+ Meer informatie

Jouw vragen

7 minuten leestijd

Het is toch niet zo dat alle gedoopten zalig worden ? Hoe kun je dan zeggen dat God ons bij de doop belooft dat Hij onze God is, en dat de zaligheid van God onze zaligheid is ?

De doop blijkt een onderwerp te zijn dat veel stof tot nadenken geeft. Het bijbelse spreken over de Heilige Doop bevindt zich altijd op het scherpst van de snede. Aan de ene kant is er het levensgrote gevaar dat we niet beseffen dat het uiterlijk waterbad de afwassing der zonden innerlijk niet is. Er is het gevaar dat we door de Abrahamspositie van de doop de Adamspositie van onze geestelijke doodstaat vergeten en te weinig benadrukken. Er is echter ook het gevaar dat we niet meer verstaan wat het voorrecht van de gedoopten is, zodat de doop niets anders is dan een kale vorm en een gewoonte zonder inhoud. Ps. 147:10 zingt zo duidelijk van het tegendeel: Hij gaf aan Jakob Zijne wetten, deedisrel op Zijn woorden letten; Hij leerde z' in Zijn wegen wand'len; zo wou Hij met geen volken hand'len. Die moesten Zijn getuigenissen en Zijn verbondsgeheimen missen. Laat dan Gods lof ten hemel rijzen; Laat al wat adem heeft Hem prijzen! Daarom lijkt het ons goed nogmaals op de Doop in te gaan, naar aanleiding van een reactie die binnenkwam. Laat ik puntsgewijs enige zaken In het nummer van 22 september 1993 schreef ds. Van Vlastuin over de waarde van de doop. Omdat het antwoord niet voor iedereen even duidelijk was, komt hij er nu nogmaals op terug. Hij doet niets af aan de waarde van de doop, maar benadrukt wel de absolute noodzaak van de wedergeboorte. kort en helder aan de orde mogen stellen.
1. De doop wijst ons op de absolute noodzaak van de wedergeboorte. Het doopformulier wijst daar in de eerste plaats op. De Zaligmaker vertelt tegen het verbondskind Nicodemus dat hij wedergeboren moet worden, al is hij dan werkelijk besneden. In 1 Kor. 10 lezen we over het volk Israël. Ze zijn allemaal door de zee gegaan. Zij hebben allemaal dezelfde geestelijke spijze gegeten. Ze hebben allemaal dezelfde geestelijke drank gedronken, omdat zij uit de geestelijke steenrots dronken, namelijk Christus. En toch heeft God in het merendeel van hen geen welgevallen gehad. Daarom is het een levensgevaarlijke vergissing, zoals ik op 22 september al schreef, als we op grond van de doop en een net leven concluderen dat we op reis zijn naar de hemel.

Beloften
2. De doop wordt niet bediend omdat we geloven dat de kinderen reeds deze wedergeboorte deelachtig zijn. Aangezien ik op alle terreinen van de theologie veel heb mogen leren van Theodorus van der Groe, geef ik ook in dit verband graag door wat ik bij hem las in zijn verklaring van zondag 27 van de Catechismus: „Wij kunnen van geen enig kind zeker weten, wat er inwendig van hetzelve is, of zal worden; of de Heere reeds een beginsel van genade in hetzelve heeft gelegd, of in het vervolg zal leggen, dan of het nooit genade zal ontvangen. Dit is alleen aan God den Heere bekend; daarom moeten wij ons dan ook hier niet ophouden met den staat der kinderen in zichzelven aangemerkt; wat zij alreeds dadelijk zijn, of niet zijn, of nog zouden mogen zijn, in opzicht van het genadewerk van Gods Geest in hen. Neen, wij moeten dit alles als een verborgenheid voor den Heere laten, ten ware de Heere er aan vrome ouders iets naders van belieft te ontdekken; maar wij moeten hier enkel alleen slechts onze ogen slaan op de genadige beloften Gods, welke Hij in het algemeen gedaan heeft."

Drieënig God
3. Wat betekent het voor ons dat wij gedoopt zijn in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest? Ook dat maakt ons het doopformulier duidelijk. De Doop in de Naam van de Vader spreekt van Zijn eeuwig verbond, de Doop in de Naam van de Zoon spreekt ons van zijn bloed en de kracht van Zijn dood en opstanding, terwijl de Doop in de Naam van de Heilige Geest ons erop wijst dat deze Geest het uit Christus neemt en het zondaren toeeigent. De Doop zegt ons Wie God is en wat God doet. Ook hier geef ik graag door wat de Heere in onze traditie gaf Van der Groe schrijft hierbij: „De jonge kinderen der gelovigen, zijnde door toestemming van hun ouders in Gods verbond, gelijk wij gezien hebben, hebben uit dien hoofde dan nu ook recht tot alle de zegeningen, beloften en weldaden van dat verbond, zijnde Christus met Zijne verdiensten, genade en Geest, tot hunne rechtvaardiging, heiliging, verlossing en zaligheid; want hunner is het Koninkrijk der hemelen; en hun komt de belofte van Gods Verbond toe, gelijk tevoren getoond is; dat is te zeggen, zonder onderscheid alle de beloften des Heiligen Evangelies, die God in Zijn Verbond den volwassenen en gelovigen toezegt, waarin Hij hun belooft het geloof, de rechtvaardigmaking, de heiligmaking, het eeuwige leven, door Christus, enz."

Verkiezing en verwerping
4. We weten van de ontzaglijke werkelijkheid dat niet alle gedoopten zalig worden. Niemand kan in dat verband om de vraag heen hoe het komt dat sommigen gedoopten wel zalig worden en anderen niet. De Heere openbaart ons in Zijn Woord het geheimenis van verkiezing en verwerping. Van der Groe past dat als volgt toe op de gedoopten die niet zalig worden: „Wat nu aanbelangt de kleine kinderen der gelovigen, die gedoopt worden, doch die ROYALALBERT van God niet ten eeuwigen leven uitverkoren, maar verworpen zijn, en die daarom altijd in hunne zonden blijven leven, en Gods Verbond ten einde toe versmaden en verachten, niet willende in den Heere Jezus geloven, noch zich van hunne zonden bekeren; aan de zodanigen is het Sacrament des Doops wel uiterlijk bediend; maar, omdat zij buiten Gods Verbond waren, heeft de doop zijn betekenende en verzegelende kracht aan hen niet uitgeoefend, en is dus voor hen geen Sacrament of Verbondsteken en zegel geweest." Ik hoop dat deze overwegingen ons duidelijk maken wat het voorrecht van de doop is, de grote verantwoordelijk ervan, maar ook het vreselijke misbruik ervan. Als we Zijn verbond trouweloos schenden, zal Zijn verbondswraak ons treffen. Als we Zijn verbond gelovig inwilligen zal de verbondszegen ons eeuwig verheugen.

Prof. Wisse
5. Jongelui, misschien vond je de opmerkingen hierboven wat moeilijk. Ik hoop in ieder geval dat je het volgende begrijpt en dat juUie het in je eigen jonge leven herkennen. Prof Wisse (een bekende christelijke gereformeerde predikant, die in 1957 is overleden) schreef: „Ik herinner mij nog als de dag van gisteren, hoe ik op een leeftijd van ongeveer tien jaar mij reeds afzonderde in het verborgene, op een plekje op de zolder waar ik een klein speelkamertje had; en ik daar op een zekere dag voor de Heere lag te schreien en te bidden over mijn zonden en zieletoestand, en hoe ik mij de ene hand op mijn voorhoofd legde, en uitriep: o Heere, hier hebt Ge het mij beloofd, toen ik gedoopt werd, dat Uw bloed, Heere Jezus, mij reinigt van alle zonden... Ook herinner ik mij hoe bijzonder het Heilig Avondmaal tot mij sprak reeds als kind... Wat zag ik met jaloersheid op tot dat volk dat daar aanging; het werd op mijn twaalfjarige leeftijd zo sterk, dat ik, reeds begrijpende wat het Avondmaal was, soms zielsbegerig was, om mede te mogen aangaan."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.