dezelve met hem voegen tot het hout van Juda en zal ze maken tot een enig hout, en zij zullen één worden in Mijn hand...”

De ballingen van Israël mogen het horen en zien in de samengevoegde houten in de hand van de profeet Het woidt bijzondei tot hun onderwijs en bemoediging gezegd. Zij behoeven niet te denken, dat er niets meer van terecht komt. Het is goed, dat zij weten dit zelf wel duizend keer verdiend te hebben. Doch de Heere zal uit éénzijdige trouw krachtens Zijn eigen Verbond het anders gaan maken. Hij maakt langs de weg der bekering een verscheurd volk tot een enig volk.

En alleen in Gods hand. Dat wijst erop, dat het geen maakwerk van mensen is, als Jozef en Juda weer verenigd worden. Geen vrucht van menselijke inspanning of prestatie. Het is het werk van God Zelf door Zijn genade en Geest. Daar is het hier vol van, van het profetische „Ik zal”. God doet het. En God doet het alleen. Niets van de mens komt hier in aanmerking. Heus, dat wil niet zeggen, dat de Heere Zijn profeet van de arbeid ontslaat. Verre vandaar. Hij moet deze handeling verrichten voor de ogen van het volk. Hij moet de boodschap overbrengen in gehoorzaamheid aan het volk. Het is net als in het gezicht van de dorre doodsbeenderen. Geen been kon hij levendmaken. Hij kon de graven van Israël ook niet openmaken. Het is alles even onmogelijk. Maar toch de Heere gebiedt: Profeteer, mensenkind! Wee, als Gods profeten van alle tijden het niet doen. De nood is hun opgelegd. In de weg der middelen hebben zij onverstoord te gaan.

Maar in deze weg maakt God één. Er is wat menselijk maakwerk in onze tijd. Dan wordt aan elkaar geplakt, wat niet één is. Dan kunnen we het met elkaar in veel dingen wel eens zijn, terwijl toch de wezenlijke eenheid ontbreekt. De brede oecumenische bewegingen van onze tijd zijn er een waarschuwend voorbeeld van. De muren worden gesloopt, die gescheiden moesten houden om de meest heilige beginselen. Zo kan en mag het nimmer. Nimmer kan er een wezenlijke eenheid zijn, waar de prediking van vrije genade met verbindt en de mens in zijn doodstaat voor God niet gesteld wordt, waar het werk van de Heilige Geest met in Zijn noodzakelijkheid en doorwerkende kracht gehoord wordt.

Eén in Gods hand. Dat is in de hand van de gemeenschap in Christus. Zonder hier vreemde verklaringen te zoeken is het duidelijk, dat hier de heenwijzing is naar Christus. De hand van Gods trouw is geopend in Gods ontfermende liefde in Christus. In Hem alleen is de ware eenheid te vinden. In de gezegende Koning van de Kerk. In Hem zijn waarheid en eenheid verenigd. En Hij is niet gescheiden. Daarom zijn waarheid en eenheid ook met te scheiden. In Hem wordt de gehele Kerk des Heeren verenigd in de waarheid. En de Heilige Geest brengt bij elkaar in de hand van God, in Christus. Overal haalt die Heilige Geest de brokstukken vandaan en voegt ze tot één. Vergeet het toch met, dat Jozef en Juda niet alleen gescheiden zijn, maar zelf ook ieder nog verstrooid. Maar Ezechiel moet de beide houten als één tonen. Zo zal God het doen. Hij haalt alles bij elkaar en laat het als het ene Israël openbaar komen in Gods hand. Wat een toekomst gaat er zo open voor Israël. Zo zal Efraim Juda niet meer benijden en Juda Efraim met meer benauwen. Wellicht zegt u: Wanneer wordt dat vervuld? Eenmaal en telkens weer. Het profetische Woord predikt Christus als Degene in en door Wie dit vervuld wordt. Hij is het Die het fundament voor de ware eenheid legt terwijl Hijzelf onder de hand van God aan het recht van God moet behalen. Hij draagt de zonde van de verscheurdheid in zijn lijden én draagt die weg. En door Zijn Geest laat Hij het openbaar komen, dat genade verenigt. Op de Pinksterdag is de Kerk eendrachtig bijéén en gaat er een sprake van de onderlinge eenheid uit.

Die vervulling blijft waar ook anno 1974. Wij gaan hier met in op de betekenis voor Israël, die er ongetwijfeld in deze handeling ook ligt voor de toekomst. Hartelijk geloven we, dat de Heere Zijn Kerk niet zonder Israël zal laten. Maar we zien hier toch allereerst, dat Hij het zal laten zien ook in de gescheurde en verdeelde kerk.

Het lijkt alleen maar ontmoedigend, wat we voor ogen zien. Iemand heeft eens gezegd: het lijkt wel of de brokstukken der kerk hier en daar nog overblijven. Snel werkt het proces der verwereldlijking door over het erfdeel van de kerk. We kunnen en mogen de verdeeldheid niet los zien van het verval. Dat is juist vaak de grote fout van onze tijd bij velen, die aan elkaar willen lijmen, wat niet bij elkaar hoort. We moeten weer lief voor elkaar zijn en men ziet niet naar de achtergronden van de verdeeldheid in het totale proces, dat van God afvoert. Wat moet de Heere niet zeggen tegen de zeven gemeenten in Klein-Azië? Als we niet onder de tucht van Gods Woord terecht komen in onze tijd en we willen wel zonder meer allerlei vermaningen tot eenheid in de piaktijk brengen, dan is er totaal niets van te verwachten. Al met al is het een Babel van verwarring voor het oog. En vooral onze jonge mensen moeten wel bijzonder door dat alles wel weinig jaloers gemaakt worden op de dienst des Heeren. En daar brengt het heenwerken over al de breuken heen tot een evangelie van de grootste gemene deler geen uitkomst in.

We hebben vandaag nodig kerkelijke levendmaking, persoonlijke levendmaking allereerst. De grote vraag voor ons allen is toch uiteindelijk: zijn wij van het dodenveld gehaald? Uit het doodsgraf verrezen? In deze wonderdoende God is kracht ten leven. Hij laat met voor niets aan die hopeloze ballingen dit alles zien en prediken. Houdt er toch op aan. Wat is het erg onbekeerd te zijn. Erger is er toch voor een mensenkind niet. En dat onder de welmenende prediking van de beloften Gods. Als God het tot Zijn dienstknechten gezegd heeft: Profeteer, mensenkind, dan zal Hij Zijn zegen er nog aan verbinden. Die God is nu nog dezelfde. We kunnen de Heere zo tekort doen, als de klacht over de toestand van Gods erfdeel in onze tijd een aanklacht van Hem wordt. Zijn hand is niet verkort om te verlossen. En juist in de aanklacht van onszelf gaan veel klachten over en wordt het verwacht van de wonderen Gods.

Voor het volk van God is er dan verwachting. Wat voor ogen is benauwt. Het meest, dat God zo weinig aan Zijn eer komt. Ook in de breuken en verdeeldheden tussen die God vrezen. Het gaat de Heere ook in de vereniging van allen die Zijn Woord hebben leren beminnen om de grootheid van Zijn Naam en dienst.” Zo zullen zij Mij tot een volk zijn en Ik zal hun tot eer God zijn”. Daarin zal God de eer krijgen en zal het heil gekend worden. En dat is niet het resultaat van óns doen, maar de zegen van Góds werk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.