+ Meer informatie

TER OVERWEGING

22 minuten leestijd

H. Jagersma, Genesis 1:1-25:11. Uitg. Callenbach, Nijkerk 1995. 288 blz. f 44,90.

Deze commentaar van de emeritus hoogleraar Jagersma (doceerde Hebreeuws en Oude Testament aan de Theologische Faculteit te Brussel) is het eerste deeltje in de reeks Verklaring van de Hebreeuwse Bijbel. Commentaar voor bijbelstudie, onderwijs en prediking onder redactie van H. Jagersma en K.A.D. Smelik. De bedoeling van deze nieuwe reeks is om uitgaande van de eindtekst veel aandacht te besteden aan literair-narratieve technieken en vormen, en dat op een leesbare manier zonder te veel vaktaal. Vragen betreffende de wording en achtergrond van de bijbelboeken komen slechts kort aan de orde. Als zodanig sluit deze serie aan bij de nieuwste trends in de bijbelwetenschap en in het bijzonder bij de inzichten van de zogenaamde Amsterdamse school. Jagersma schreef eerder onder de titel Abraham een korte commentaar over Genesis 12-25 en is in deze gedeelten van het eerste bijbelboek dan ook goed thuis.

Over dit nieuwe boek zou ik drie dingen willen zeggen. Ten eerste is het in begrijpelijke taal en prettig geschreven, ieder kan het volgen. De auteur moet zich ook zeer beperken. Dit heeft wel als gevolg dat je soms zou willen doorvragen, hier en daar is de kortheid van stof onbevredigend. Zo wordt de parallel tussen 3:16 en 4:7 (begeerte … heersen) wel gesignaleerd, maar niet in de exegese verwerkt. Of ook de kwestie van de roeping van Abraham (uit Ur? uit Haran? vgl.11:31, 12-1, 15:7; Hand. 7:2,3): daar valt wel meer over te zeggen.

Ten tweede biedt het boek veel mooie doorkijkjes in de structuur van Genesis en toont het soms verrassende thema’s en motieven op en onder de oppervlakte van de tekst. Op dit punt kun je veel van de auteur leren. Wel verschil ik meermalen van mening op het punt van exegetische beslissingen, zoals bijv. bij de interpretatie van het teken aan Kaïn (Jagersma ziet hierin een pósitief teken, terwijl het meer gaat om een waarschuwend teken; Kaïn moet zijn straf ‘uitzitten’ zonder voortijdig gedood te worden), of de relatie tussen de tweede en de eerste helft van Genesis 12.

Ten derde vind ik deze commentaar toch enigszins teleurstellend en wel ten aanzien van de relatie tussen tekst en werkelijkheid. Het ‘referentiële’ aspect van de tekst (de tekst verwijst naar realiteiten in de historie) is geheel verdrongen en vervangen door de aandacht voor de tekst-immanente verklaring. Heel Genesis wordt een bundel verhalen, met plots en scènes, waarin latere generaties niet zozeer een verslag over het leven van hun vroege voorouders, maar voor alles hun eigen levensverhaal hoorden (blz. 8). Nu is inderdaad de bijbelse geschiedschrijving niet zomaar van dezelfde aard als de onze, maar dit neemt niet weg dat het toch terdege om feiten draait. Anders verdampf de oergeschiedenis in een elckerlyc-verhaal, of in een symbolisch-historische inkleding van Israëls eigen geschiedenis uit later eeuwen. De studies van prof. Oosterhoff over Genesis 2 en 3 en van prof. Versteeg over Adam als leermodel worden niet genoemd. Jammer, zij hebben naar ik meen over de vragen die hier liggen, dieper doorqedacht.

Ds. Aarnoud van der Deijl, Onzichtbare zon. Eerst zien, dan geloven? Uitg. Kok, Kampen 1996. 118 blz. f 19,80.

Het doel van dit boekje is om gefnteresseerde jongeren een heldere uitleg te geven van het geloof. En om gelovigen te helpen hun geloof opnieuw onder woorden te brengen.

De visie van de schrijver is dat de jeugd de vormingsmethodes een beetje zat is en zich snel en zakelijk moet kunnen oriënteren op het geloof. De kerk moet haar ‘product’ wel een beetje goed kunnen aanprijzen. Aan de hand van een aantal hoofdstukken geeft de schrijver antwoord op allerlei vragen die kunnen leven bij jongeren. De antwoorden zijn vaak afwijkend van wat binnen onze kerken geleerd wordt. Anderzijds is het de zoveelste poging om jongeren, die nauwelijks iets om de kerk geven, te betrekken bij het geloof. Alleen al vanuit die intentie is het boek te waarderen.

Ds. M.R. van den Berg, De brief aan de Hebreeën. Over de superioriteit van het nieuwe verbond. Uitg. Kok Voorhoeve, Kampen 1996. 188 blz. f 29,50.

De brief aan de Hebreeën is geen gemakkelijke brief. Vooral de details geven nog wel eens Problemen. Dat heeft niet alleen te maken met het feit dat de brief voor een groot deel gaat over de oudtestamentische cultus, die zover van onze twintigste-eeuwse belevingswereld afstaat, ook de redeneertrant van de schrijver, die in veel opzichten niet meer de onze is en daardoor voor ons niet altijd direct helder is, laat het niet makkelijk lezen.

Dit boek bestaat uit drie delen: het eerste deel is een overzicht van de gedachtengang, dan volgt een gedeelte dat bestaat uit verklarende aantekeningen die de tekst. soms parafraserend, soms uitvoeriger, willen verduidelijken. Tenslotte volgt een meditatieve bezinning op de tekst, waarbij ook wordt ingegaan op de vraag welke betekenis deze brief voor ons heeft. De uitleg en aantekeningen zijn door stijl en taalgebruik voor een breed publiek leesbaar.

De auteur heeft op goede wijze de brief aan de Hebreeën behandeld. Zowel de uitleg van bepaalde tekstgedeelten als de meditatieve bezinning zijn reformatorisch van aard, zonder saai en ‘te zwaar’ te worden. Het meditatieve gedeelte is erg aansprekend. De auteur probeert zoveel mogelijk aan te sluiten bij de problematiek binnen de kerken en mensen van deze tijd. Kleine, korte preken die iets te zeggen hebben.

I. Buwalda, Pijn in mijn hart. Naar de tv-serie ‘Als leven pijn doet’. Uitg. Kok Voorhoeve, Kampen 1996. 79 blz. f 16,90.

In de tv-serie ‘Als leven pijn doet’ van de Evangelische Omroep hebben mensen over hun Problemen verteld. In dit boekje zijn tien verhalen opgenomen van mensen die geruime tijd met een psychisch probleem geworsteld hebben of dat nog doen.

Drie psychologen en een psychiater geven op centrale thema’s (o.a. eetverslaving; perfectionisme; onzekerheid; depressie; drugsverslaving: minderwaardigheid) commentaar en verwijzen soms naar mogelijke oplossingen. Het doel van dit boekje is ten dele om herkenning en inzicht te bieden in deze, vaak verborgen strijd. Het is geen handleiding of zelfhulpboek. Toch kan het lezen van de problematiek en de aanwijzing en raad van de deskundige een middel zijn tot een stap naar de oplossing.

J.A. Baaijens, Laat je redden. Evangelie voor jongeren. Uitg. De Groot Goudriaan, Kampen 1996. 96 blz. f 14,90.

In een voor de jeugd aansprekende taal worden jongeren via dit boek benaderd met het evangelie. Zelfs de jonge tieners kunnen de vele verhalen en voorbeelden begrijpen. Het boekje bestaat uit een 17-tal verhalen, meerdere malen gebaseerd op een tekstgedeelte. De voorbeelden hebben tot doel om de Heere te zoeken, getrouw te zijn en zich aan Hem over te geven. De auteur is godsdienstleraar aan een reformatorische school en hij schrijft voor leerlingen die al redelijk veel bagage hebben meegekregen en niet onwelwillend tegenover het geloof staan. Moge het doel van zijn boek ook voor die anderen zijn die nog ‘van verre staan’.

John Owen, De ootmoedige omgang. Uitg. De Groot Goudriaan. Kampen 1993. 95 blz. f 14,90.

John Owen was een puriteinse predikant in Engeland en leefde van 1616 tot 1683. In die tijd was hij een groot prediker en veel van zijn preken staan op schritt. De heer J.S. van de Brink heeft een aantal van zijn preken vertaald. In dit boekje staat Micha 6:8 centraal. Wie aan het lezen van de preken van Owen begint, dient daar de tijd voor te nemen. De taal is soms moeilijk en hij zegt veel. Maar wie daadwerkelijk de tijd neemt voor het lezen van zijn preken, ziet daarin een echtheid van geloof van de schrijver, een zorg om het ongeloof van velen en de vurige wens van bekering. Na meer dan 300 jaar nog steeds actueel.

Dr. D. Martyn Lloyd-Jones, Uw hart worde niet ontroerd. Uitg. J.J. Groen en Zoon, Leiden 1995. 111 blz. f 19,95.

De preken in dit boekje zijn van een andere Engelse predikant, Martyn Lloyd-Jones (1899-1981). Hij heeft ze gehouden in 1951 in de Westminster Chapel te Londen. In tegenstelling tot John Owen zijn de preken goed te lezen en zijn taalgebruik is van deze tijd. In zijn preken is hij direct en pastoraal bewogen. Onder de dreiging van de koude oorlog en nucleair geweld wees hij op het eeuwige leven en op het antwoord op alle onmacht en onzekerheid dat in het evangelie ligt. Voor persoonlijke stille tijd een aanrader.

Allster Mc Grath, Bruggen bouwen. Over het etfectief doorgeven van het christelijk geloof. Uitg. Kok Voorhoeve, Kampen 1995. 318 blz. f 44,90.

Dit boek gaat over de hedendaagse apologetiek (wetenschap van de verdediging, inzonderheid van het Christendom, tegen zijn bestrijders). De auteur, docent in Oxford, gaat in zijn boek nader in op de traditionele apologetiek, die een beroep deed op de redelijkheid van de christelijke waarheidsaanspraken, sterk gericht op de grote vragen zoals: het raadsel van het menselijk lijden of de Problemen die je tegenkomt als je het bestaan van God wilt bewijzen. De rede was de uiteindelijke rechtvaardigingsnorm. Heden ten dage hoeft het Christendom zich niet meer te verdedigen in de collegezalen aan de universiteiten. Als er over de waarheid van het Christendom wordt gesproken dan gebeurt dat via de tv-studio, de nationale pers en andere media, in groepen, in het winkelcentrum. Daar wordt het christelijk geloof uitgedaagd en getoetst. De schrijver pleit ervoor dat het Christendom zichzelf moet ‘verkopen’ door z’n relevantie voor het leven aan te tonen. Het doel van zijn boek is dan ook om de traditionele apologetiek aan te vullen, niet uitgaande van één bepaalde apologetische theorie, noch van één benadering of het werk van een uitmuntende apologeet. Een creatieve aanpak van de apologetiek te bieden wordt beoogd, geschikt voor gebruik in deze tijd, stevig gegrond in de christelijke dogma’s van schepping en verlossing, en verankerd in de grote christelijke traditie van het redelijk doordenken van het geloof.

Bovenal streeft het boek ernaar om de lezers te stimuleren om zelf manieren te ontdekken en te ontwikkelen om het evangelie te verdedigen. In het laatste gedeelte van het boek gaat hij hier concreet op in.

Het lezen van dit boek vergt tijd en geduld. Het is geen gemakkelijke kost, maar wel erg leerzaam en de conclusies van de auteur zullen door zeer velen gedeeld worden.

Drs. V.M. Fiddelaar, Israël in religieus perspectief. Christenen, joden en moslims in het Heilige Land. Uitg. Kok, Kampen. 135 blz. f 24,50.

Volgens de ‘Inleiding’ is dit boek een ‘bescheiden poging te laten zien hoe christenen, joden en moslims tegen de staat Israël aankijken (…) teneinde het Arabisch-Israëlisch conflict beter te kunnen begrijpen’ (blz. 7v.). Onder de christelijke visies op Israël worden de filosemitische én de antisemitische visies in velerlei schakering beschreven. Welke visie de schrijver zelf heeft, komt niet duidelijk uit de verf. Wordt de inderdaad antisemitisch georiënteerde ‘vervangingstheologie’ afgewezen? Over een “verbondsbenadering” wordt niet gesproken (geblokkeerd door de eigen verbondsbeschouwing?). Heel informatief is het hoofdstuk waarin de joodse visie besproken wordt, waarbij terecht het ‘joodse zelfverstaan’ voorop wordt gesteld, hoe gevarieerd dat ook moge zijn. Wanneer de moslim-visie aan de orde komt, valt het op hoe tot tweemaal toe geattendeerd wordt op het feit dat verdragen met niet-moslims eenzijdig mogen worden opgezegd (84, 98) en zelfs tot driemaal toe dat de islam geen scheiding kent tussen ‘kerk en staat’ resp. ‘godsdienst en politiek’, ‘geloof en politiek’ (80, 95, 97). De schrijver schat de kans op vrede voor Israël en z’n buren niet erg hoog. Hij besluit met ‘Godsdienst en Israël, men kan ze niet van elkaar scheiden’ (131).

Dr. Simon Schoon, Eerherstel voor Job. Uitg. Kok, Kampen. 72 blz. f 14,95.

Een zevental radiolezingen die ‘eerherstel’ voor Job bedoelen, zijn hier gebundeld. Zonder meer kan gesteld worden dat er rake en treffende opmerkingen worden gemaakt binnen het beperkte bestek van enkele lezingen, maar of het gestelde doel wordt gerealiseerd? De schrijver stelt met nadruk dat Job nù gelezen wordt ná Auschwitz, maar tegelijk wil hij absoluut niets weten van wat de Heidelbergse Catechismus zegt in antw. 5 en vr. 8 (16 - ‘onbekwaam’, ‘geneigd’). Wanneer evenwel ooit de levensrealiteit en de zelfkennis waarvan de oude Heidelberger blijk geeft, op ons zijn afgekomen, dan is het wel in onze eeuw! De marge tussen beul en slachtoffer blijkt in een mens niet zo bijster groot te zijn. De weg van mens tot onmens is heel, heel kort gebleken (en de terugweg vergt nog altijd een wonder!). Wie zijn ogen daarvoor sluit, frustreert het werkelijke ‘eerherstel’ van Job. Mogelijk verklaart dat enkele ietwat hautaine uitdrukkingen? Lijkt de vertaling van Job 42:6 daarom een soort aanpassing (65vv.)? Als het niet-erkennen van Jezus ‘als messias’ ten diepste ‘trouw aan God en aan zijn Tora’ was (70), wat houdt dat dan in voor de Messias belijdende joden wanneer en waar ook ter wereld? Als antwoord op de vraag van Job 1:9 (‘om niet’) kan zó m.i. moeilijk van ‘eerherstel’ gesproken worden.

Evert Overeem en Jan Ridderbos, Een kerk in beroering. Gereformeerden tussen 1933 en 1945. Uitg. Kok, Kampen. 208 blz. f 29,90.

Een jaar geleden werd het boek Strijd op twee fronten van Jan Ridderbos besproken (A.C. blz. 572). Wie ertegen opziet de 882 bladzijden van dit boek door te werken - ds. Overeem, de plaatselijke collega van dr. Ridderbos, deed dit ‘met rode oren’ (7) - vindt in dit boek ‘een meertoegankelijke samenvatting’ (8). Dr. Ridderbos zelf geeft een ‘Reactie op commentaren’ (198-205), waarin hij min of meer erkent dat het evenwicht tussen het ‘kerkelijke’ en het ‘politieke front’ dat de titel van zijn proefschrift doet verwachten, niet geboden werd. Dat evenwicht is ook in deze samenvatting niet te vinden: het ‘zwaartepunt’ (191) van de ‘beroering’ ligt bij het politieke front, al zijn er dan ‘wat aanvullingen over de kerkordelijke kwesties van toen’ (8) aan toegevoegd. Verder dan het wóórd ‘leergeschillen’ komt de ‘beroering’ praktisch niet. Inhoud, geschiedenis en gevolgen en/an liggen kennelijk zo ver achter de fronten dat ze deze blijkbaar niet wezenlijk “beroeren”, laat staan dat een gezegde van prof. Van Ruler (in een interview door dr. Puchinger onlangs geciteerd) de schrijvers “beroert”: ‘Ik vind het altijd iets groots dat men als kerk, en dat in oorlogstijd, de moed heeft over zulke geestelijke dingen te vechten’. Zo blijft de wens: een even grondige benadering en beschrijving van het andere front (waarom speelde de bewuste ‘elite’ de rol die zij 1933-1945 speelde - en nog speelt?).

Ds. J.H. Velema, Wat zit erachter? Onderscheiding der geesten. Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam, 112 blz. f 24,50.

Zonder “onderscheiden” zouden leven en samenleving een chaos worden/zijn. Het komt er echter op aan góéd te onderscheiden. In een instructief en interessant boekje wordt ons hier hulp geboden om daarin geoefend te worden. Aanhakend aan de ‘Wet Gelijke Behandeling’ wordt de noodzaak van de ‘onderscheiding der geesten’ beklemtoond. Ook al kan de vraag gesteld worden of ’t overeenstemt met de betekenis, de gevoelswaarde in het hedendaagse spraakgebruik, hiervoor gebruikt de schrijver het woord ‘discrimineren’, maar moet er dan òf een ‘positieve’ òf een ‘negatieve betekenis’ aan verbinden (12): ‘Mensen discrimineren is strafbaar’, maar ‘Geesten discrimineren’ (…) ‘brengt de positie van de gelovigen mee’ (110). Dit onderscheid in de ‘onderscheiding’ oftewel het ‘discrimineren’ is zeer terecht. Maar zou het scheidingswandje tussen ‘positief en ‘negatief, tussen ‘mensen’ en ‘geesten’ in de praktijk, als wij mensen het onderscheid toepassen, niet flinterdun blijken te zijn, als ‘formalisme’, ‘farizeïsme’ en ‘fanatisme’ bijv. hun kans grijpen (71vv.)? Moge het gebruik van het woord ‘discrimineren’ vragen oproepen, de noodzaak. de Schriftuurlijke eis om te ‘onderscheiden’ wordt scherp en veelszins trefzeker gedefinieerd en uitgewerkt. Allerlei variaties in dezen worden besproken en vanuit Gods woord belicht en beoordeeld, waarbij het “grote gebod” niet wordt genegeerd. Een derde deel van het boekje is aan ‘De praktijk’ gewijd - met welsprekende personificaties: ‘familie Genot’ (69), ‘mevrouw Doordrijfster’ (73 enz. enz. - cf. Bunyan?). Het verdient aanbeveling dat met name ambtsdragers dit boekje ter zelfonderzoek diepgaand bestuderen. Immers juist in het kerkelijk leven speelt ‘discriminatie’ in negatieve zin - niet zelden met gebruikmaking van die in positieve zin - een droeve rol (in achterdocht, onverhoord oordelen en uitsluiten, verdeeldheid, heerszucht enz.). Schriftplaatsen als Matt. 22:39, Fil. 2:1-10, Ef. 4:1-5, 1 Pt. 3:15 worden doorgaans niet of heel zuinig beleefd! Wat zit dáár achter?

Catharina J.M. Halkes, Oorsprong en einder. Cultuur-kritische overwegingen vanuit vrouwenstudies theologie. Uitg. Ten Have, Baarn 1995. 182 blz. f 29,90.

Mevrouw Halkes is de eerste hoogleraar feministische theologie aan de Universiteit van Nijmegen geweest, vanaf 1984. Intussen is zij sinds 1988 emeritus. Dit jaar is zij vijfenzeventig jaar geworden. Ter gelegenheid daarvan is dit boek verschenen. Hierin zijn zeven opstellen gebundeld die tussen 1991 en 1995 zijn gehouden als referaten en/of zijn gepubliceerd.

Wie het werk van mevrouw Halkes kent, vindt hier geen nieuwe aanzetten, wel verdere uitwerkingen. De grondstelling is telkens dat man en vrouw gelijk zijn: dat de vrouw onderdrukt is, mede met behulp van argumenten die aan de Bijbel zijn ontleend. Vrouwen moeten zich emanciperen. Dat is de eerste fase. Vervolgens is het nodig dat de hele samenleving naar dit geëmancipeerde patroon wordt hervormd. Dit alles volgt uit een nieuwe (holistische) visie op de schepping en op God.

Deze theologie raakt kerk en wereld. Nog meer de laatste dan de eerste. Mevrouw Halkes acht de kerk noodzakelijk. Zij moet echter radicaal hervormd worden. De term vrouwenstudies theologie is een merkwaardige formulering. Het is terecht dat in de ondertitel de term cultuur-kritisch is gebruikt. De vrouwenstudies theologie zet de cultuur minstens zo sterk onder druk als de kerk. Op dit punt is het denken van mevrouw Halkes verder gegaan en geradicaliseerd. Ik noem twee uitdrukkingen die steeds weer terugkomen: 1. Humanisering als een goddelijk geboorteproces. Christus is in Zijn menswording daarvan het model. Schepping en verlossing grijpen hierdoor in elkaar; 2. De Geest wordt onze moeder genoemd.

Mij trof vooral het eerste opstel, waarin de geschiedenis van vrouwenstudies theologie in Europa wordt nagegaan. Ver voordat de jongere generatie feministes op universitaire leerstoelen plaatsnam, waren er de (nu vergeten) vrouwen van het eerste uur. Het is opvallend met hoeveel waardering mevrouw Halkes schrijft over de Wereldraad van Kerken, en de mede daardoor geïnspireerde en instandgehouden netwerken van protestantse en rooms-katholieke vrouwen, onder wie de echtgenote van Jürgen Moltmann, de protestantse vriendin en tegenhanger van mevrouw Halkes.

Al met al een bundel die herkomst, ontwikkelingen en een programma voor de toekomst beschrijft. Zo heb ik de titel opgevat.

Dr. A. van de Beek (red.), Lichtgeraakt. Wetenschapsbeoefenaren over de relatie van hun gelovig christen-zijn en hun werk. Uitg. Callenbach, Nijkerk 1995. 160 blz. f 24,90.

In dit boek hebben theologen, ethici en natuurwetenschappers het hun voorgelegde thema (de relatie wetenschap en christen-zijn) ieder op eigen wijze behandeld. Ik noem de namen van de auteurs, zonder de titel van hun bijdrage: prof. Adriaanse, Leiden; prof. Van de Beek, Leiden; prof. Brinkman, Leuven; prof. Van den Brom. Groningen; dr. P. van Dijk, Enschede; prof. Nienhuis, Leiden; prof. Van Tongeren, Nijmegen; prof. Troelstra, Amsterdam; prof. Zonderwijk, Wageningen.

De antwoorden zijn heel verschillend opgezet. Mij trof vooral het hoofdstuk van Van de Beek en van Zonderwijk. Bepaalde schrijvers zijn heel persoonlijk, anderen schrijven afstandelijk. In het algemeen wordt de tegenstelling van geloof en wetenschap ontkend. Wel hebben de schrijvers voor die ontkenning onderling verschillende motieven.

Deze bundel leent zich niet zo gemakkelijk voor bespreking. Er is een te grote verscheidenheid van schrijvers en gezichtspunten. Ik heb deze bundel met grote belangstelling gelezen en - uiteraard - van het ene hoofdstuk meer genoten dan van het andere hoofdstuk. Het is geen studieboek of handboek. Het is een boek met ervaringen, impressies en soms ook met getuigenissen. Wie met het thema geloof en wetenschap te doen heeft, moet dit boek niet ongelezen laten.

Tom Wright, Nieuwe taken voor de kerk van nu. Met een ‘Ten geleide’ van dr. Antonie Vos. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 1995 (oorspronkelijk verschenen in 1992). 248 blz. f 32,50.

Dit boek is van de hand van een evangelicale anglicaan. Hij doceert Nieuwe Testament in Oxford. Hij tracht een antwoord te geven op de crisis van onze tijd. Hij ziet de dwaling van het dualisme en die van het monisme. In beide gevallen wordt de ernst van de zonde als opstand tegen God miskend. De mens moet zelf de oplossing bieden. Wright wijst op het kruis als de plaats waar God in de wereldgeschiedenis het kwaad en de schuld van mensen Zelf heeft opgelost. In de opstanding is het nieuwe leven doorgebroken en aan het licht gekomen. Vanuit de opstanding leren we het kruis in zijn verzoenende en vernieuwende betekenis verstaan. De boodschap van de opstanding vraagt om radicale bekering naar binnen en naar buiten, individueel en sociaal. Tot die bekering roept Wright de Christenheid.

De verzoeningsleer herinnert aan die, welke we ook in de Zweedse theologie tegenkomen.

Het is een boek dat wat breedsprakig is. Het geeft veel te denken en te doen.

Dr. K. Runia, De zondag onder druk. Serie Bij-tijds Pastoraat. Uitg. Kok, Kampen 1996. 79 blz. f 19,90.

Prof. Runia geeft een goed overzicht over de geschiedenis van opvattingen over de zondag; ook van verschillende praktijken de eeuwen door, van uitspraken van synoden in onze eeuw, en van wetgeving in onze tijd. Dit boek biedt in kort bestek veel informatie. Studies uit de laatste 50 jaar worden erin genoemd.

Ik heb voor dit boekje waardering, omdat alles er zo overzichtelijk en tegelijk in eenvoudige bewoordingen in staat.

Prof. Runia meent dat het Vierde gebod voor ons niet meer geldt. Toch schrijft hij tegen het einde van het boek, dat onze zondagsrust indirect met het vierde gebod te maken heeft. Ik vind het moeilijk om deze Stelling te aanvaarden. Als het Vierde gebod zou zijn afgeschaft. kunnen we er ons ook niet meer op beroepen. Wat is dan de bijbelse basis om de zondag als rustdag te claimen? Blijft er dan een ander argument over dan het sociale en psychische nut? Op dit punt bevredigt het betoog mij niet. Niettemin een boek dat voor het onderkennen van de problematiek van betekenis is.

Drs. Pieter van Kampen, Liefde tot de leegte. Een christelijke visie op het boeddhisme. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 1995. 176 blz. f 24,90.

Het boeddhisme wint veld in Europa. Drs. Van Kampen heeft studie gemaakt van deze geestelijke stroming. Aanhangers ervan zijn onderling verdeeld over de vraag of het een godsdienst is. Ik zou het die naam niet willen geven. Een levenshouding van zelfverlossing zonder God, van onthechting en eenvoud. Er zijn verschillende stromingen in het boeddhisme. Van Kampen tekent ze nauwkeurig en geeft ook de onderlinge verschillen. Aan het eind vindt de confrontatie plaats. Dan is duidelijk waarin het boeddhisme van het christelijk geloof verschilt.

Het is een waardevol boek dat echter door de vele detailgegevens nogal wat inspanning van de lezer vraagt. Voor jonge mensen die een scriptie of een opstel moeten schrijven is het een belangrijke introductie, voor hun begeleiders een goede handleiding. Dus veel waardering met het oog op een speciale doelgroep.

M.R. van den Berg, Het eerste boek Samuël. Deel 1, hoofdstuk 1-15. Opkomst en fiasco van een messiaans Koningschap. Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 1996. 139 blz. f 21,90.

In de bekende EO-serie heeft ds. Van den Berg het eerste deel van 1 Samuël behandeld.

De lezer vindt in dit boek verzamelde exegetische opmerkingen en ook praktische toepassingen, niet pas aan het eind, maar door heel het hoofdstuk heen. Het is net of de schrijver in gesprek met de lezer de tekst beluistert. Het is een goede hulp bij persoonlijke bijbelstudie.

Kornelis Heiko Miskotte (1894-1976). Brug tussen cultuur en theologie. Uitg. Kok, Kampen 1995. 167 blz. f 29,50.

In September 1994 is er een studiedag gehouden over Miskotte. Het was toen juist honderd jaar geleden dat hij geboren werd.

Heel wat facetten van Miskotte’s theologie en van zijn cultuurbetrokkenheid zijn daar in werkgroepen besproken. Als thema’s noem ik: beeidende kunst, muziek, het jodendom, als prediker, als schrijver, het feminisme en zijn visie op Europa.

Dr. Vreekamp en dr. Den Besten schrijven het uitvoerigst. De eerste vrij kritisch, de laatste als een geestverwant. Een boek dat de lezer met Miskotte doet kennismaken aan de hand van specialisten.

Dr. M.E.G. Parmentier, Isaak gebonden, Jezus gekruisigd. Christelijke bronnen 9. Uitg. Kok, Kampen 1996. 143 blz. f 27,50.

In dit boek zijn preken van kerkvaders over Genesis 22 afgedrukt: Origenes, Gregorius van Nyssa, Cyrillus van Alexandrie en Pseudo Chrysostomos. Verder ook Syrische en Latijnse teksten. Aan het eind een verwijzing naar veel plaatsen, waarin op Genesis 22 wordt gezinspeeld.

De inleiding van dr. Parmentier maakt een deskundige indruk. Voor wie in de stof geïnteresseerd is, een waardevolle studie en bronnenpublicatie (in vertaling).

Mary Glazener, De beker der gramschap. Dietrich Bonhoeffer in verzet tegen Hitler. Uitg. Kok, Kampen 1995. 408 blz. f 44,50.

De schrijfster is erin geslaagd Bonhoeffers leven vanaf het begin van zijn predikant-zijn dicht bij ons te brengen. De tijd van verzet, contacten, gesprekken, familieverhoudingen komen aan de orde.

Ik ben diep onder de indruk van dit boek. Eigenlijk zou ieder het moeten lezen, die wel eens met Bonhoeffers werk is bezig geweest.

Guido Gezelle, Aleer het licht ter avond raakt. Een keur uit zijn religieuze poëzie. Samengesteld door drs. S.R. Posthuma. Uitg. De Groot Goudriaan, Kampen 1996. 68 blz. f 19,90.

Dit is een prachtige bundel poëzie van Guido Gezelle, bijeengebracht uit verschillende van zijn bundels. Een mooi boekje om cadeau te geven.

D. Martyn Lloyd-Jones, Zijn verborgen omgang vinden (vertaald uit het Engels). Uitg. De Groot Goudriaan, Kampen 1996. 150 blz. f 34,90.

George Whitefield, De weg der genade. Voorzien van een levensschets door J.C. Ryle (vertaald uit het Engels). Uitg. De Groot Goudriaan, Kampen 1996. 156 blz. f 34,90.

Jodocus van Lodenstein, Hem tot Koning. Keurstoffen. Uitg. Kok Goudriaan, Kampen 1996. 155 blz. f 34.90.

Dit zijn bundels met preken en stichtelijk werk. Ze zijn uit verschillende eeuwen maar vertonen alle de invloed van wat we noemen het Puritanisme. Van Lodenstein was een prediker uit de tijd van de Nadere Reformatie.

Voor persoonlijke geloofsopbouw zijn dit goed bruikbare uitgaven. Ze zijn nogal prijzig, maar in mooie band uitgegeven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.