+ Meer informatie

Mensenkennis II

14 minuten leestijd

1 Wie is de ander ?

In de mensenkennis gaat het om het kennen van de ander, onze naaste, ons medelid dat wij als ambtsdrager in de gemeente ontmoeten.

Hij is inderdaad een ander als wij en wij zoeken een ontmoeting met hem, een contact om hem (haar) te leren kennen. Wij doen dit niet uit lust om in een anders leven te graven, dat zou een totaal verkeerde instelling zijn.

Wij zijn als ambtsdragers ook geen geestelijke recherseurs. Het gaat om de ambtelijke dienst die we in de naam des Heren verrichten. Een hele tere zaak dus.

Nu zullen wij moeten bedenken dat een mens het meest ingewikkelde schepsel is dat denkbaar is. Dit is allereerst bepaald door al de mogelijkheden van het geschapen zijn door God en daarin tegelijk — nu hij gevallen schepsel is — door al de mogelijkheden (ook onmogelijkheden) van het zondaar-zijn, d.i. het niet zijn, zoals hij móest en mócht en kón zijn.

En tegelijk is er die andere mogelijkheid (werkelijkheid), dat God de Here in deze mens zijn genade, die verandering, vernieuwing en verlossing teweegbrengt, verheerlijkt en hem zo tot een nieuw mens maakt, in wie het schepsel zijn èn het zondaar zijn het bestaan van deze mens kenmerken. En wat hij zo is, dat is hij voorlopig en onvolkomen. Inderdaad een gecompliceerd geval en, door de genade Gods, een wonder tegelijk. Deze trekken zijn niet gevormd door de mens zelf; zij hangen samen met zijn verhouding tot God.

Daarbij zijn deze algemene trekken, in verscheidenheid aanwezig niet alleen, maar zij zijn ook gedurende zijn leven in ontwikkeling. Wij zeggen immers dat „er niets veranderlijker is dan een mens” ?

Hierbij komt nog de moeilijkheid bij het kennen van de ander, dat wij, die deze ander zoeken te kennen, net zulk een gecompliceerd „geval” zijn als de ander, zij het ook weer anders dan hij. Dit maakt het kennen van mensen door mensen niet gemakkelijker. Dit te weten dwingt tot bescheidenheid. Onze kennis van de ander blijft betrekkelijk. En dit is maar gelukkig ook want kenden wij de ander, zoals God ons allen kent, wij zouden dit niet kunnen dragen. Het zou onmogelijk zijn om de ambtelijke bediening te dragen.

Wij moeten dan ook maar niet de pretentie voeren, dat wij de ander zo gemakkelijk kunnen kennen. Een jongeman, die voor de ambtelijke dienst stond, meende dat het heel spoedig te horen was met wie men te doen had. Naar zijn gedachte kon men uit een paar woorden de ander wel leren kennen. Hij zal later wel tot de ontdekking gekomen zijn dat het zo vlot niet ging. In de boeken der Wijsheid in de Schrift vindt men de regel dat een dwaas zich makkelijker doet kennen dan een wijze. In de Statenvertaling vindt men het heel scherp: Een zot laat zijn ganse geest uit maar een wijze wederhoudt dien achterwaarts.

Ik kom nog even op de boven aangegeven verscheidenheid in het mens-zijn van de ander, waarop ik wees.

Wij moeten er bij het zoeken te kennen van de ander mee rekenen dat deze verscheidenheid door twee factoren beïnvloed wordt en ook min of meer ontstaat.

Het eerste is de wijze, waarop de mens zijn menszijn beleeft en het andere zijn de invloeden die een mens ondergaat van de wereld rondom hem. Het eerste betreft dus meer het innerlijke, het andere meer de invloed van buiten af.

Wat nu het beleven van het menszijn betreft kunnen we zeggen dat de beleving van het menszijn zich voltrekt in drieërlei „sfeer”. Men spreekt hierbij wel van de vitale, de psychische en de geestelijke sfeer. Deze onderscheiding mag — als alle onderscheidingen — niet absoluut genomen worden. Men kan ze niet scheiden, zij vormen de totaliteit van het menselijk bestaan. Wel hangen ze onlosmakelijk met elkaar samen maar ze kunnen toch ook in een leven elk een heel bijzonder accent hebben en op een bepaalde wijze de houding en de gerichtheid van het leven van een mens bepalen.

Wie sterk vitaal leeft zal grote vreugde beleven aan zijn lichamelijk welgevoelen. Zulk een mens zal ingesteld zijn op al wat dit welgevoelen bevordert en kan doen ontplooien. Het tegendeel kan natuurlijk ook waar zijn bij hen die door hun lichamelijke moeilijkheden gedrukt door het leven gaan en daardoor beheerst worden.

In de psychische sfeer gaat het meer om het bewust ervaren van het eigene, het beleven van ons-zelf-zijn. Een sterk zelfbewustzijn geeft een sterk zelfvertrouwen dat tot overmoedigheid kan leiden. Ook hier is het tegendeel mogelijk. Gebrek aan zelfbewustheid geeft innerlijke onzekerheid, gebrek aan zelfvertrouwen, dat tot minderwaardigheidsbesef kan brengen.

Bij de geestelijke sfeer denken we meer aan verschillende „gevoelens” die het willen, denken en handelen bepalen. Men kan hier religieuse gevoelens-, gevoelens voor wat goed, waar en schoon is onderscheiden alsook gevoelens omtrent de verhouding tot anderen, (sociale gevoelens ).

In deze heel ruw aangegeven gecompliceerdheid van een mens is het nu mogelijk — temeer omdat de mens los van God geworden is — dat de ene sfeer de andere overheerst. Dit kan vergrovend maar ook verfijnend werken in het leven. Er is nogal verschil tussen een „ruwe bonk” en een „fijne geest”.

Deze gevarieerdheid in het leven van de ander, maakt uit hoe wij de ander ervaren in een ontmoeting. Wij vinden hem (haar) ……… vult u maar in. De mens zelf ervaart in de kern van zijn bestaan (ik) zelf ook dat hij ……… is. Dit geheel van het innerlijk van de mens met zijn typische accenten drukt zich uit in zijn houding, zijn spreken, zijn doen, kortom in de eigen manier waarop hij zich openbaart.

Nu is er niet alleen de innerlijke structuur, die bepaalt wie de ander is. Er zijn ook invloeden van buiten af, die mee bepalend hebben ingewerkt en nog inwerken op het zo zijn van de mens. Ook deze invloeden — vaak onbewust ondergaan -- stempelen iemand. Kort wijs ik op enkele zaken, die hier genoemd kunnen worden.

Allereerst denk ik aan de afkomst, het milieu, de gewoontevorming in een bepaalde streek, de geestelijke ligging, alsook het beroep.

Dan kunnen we ook denken aan de intellectuele ontwikkeling, alles wat men door onderwijs ontvangen heeft en min of meer ingebouwd heeft in heel zijn levenspatroon.

In dezelfde lijn ligt de kerkelijke bearbeiding en de geestelijke opvoeding, die men genoten en ondergaan heeft of ook het gemis daarvan.

Verder valt te wijzen op de levensweg, die men gegaan is. Bij de een verliep alles vlot en aangenaam bij de ander was het leven vol tegenslagen, teleurstellingen, tegenvallers, verliezen enz. enz.

Tenslotte nog twee factoren, die ook het beeld van de ander, met wie wij in aanraking komen hebben beïnvloed. Ik denk aan wat men de „vertikale mobiliteit” noemt, het opklimmen in het leven b.v. iemand uit een heel eenvoudig milieu klom op tot een betekenisvolle plaats in het leven. Het is de vraag hoe hij dit verwerkt heeft in zijn leven.

Naast de genoemde factor en er vaak mee verbonden staat de z.g.n. „urbanisatie” de verstedelijking. De industrialisering in ons land heeft veel bewoners van het platteland naar de steden gebracht met al de gevolgen daarvan. Men woont anders, men werkt anders, men leeft anders enz.

Afzonderlijk kan dan nog gewezen worden op wat men met een verzamelnaam „de geest van de tijd” noemt. Allen ondergaan niet alleen maar de uiterlijke gevolgen daarvan, in wat de welvaart heet, maar men ondergaat ook de instelling van de tijdgeest in het nadruk leggen op het uiterlijke, het jagen naar meer, al maar meer, door de schijnbaar onbegrensde mogelijkheden van het moderne leven.

Men mag deze algemene trekken niet uit het oog verliezen, wanneer wij in de ambtelijke arbeid mensen zoeken te kennen. Al deze trekken zijn mee bepalend voor de wijze, waarp iemand „geestelijk” leeft, denkt en spreekt. Juist als wij iemand nader leren kennen zullen we dit bemerken.

2 Belemmeringen tot echte mensenkennis

Omdat de voor de uitoefening van de ambtelijke arbeid noodzakelijke mensenkennis in de praktijk verkregen wordt, wil ik nu op enkele factoren wijzen, die hierbij belemmerend kunnen werken. Ook hierbij beöog ik geen volledigheid. Wie eerlijk tegenover zichzelf is zal uit enkele vingerwijzingen eigen gebreken in dezen kunnen ontdekken.

Wij kunnen, wanneer het over mensen gaat, niet van een tevoren vaststaand beeld uitgaan. Het gaat niet om de mens, de kerkmens, de christen, de jeugd, de bejaarde, de mens van vandaag, de onbekeerde, de bekeerde mens enz. Allen, die tot deze groepen behoren zijn dit toch op een bepaalde, eigen wijze. Het leven is niet schematisch te grijpen.

Hiermede is niet gezegd dat er geen algemene trekken zijn, die aan deze en andere groepen eigen zijn. Dit is zeker het geval. Allen zijn zondaar, allen behoeven de genade, allen zijn sterfelijk enz.

Maar wie de ander zo schematisch benaderen wil zal telkens tot de ontdekking komen dat hiermede het eigene van iemand niet gekend wordt en dat de ander, wanneer hij uit zulk een algemene typering benaderd wordt, het gevoel heeft toch niet verstaan te worden. Het gevolg zal dan ook zijn dat er geen echt contact ontstaat omdat de juiste tact in de benadering ontbreekt. De ander kan zich bij zulk een benadering miskend voelen en niet verstaan weten. Hetzelfde is er ook wanneer men de ander vanuit zichzelf, vanuit eigen weg en vanuit eigen geestelijke ervaring benadert. Men past dan eigenlijk een schematisch model op de ander toe, waarin de ander zichzelf niet herkent.

Leerzaam is het verhaal dat ik eens hoorde — het is historisch — dat een jonge predikant met een vertrouwde ouderling samen eens een balans van de gemeente, die zij dienden, wilde opmaken. Zij zouden vaststellen, na een beoordeling dus, wie er nu wel en wie niet tot de bekeerden behoorden in hun gemeente. Zij raakten met hun schematisering verlegen en waren zo wijs hun balans beschaamd ter zijde te leggen. Ons kennen van de ander is altijd betrekkelijk en ten dele.

Daarbij, hoe veelvuldig komen wij tot de ontdekking dat iemand toch anders is dan wij bij enkele ontmoetingen meenden. Wat kan de ene mens bij nadere kennismaking mee vallen en wat kan de ander soms tegenvallen op den duur.

Onbewust kunnen wij de ander bij voorbaat aan ons oordeel onderwerpen, waarbij we in een gesprek met iemand alleen maar bevestiging van ons oordeel over hem zoeken. Wij onderwerpen dan eigenlijk iemand aan ons oordeel. En wie zijn wij die de ander bij voorbaat een etiket opdrukken dat niet juist is ? Geen wonder dat er dan geen echt contact ontstaat. Wat nodig is tot de rechte kennis van de ander is geduld en tact en vooral ook liefde tot die ander. Een liefdeloze en daardoor vaak hard aandoende benadering heeft hier al heel wat stuk gemaakt dat niet gemakkelijk hersteld kan worden.

Wat wij ook niet moeten vergeten is, dat de ander niet zelden ook een bepaalde voorstelling van ons heeft. De juiste instelling op elkaar is met de ambtelijke verhouding zonder meer niet gegeven. Hier speelt het persoonlijk vertrouwen in elkaar ook een grote rol. Is dit er niet dan kan het een grote verhindering zijn tot contact. Wij dienen hierbij te bedenken dat de echte openheid tegenover elkaar lang niet altijd bij een eerste ontmoeting bereikt wordt. Een herhaalde ontmoeting in allerlei situaties is niet zelden de juiste manier om elkaar recht te leren kennen. Wij moeten tot rechte kennis van elkaar gelegenheid hebben en geven aan elkaar te wennen.

Men kan hierbij meen ik terecht de vraag ter sprake brengen of het bezoek van twee ambtsdragers tegelijk de moeilijkheid tot een echte ontmoeting niet vergroot. Ik ga hier nu niet verder op in maar het lijkt mij in dit verband wel een vraagpunt van belang.

Tenslotte wijs ik nog op twee factoren, die ook belemmerend kunnen werken bij het leren kennen van de ander, vooral in ambtelijk contact.

Allereerst dit: Men kan nog wel eens horen, dat het ons eigenlijk in het ambtelijk contact om de kennis van iemands „ziel” gaat. Men bedoelt daarmede dan dat het om het kennen van de geestelijke gesteldheid van de ander gaat. Nu wordt met „ziel” in de Schrift heel vaak de gehele mens in de totaliteit van zijn bestaan aangewezen. Men lette er dan wel op dat iemands „ziel” niet los te denken noch los te maken is van zijn gehele bestaan.

Wie derhalve bij de ambtelijke ontmoeting zich alleen zou instellen op de geestelijke mens en daarbij de houding aannemen of dit misschien zou zeggen, dat ons al het andere niet interesseert, zou zelf de weg naar de echte kennis van de ander blokkeren.

Vervolgens nog dit: Een belemmering voor echt contact met de ander is ook dat bij een ambtelijke ontmoeting, de ander alleen door ons toegesproken of aangesproken wordt of dat hem of haar alleen „aangezegd” wordt wat men meent te moeten zeggen. Dit kan bevorderd worden door de zwijgzame houding van de aangesprokene. De bezoeker neemt dan alleen het woord en de bezochte hoort zwijgzaam of instemmend aan wat gezegd wordt. Dat hierbij van leren kennen van de ander geen sprake is, behoeft geen nader betoog.

3 De natuurlijke … de geestelijke mens

Wie over het kennen van mensen denkt zal ook rekening moeten houden met bepaalde gegevens van de Heilige Schrift. Vooral het N. Testament maakt nadrukkelijk onderscheid tussen de natuurlijke mens en de geestelijke mens. Deze tegenstelling — want dat is het — wordt ook wel weergegeven met te spreken van de vleeselijke-natuurlijke mens of, zoals de N.V. doet, ongeestelijke-geestelijke mens. Men zie b.v. Rom. 8 : 5–10; 1 Kor. 2 : 14; Gal. 5 : 16–26; Judas vers 19.

Bij het kennen van mensen, vooral in de gemeente des Heren, zullen we met deze onderscheiding rekening hebben te houden. Zij is een diepingrijpende en beslissende tegenstelling. Natuurlijke mensen zijn we krachtens geboorte-geestelijke mensen door wedergeboorte. In de eerste is de voortzetting van de zonde, in de tweede het nieuwe begin van Boven. De natuurlijke mens staat onder heerschappij van de eigen geest, in de geestelijke mens werkt de Heilige Geest. Wij dienen te bedenken dat het absolute oordeel over iemands geestelijke gesteldheid ons niet gegeven is, trouwens het ligt ook niet binnen onze mogelijkheden. Maar wij komen bij onze mensenkennis wel in aanraking met de verschijnselen van deze tegenstelling. En wij zullen in onze ontmoeting met mensen daarmee moeten rekenen alsook in de bearbeiding van de gemeente.

Het gaat er hier nu niet om dit in den brede uit te werken. Slechts enkele opmerkingen mogen hier volgen.

Wanneer de Schrift het onderscheid tussen de natuurlijke en de geestelijke mens noemt wijst zij op het kenmerkende dat de natuurlijke mens het geestelijk inzicht en verstaan mist en daarom de ervaringskennis van geestelijke zaken niet kent omdat hij de Geest niet heeft. Zie de aangegeven schriftplaatsen.

Wie onbekeerd is zal daarom nog niet als een goddeloos mens leven of daarin zijn lust hebben. Krachtens de religieuse aanleg van een mens en onder invloed van het evangelie, dat grote invloed heeft — het is immers het Woord Gods — kan iemand een „vroom” mens zijn, die toch het geestelijk verstaan mist. Men denke hier aan de oude onderscheiding van de „onwedergeborene op zijn best” met als tegenstelling „de wedergeborene op zijn slechtst”. Hierbij is velerlei gradatie mogelijk maar er zijn ook algemene trekken als: een veralgemening van de christelijke religieusiteit; een bepaalde vanzelfsprekendheid van het christen zijn; het centraal staan van de activiteit van de mens, die zelf God en Christus een plaats geeft in zijn leven. In het oordeel over zichzelf is zulk een mens oppervlakkig en kent geen geestelijke armoede, geen behoefte aan licht en leiding door Woord en Geest. Er is meer een vertrouwen op eigen vroomheid dan een zoeken van het heil en de vastigheden des Heren.

De geestelijke mens heeft andere trekken. God te mogen dienen en liefhebben is voor hem een wonder. De band aan zijn Schepper is bij hem niet hersteld vanuit zijn eigen religieusiteit, maar, tot zijn verwondering, door wat God de Here in Zijn herscheppend werk deed. Bij deze mens is meer diepgang in zijn droefheid naar God, in zijn persoonlijke behoefte aan genade, in zijn begeerte naar een persoonlijke band des geloofs aan de van God gegeven Zaligmaker; in zijn lust tot innerlijke heiliging des leven.

Bij de geestelijke mens gaan de bijbelse werkelijkheden van geloof, liefde en hoop leven en daarom leert hij het nauw nemen in de praktijk der godzaligheid. Hier de geestelijke strijd maar ook de geestelijke vreugde met een persoonlijke inslag onder de verlichtende en vervrijmoedigende werking van de Heilige Geest. Hier is geestelijke onderscheiding bij het „amen” zeggen op de openbaring Gods in Christus Jezus.

De geestelijke mens is geen ander mens maar hij is anders door de genade Gods. Wie mensen zoek te kennen zal ook met dit onderscheid rekening moeten houden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.