+ Meer informatie

Deconfessionalisering in het maatschappelijk werk II

10 minuten leestijd

In het eetste artikel zijn wij nog niet verder gekomen dan wat algemene opmerkingen wat nu eigenlijk maatschappelijk werk is. Dit was noodzakelijk omdat in dit artikel dan wat breder op de methodiek van het maatschappelijk werk kan worden ingegaan.

Tevens moeten wij nog wat verder uitdiepen wat nu deconfessionalisering is. Wat dit laatste betreft enkele korte opmerkingen omdat ik aanneem, dat u dit begrip wel kent.

Een confessie, belijdenis, wil en mag niets anders zijn dan een weergeven van wat de Bijbel ons zegt. Daarom heeft de belijdenis gezag, zij rust op de bodem van Gods Woord.

Stelling nemen tegen deconfessionalisering in het maatschappelijk werk wil dus niets anders zeggen dan aan te tonen dat dit werk volgens een Bijbelse opvatting moet gebeuren en overal waar dit niet gebeurt hier tegen ageren.

Stelling nemen kan dus ook gebeuren door de vraag te beantwoorden, bestaat er christelijk maatschappelijk werk en zo ja waaruit bestaat dit dan en op welke punten is dit te onderscheiden van al het overige maatschappelijk werk.

Verschillende elementaire zaken moeten clan aan de orde worden gesteld zoals:

„Bestaat er een gemeenschappelijke anthro-pologie (mensbeschouwing) of is er fundamenteel verschil”.

Voor de christen is vraag één altijd wat zegt de Bijbel over de mens.

De mens is schepsel Gods geschapen naar Gods beeld. In dit beelddrager van God zijn ligt de werkelijke essentie van het mens zijn. De schepping naar Gods beeld is oorsprong en bestemming van de mens. De mens als beeld Gods, is gericht op God én op de medemens. Deze relaties zijn wel door de zonde ontwricht, maar vanuit Christus kunnen ze worden hersteld, waardoor nieuwe mogelijkheden worden geopend. In deze nieuwe mogelijkheden ligt alleen de ware vrijheid. 1)

Dit is een objectief gegeven deze genoemde relatie staat bij voorbaat al vast, hier valt niets aan af te doen.

Van belang is nu na te gaan of deze mensbeschouwing van belang is bij de uitoefening van het maatschappelijk werk. Zeker is dat het maatschappelijk werk met de mens bezig is, maar heb ik hier iets aan als werker tijdens de behandeling van mijn cliënt?

Neen zeggen velen, hoewel dit alles juist is heb ik daar niets mee te maken. Men blijft dan steken bij de stelling dat het de bedoeling van het maatschappelijk werk is de mens hulp te bieden bij zijn moeilijkheden in hun sociaal functioneren. Deze hulp is er op gericht de ander zelf weer zover te krijgen dat hij daardoor weer beter in staat is om zelf een goede verstandhouding met zijn omgeving te bewerkstelligen.

Door het zo te formuleren verliest men echter de totaliteit van de mens uit het oog. Bij alle goede woorden die over het maatschappelijk werk kunnen worden gezegd onderkennen wij het gevaar van een al te specialistische benadering van de mens.

Als een goed sociaal functioneren niet alleen hoofddoel maar ook een eindpunt is, valt niet te verwonderen dat er zijn die zeggen dat er wel degelijk een gemeenschappelijke antropologie in het maatschappelijk werk valt waar te nemen. De beroepskracht moet dan uitgaan van een mensbeeld dat hen concrete regels op kan leveren voor hun handelen ten aanzien van de medemens. Sociale en culturele werkers van uiteenlopende levensbeschouwing vinden elkaar in een mensbeeld waarin de hoogste waarde van onze westerse cultuur zijn verdisconteerd.

Op deze wijze is het mogelijk dat christen en humanist in de welzijnszorg beide uitgaan van een mensbeeld, waarin de mens gezien wordt als rechthebbend op respect, op aanvaarding, op ontplooiingsmogelijkheden, op mondigheid, op handelen volgens eigen levensovertuiging, op een eigen plaats in de gemeenschap etc. Beide, christen en humanist, kunnen hun persoonlijke levensovertuiging concretiseren door dit mensbeeld voor hun werk als model voor ogen te houden.

Een beroepskracht gaat in zijn werk alleen zogenaamde functionele relaties aan, d.w.z. het aangaan van de relatie staat in dienst van een bepaald doel en dat is door de cliënt gekozen. 2)

Toch durf ik het aan te stellen dat er geen gemeenschappelijk mensbeeld is bij de uitvoering van het maatschappelijk werk. Dit wordt nog duidelijker dacht ik als we nu gaan letten op het motief en de manier waarop christelijk maatschappelijk werk moet worden bedreven.

Bij dit alles komen wij in aanraking met de methodiek van het maatschappelijk werk. Voor ons staat nu vast dat het christelijk maatschappelijk werk de mens vanuit de Bijbelse gegevens anders moet bezien. Vaak is gezegd en terecht: achter elke concrete sociale iiood verschijnt nog een andere nood, nl. het fundamenteel gegeven dat de mens relatie is bovenal tot zijn Schepper.

Het is zaak dat in die zin het werk wordt uitgevoerd en dit hangt in de eerste plaats niet af van de werker, maar het maatschappelijk werk als wetenschap zal van deze Bijbelse visie op de mens en wereld moeten uitgaan.

De werkprincipes moeten hier bindende normen aangeven.

Het gaat er in de sociale dienstverlening om, de mens in nood de beste dienst te bewijzen. Dan zullen we moeten uitgaan van de totaliteit en dat kan alleen wanneer de levensbeschouwing voluit kan meespelen. Wij schieten in de dienstverlening te kort op een wezenlijke manier, als we juist deze dienst niet willen bewijzen. 3) Dit komt ook uit als we gaan bezien op de manier waarop het christelijk maatschappelijk werk moet worden bedreven.

De christen wetkt, waardeert en taxeert anders dan! een niet-christen.

Kan de werker bovengenoemde Bijbelse normen verwerken in de vereiste manier van handelen?

De methodiek is er op gericht degene aan wie dienst wordt betoond zover te krijgen, dat hij zijn situatie weer aan kan. Het is juist dat daarbij de cliënt zelf zal moeten kiezen om daardoor de richting van de hulpverlening te bepalen. De werker zal moeten beginnen waar de cliënt is.

Zoals reeds meer is vermeld kunnen wij instemmen met deze vak-technische benadering. Maar het christelijk maatschappelijk werk zal dit moeten doen op een eigen manier.

Heel duidelijk zijn in dit verband enkele stellingen die prof. dr. P. J. Roscam Ab-bing heeft geponeerd.

Wanneer het punt van de methodiek door hem wordt behandeld, geeft hij hierover enige waardevolle opmerkingen.

In de eerste plaats z.i. twee ontoereikende antwoorden.

Een door het Evangelie bepalende methodiek kan de werker er negatief voor bewaren de hulpverlening te offeren op het altaar van een of andere ideologie of verkeerde levens- en wereldbeschouwing.

Tevens voorziet het christelijk maatschappelijk werk in de mogelijkheid de cliënt binnen te leiden in een steungevende gemeenschap, d.i. de gemeente van Jezus Christus.

Zoals wij reeds zagen, gaat de werker met de cliënt via de methodiek van het werk met de werker op weg, waarbij hij hem wijst op een beter sociaal functioneren. En nu komt m.i. het belangrijkste, kan nu de werker tijdens het hanteren van bepaalde methodieken iets doen met het Evangelie.

Zo ja, dan is het bewijs geleverd dat er christelijk maatschappelijk werk bestaat. Het antwoord moet zijn, het kan niet alleen, het moet. Bij alles wat ik als werker mijn cliënt aanreik moeten de Evangelische waarden ter sprake komen.

„Het kan terzake zijn om hem een Evangelisch bepaalde visie aan te reiken betref-fende de weg die hij ging en gaat en betreffende de wegsplitsing waarop hij de verdere weg kiezen moet. Hij moet zelf kiezen, op eigen verantwoordelijkheid, maar het zou dwaas zijn hem de oriëntatie te onthouden aan de hand waarvan hij kan aftasten wat de goede weg, de juiste oplossing, mag zijn. Het kan terzake zijn hem uit te leggen, als hij naar God wil vragen, wat Gods bedoeling is met het leven, met het huwelijk, met het bezit etc.

Dit alles, nog eens, dus niet als een stichtelijk sausje, niet als los bijvoegsel, maar als iets dat in het volle contact met de ander situationeel geheel terzake kan zijn. Het zou onzakelijk zijn dan niet het Evangelie in het geding te brengen”. 4).

Dit aanreiken van de Evangelische waarden kan alsvolgt geschieden:

De werker kan stellen, u doet nu wel een keuze, maar gaat u daarbij niet aan een wezenlijk aspect voorbij? Zoudt u daarom uw beslissing nog eens in dit licht willen bezien?

Maar als de cliënt deze aanreiking afwijst? Natuurlijk kan men dan wel komen tot een oplossing maar er is geen sprake van DE oplossing.

Wij onderschatten niet de spanningen die dit voor de werker met zich meebrengt.

De vraag wordt wel gesteld, waarom is dit alles nu ingebouwd en voor de verantwoordelijkheid van het maatschappelijk werk?

Het moet echter worden gezien als een voorrecht en een glorieuze kans om van dienst te zijn. 5)

In wat eerste gesprekken met enige maatschappelijke werkers werd ten aanzien van deze zaak gezegd: Het maatschappelijk werk veronderstelt een andere relatie met mensen dan op een bedrijf, zelfs anders dan een arts. Er wordt dieper in de persoonlijke sfeer gesproken. Noodzakelijk is dat er opnieuw een critische benadering komt van een aantal methodieken om het levensbeschouwelijke opnieuw wetenschappelijk in te brengen. 6)

Nu er een aantal aspecten voor het christelijk maatschappelijk werk en tegen een deconfessionalisering daarvan zijn genoemd laten we nog eenmaal het e.e.a. de revue passeren.

De methodiek van het christelijk maatschappelijk werk zal wetenschappelijk moeten worden ingebracht. Daarnaast is het natuurlijk van belang wie dit uitvoert. Het vraagt van de werker de gezindheid die ook in Christus Jezus was.

Maar met nadruk willen wij er op wijzen dat niet de christen werker in eerste instantie het christelijke in het maatschappelijk werk uitmaakt, hoe belarigrijk dit ook mag zijn.

Wij hebben gewezen op diverse meningen die wij in zijn totaliteit niet kunnen en mogen onderschrijven. De methodiek van het werk is geen neutraal gebied die door elke werker afgezien van zijn levensbeschouwing verricht kan worden.

Tenslotte gaat elk maatschappelijk werk uit van een bepaalde levensbeschouwing. Er kan niet volstaan worden bij het constateren van geestelijke vragen met het inschakelen van de kerkelijke ambten omdat dan een gebied wordt bereikt dat niet relevant met het werk zou zijn.

Enkele vragen die nog overblijven.

De betekenis van het christelijk maatschappelijk werk en zijn eigenstandige plaats moet terdege worden onderkend. Wij zullen dit, zeker in de nabije toekomst met zijn snelle verandering van structuren, niet kunnen missen.

Wat wij echter dan nodig hebben zijn positieve christenen die dit werk naar Bijbelse normen bedrijven.

En de grote vraag is, waar haal je die van daan?

Bij een eerste doorlichting, een eerste analyse van de huidige opleidingen voor het beroep van maatschappelijk werker zitten wij in een stroomversnelling van veranderingen. De ideologische beïnvloeding kan in hoofdzaak als neo-marxistisch getypeerd worden.

Moeten wij naar een alternatieve opleiding op reformatorische grondslag of een specifiek vormingsinstituut aansluitend bij de opleiding aam de sociale academies? 7)

Wat de organisatorische vorm betreft waarin het werk wordt bedreven groeien wij al meer en meer naar de z.g. gevulde algemeenheid. De lezer zal uit het bovenstaande kunnen begrijpen dat wij achter deze ontwikkeling ook verschillende vraagtekens zetten al zal het hier en daar de doelmatigheid van het werk ten goede komen. We hebben nog geen ervaring op dit gebied, het zal met name van de christen-bestuurders afhangen of er binnen de algemene stichtingen christelijk maatschappelijk werk bedreven kan; worden. Men zal zich dan wel intensief met bovengenoemde zaken moeten gaan bezig houden en zich zeker niet moeten laten afschepen met een hier en daar gesignaleerde mentaliteit van de werkers zoals: hoe kunt u als leek ons werk beoordelen.

Een duidelijke bezinning moet zo spoedig mogelijk nog meer op gang komen.

Tenslotte kunnen we met al de genoemde ontwikkelingen onze winst doen. Het proces van, de scheiding der geesten gaat snel en komt nu duidelijk aan het licht. Dit heeft ondermeer tot gevolg dat we steeds opnieuw een bepaalde keuze moeten doen. Is die keuze gemaakt dan volgt vraagt twee: WAT NU?

1) Rapport commissie G.S.A. 1968 over „christelijk maatschappelijk werk” m.m. v. o.a. drs. T. Brienen.

2) drs. A. C. van Lente, brochure „Alge meenheid”.

3) mej. J. van Leeuwen, „Konvooi”, april 1969.

4) prof. dr. P. J. Roscam Abbing, „Proef op de professie”.

5) idem.

6) werkcommissie B.O.C./ADMA (zie art. „Ambtelijk contact”, febr. 1971).

7) idem.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.