+ Meer informatie

Pastoraat aan onze schooljeugd

41 minuten leestijd

Inleiding tot het gesprek op de conferentie voor ambtsdragers te Amersfoort op 9 oktober 1976

Enkele opmerkingen:

’t Is gemakkelijker om bovenstaande vier woorden uit te spreken dan dit pastoraat te beoefenen. Pastoraat beoefenen is nooit een eenvoudige zaak, zeker niet aan onze schooljeugd.

Het is niet de bedoeling een theologisch doorwrocht referaat over deze materie te houden. Daarvoor kunt u tussen Amersfoort en Enschede te kust en te keur terecht met zoveel bekwame hoogleraren.

Als ik mijn opdracht goed begrepen heb verwacht u van mij enkele praktische opmerkingen om een zo gericht mogelijk gesprek te hebben over het pastoraat aan onze schooljeugd. U moet daarom van mij meer een inleiding tot een gesprek dan een referaat verwachten. Of, om het nog iets voorzichtiger uit te drukken: enkele inleidende opmerkingen over het onderwerp dat u vandaag gaat bespreken.

Ik ga er van uit dat u het septembernummer van „Ambtelijk Contact” (15e jaargang, no. 6) gelezen hebt, voorzover u als jeugdouderling niet het bijzonder boeiende, degelijke en klemmende referaat van ds. C. Langbroek hebt gehoord op de nog niet zo lang geleden gehouden conferentie voor jeugdouderlingen van onze kerken, onder de titel: Pastoraat aan jongeren nú”.

Wellicht zijn sommigen van u ook aanwezig geweest op de avond die jeugddeputaten belegden met vertegenwoordigers van kerkeraden in plaatsen waar universiteiten of hogescholen zijn. Dr. T. Brienen sprak toen over: „Pastoraat aan studerenden”. Ook wat hij toen gezegd heeft ga ik niet herhalen. U ziet dat er in onze kerken aandacht wordt besteed aan onze jongeren en aan het pastoraat aan hen.

Dat het pastoraat aan onze schooljeugd in het middelpunt van de belangstelling staat blijkt ook daaruit, dat voor de gereformeerde kerken een „Werkboek ten dienste van het jeugd- en jongerenpastoraat” verscheen onder de titel: „Kerk en jongeren” (nr. 12 van de serie „Gemeentetoerusting”, uitg. Kok, Kampen).

Vanuit rooms-katholieke kring verscheen een bundel opstellen onder de titel: „De jongeren en de kerk” — interessant is hier de andere volgorde in de titel — een speciaal nummer van „Concilium” (11e jaargang, no. 6), een internationaal tijdschrift voor theologie. Deze twee boeken noem ik u, omdat ik hier en daar gebruik gemaakt heb van beide bundels, vooral van de laatstgenoemde, die mijns inziens voor ons onderwerp nog iets meer aanreikt dan de uit gereformeerde kring verschenen bundel onder redactie van Heitink en Hogenhuis.

Uiteraard ga ik deze boeken niet bespreken noch van commentaar voorzien. Maar sommige dingen daaruit kunnen ons wel helpen bij ons gesprek. Ons gesprek kan over de volgende dingen gaan:

1. Wat bedoelen we wanneer we spreken over onze schooljeugd?

2. Wie zijn de pastores?

3. Wat verstaan we onder pastoraat aan bovengenoemde jeugd?

4. Op welke wijze moet dit pastoraat verricht worden?

I. Onze schooljeugd

Dat is een geweldig wijds begrip. Waaraan moeten wij denken wanneer we spreken over „onze schooljeugd”? Aan onze kleuters, aan hen die het basisonderwijs ontvangen, aan Mavo-leerlingen of aan hen die een beroepsopleiding volgen? De bedoeling van deze conferentie is vooral aandacht te besteden aan onze middelbare schooljeugd.

Is het echter wel mogelijk van deze groep een typering te geven? Kan gesproken worden van „de” jeugd of van „onze” schooljeugd? Er is een grote diversiteit en er zijn zoveel variaties onder deze jongeren. Er is verscheidenheid tussen hen die in de stad wonen en hen die plattelandsjongeren heten. Er is zoveel verschil in opvoeding, milieu, aanleg, terwijl afkomst en karakter een niet minder grote rol spelen. Iedere jongen en elk meisje is een aparte schepping van de Here. Al draagt men (jongen of meisje) vandaag veelal jeans, we kunnen niet spreken van een confectie-jeugd. Ook niet op school.

Er zijn jongeren die zeer onverschillig staan tegenover de HERE en Zijn dienst en van de kerk geen goed woord kunnen horen, laat staan zeggen. Er zijn er ook die de HERE van harte zoeken en Hem oprecht vrezen en hoe groot is de variatie onder de jongeren die daar tussenin zitten?

In een rapport dat de Nederlandse bisschoppen hebben laten samenstellen over de verhouding van de jeugd tot de kerk wordt gezegd dat in 1974 50% van de Nederlandse jongeren van 16 tot 20 jaar tot een kerk gerekend wil worden. Het rapport, dat samengesteld is door dr. P. W. J. van Hoof, spreekt van vier groepen jongeren. Het onderscheidt:

1. kerkelijk religieuze jongeren,
die te vinden zijn in jeugdkoren en gespreksgroepen;

2. post religieuze jongeren,
o.a. de Jesus-people, die nadruk leggen op persoonlijke bekering, en anderzijds de kritische basisgemeenten, de zgn. christenen voor het socialisme;

3. post christelijke jongeren,
die gevoelig zijn voor meditatie, mystiek en extase; zij ontvangen hun inspiratie door oosterse leermeesters;

4. post religieus humanisme,
dat zijn de jongeren die de kerk verlaten en komen tot een vaag humanisme. Bij deze grote groep uit de kerk getreden jeugdigen kan men nauwelijks meer spreken van een „onbehagen over het kerkelijk apparaat”. Kerkelijke vraagstukken zijn eenvoudigweg oninteressant geworden, er valt niets eens meer over te discussiëren. (De jongeren en de kerk, 58).

Dit beeld van de schooljeugd in het algemeen wijkt niet zo ver af van het beeld van onze schooljeugd. Onze „afgescheiden” schooljeugd (wie van de jongeren weet nog wat daarmee wordt bedoeld?) is niet zo afgescheiden van de andere schooljeugd dan soms (al te hoopvol) wordt gedacht. Onze schooljeugd leeft in déze wereld en komt niet alléén op school in aanraking met alles waarmee ook de rest van de jeugd kennis maakt. Bovendien mogen wij de jeugd niet isoleren van het geheel van de gemeente. Genoemd rapport waarschuwt er nadrukkelijk voor de jeugd niet apart te zetten. Waarom? „Er bestaat geen geïsoleerd jeugdland. Het zijn de volwassenen die een aparte jeugdwereld scheppen om daarop alle mogelijke crises, spanningen, vernieuwingen en teleurstellingen te kunnen projecteren, waaraan men in de zogenaamde volwassenwereld geen plaats weet te geven” (zie Trouw-Kwartet van 15 januari 1976, pag. 2).

Toch kunnen we zonder meer vaststellen dat onze schooljeugd in een crisisperiode zit, in een tijd waarin beslissingen vallen die van levensbelang zijn, in de groei naar de volwassenheid en daarom in een overgangsfase. Dat brengt z’n eigen onevenwichtigheid en twijfels mee. We zien dan veel radicalisme. Uit behoefte aan duidelijkheid overheersen de kleuren wit en zwart. Men stemt liever GPV of links radicaal. In „De jongeren en de kerk” wordt op blz. 15 gezegd: „Het is helaas waar, dat jongeren er zeer gemakkelijk toe neigen voor ingewikkelde problemen eenvoudige oplossingen aan te nemen en te bedenken”.

Jongeren zijn doorgaans enthousiast.

Daarom spreken allerlei bewegingen hen vaak meer aan dan de kerk. Er is een duidelijke neiging naar een opgaan in actiegroepen, wereldwinkels, Youth for Christ, Navigators, enz. „Jongeren zoeken naar religieuze ervaring en religieuze overtuiging” (De jongeren en de kerk, 16). In dezelfde bundel lezen we: „Het „religieuze reveil” is het werk geweest van jongeren beneden de vijfentwintig jaar” (111). „Ongeveer overal bleek onder de jongeren de behoefte te bestaan om terug te keren naar een primitief christelijk leven ontdaan van alle zwaarwichtigheid die een in verval verkerende beschaving het heeft opgedrongen” (111/112).

Daartegenover wordt het leven van onze jongeren gekenmerkt door neerslachtigheid, hopeloosheid, uitzichtloosheid en angst, waarbij soms alles zinloos schijnt. Daarbij komt dat onze schooljeugd met geld op zak loopt, veel kan kopen (de platenindustrie mikt daar in het bijzonder op), vrijwel overal uitvoerige informatie krijgt, ook via communicatiemic delen letterlijk alles open en bloot hoort en ziet, ook dat wat in de verste verte nog niet verwerkt kan worden. „Alles wordt ter discussie gesteld” (94).

Onze schooljeugd leeft bovendien in een geseculariseerde wereld, waarin niets maar dan ook niets meer met God te maken schijnt te hebben. En het ergst van alles is nog dat men leeft in een zo verwereldlijkte kerk.

„Wij moeten de problemen waar jongeren mee rondlopen in onze tijd bepaald niet onderschatten. Ze zijn ook niet zomaar te rubriceren”, zegt Heitink in „Kerk en jongeren”, 106.

Per slot van rekening is het deze vraag die de jonge mensen in hun zoeken samenbrengt: „hoe een ander leven te leiden? — langer mee, beter leven, nog meer leven — akkoord, maar wát leven, leven waarvoor? …” (De jongeren en de kerk, 102).

Onze schooljeugd zoekt naar een bevrijdend antwoord op haar vragen. In wezen is er een zeer diep verlangen naar en een soms duidelijke uitgesproken behoefte (hoe krom ook verwoord) aan houvast, aan troost. Ook al wordt het vaak heel niet gezegd, het is wel intens aanwezig. Men vraagt zich heel concreet af: is God er wel, wie is God dan, hoe kan ik Hem ontmoeten? Men wil op deze vragen (en niet alleen op deze) een volstrekt duidelijk antwoord. En meteen moet er het bewijs bij geleverd worden! Er is een diepe geloofscrisis bij velen.

Onze jongeren zitten boordevol vragen en problemen. Er zijn geweldige tegenstellingen tussen de nieuwe inzichten van vandaag en de geloofsopvattingen die men van thuis meekrijgt. Ze komen dag aan dag in aanraking met het moderne denken, maar weten niet wat ze er mee aan moeten, terwijl ze nog veelvuldiger helemaal niet doorzien waarin ze allemaal al verzeild zijn geraakt. Bij de confrontatie met allerlei opvattingen voltrekt zich een proces van losmaking. Het lijkt wel alsof alle vragen van het modernisme in de vorige eeuw nu bij onze schooljeugd terugkomen én in een nog heviger mate!

Er leven vandaag vragen rondom het bestaan van God en de wording van de wereld. Men weet geen raad met Gods handelen in de wereld en in het leven van de volkeren en de enkeling. Is het christendom werkelijk uniek? Is Jezus de enige Weg tot behoud? Of moet je zeggen: zonder geloof vaart niemand wel?

Aan deze jongeren moet pastoraat beoefend worden. T. M. Gilhuis zegt in een zeer goede bijdrage in „Kerk en jongeren” (143): „Die pastorale zorg is vandaag meer nodig dan ooit”. Er is liefde en hulp nodig. Van wie moet dit komen? Herders gevraagd!

II. De pastores

Ligt hier niet een geweldige taak voor onze predikanten? Een enorm boeiende en vermoeiende taak? Onze predikanten zijn toch bij uitstek de hérders en leraars? Van hen mogen wij toch dag en nacht herderlijke zorg verwachten? Is het niet voortdurend hun opdracht (en vreugde) om voortdurend bij de kudde te zijn en vooral schapen die in moeilijkheden verkeren, te hulp te komen? Hoeveel te meer dan de lammeren van de kudde?

Gaat het er dan vandaag heel concreet om dat elke gemeente (ook elke kleinere gemeente) een dominee heeft?

Al zou het alleen al voor onze schooljeugd zijn: in elke gemeente is een fulltime herder onmisbaar. Ik meen dat de meeste kerkeraden daarvan doordrongen zijn, en verscheidene gemeenteleden niet minder. Dit blijkt telkens weer wanneer zowel kerkeraden als gemeenteleden intensief en met zoveel aandrang de zorgen voor de jongeren van de gemeente onder de aandacht van een beroepen predikant brengen. Onze jongeren moesten (tot hun troost!) eens weten hóézeer niet alleen dán aan hen wordt gedacht, voor hen gezorgd en vooral voor hen gebeden wordt. Het is wel eens goed dit hardop te zeggen. Er zijn ook nog verblijdende dingen in de gemeente.

De dominee moet dus herder zijn in de gemeente, zowel ’s zondags als in de week, op catechisatie en in het persoonlijk gesprek, op vergaderingen en in discussie-groepen. Is elke predikant dat ook? Juist omdat dit deel van zijn werk wellicht het moeilijkst is, ziet hij er misschien het meest tegenop. Toch ligt vooral hier zijn taak, juist in een wereld waarin wij leven en onze jongeren in het bijzonder. We krijgen steeds meer studerende dominees. Dat is een goede zaak. Als we ook maar steeds meer hérders ontvangen. Het één sluit toch het ander niet uit, integendeel. Herderzijn is het meest wezenlijke van het dienaar des Woords zijn.

De dominee zal het niet alléén mogen en moeten doen. Als het goed is (zoals het past in de kerk des Heren) moet hij worden omringd door een kerkeraad die herderlijke zorg beoefent. Een dominee, vooral een jonge dominee, heeft een kerkeraad nodig die hem leert zorgen, met hem meezorgt en vooral zelf voortdurend herderlijk bezig is.

Paulus ziet het duidelijk als een taak van de ouderling om vooral herder te zijn. En Paulus niet alleen. Wat heel het NT over de ouderling zegt is op dit punt voor geen tweeërlei uitleg vatbaar. Lees vooral wat Paulus schreef in de pastorale brieven aan Timotheus en Titus.

In dit verband mag ik u wel wijzen op het afscheidswoord van dezelfde apostel aan de ouderlingen van Efeze. Hij wijst hen in Hand. 20 : 28 terdege hun plaats. U bent niet door mensen aangesteld, maar door de Heilige Geest Zelf. Dat is een geweldig voorrecht. Wie valt zo’n bevoorrechting ten deel om door God Zelf daarvoor uitgekozen en daartoe aangesteld te worden? Wanneer de Heilige Geest u op deze plaats zet is dat genade én verkiezing. Wie zou dan geen herder wezen?

Zo’n goddelijke aanstelling geeft tegelijkertijd een grote verantwoordelijkheid. Eens zult u verantwoording moeten afleggen. Juist omdat de Heilige Geest u aanstelde komt uw herderschap in het gericht. Het herdersambt is dus gave én opgave. Iedere ambtsdrager moest daar dagelijks tot in het diepst van zijn ziel van doordrongen zijn. Onze jongeren vooral zouden er wel bij varen.

Paulus zegt dat de ouderlingen allereerst moeten toezien op zichzelf. Je kunt zó met heel de gemeente, vooral met de jeugd van de gemeente bezig zijn, dat je jezelf vergeet. Denk om uzelf. Dat is punt één. Calvijn zegt: „niemand zal ooit ijverig bezorgd kunnen zijn om de zaligheid van anderen, als hij de zijne verwaarloost”.

De ouderling moet vervolgens ook toezien op de gemeente. Hij is door de Heilige Geest niet gesteld bóven de gemeente en daarmee boven de jeugd van de gemeente om hoogmoedig te heersen en de gemeente en niet minder de jeugd van de gemeente aan zich te onderwerpen. Hij is ook niet aangesteld ónder de gemeente en onder de schooljeugd van de gemeente om het knechtje van allen te zijn. Dat leidt alleen maar tot moedeloosheid. De ouderling is door de Heilige Geest evenmin náást de gemeente gesteld, zodat alles aan hem voorbijgaat, ook al de moeite van de jongeren van de gemeente, omdat hij in wezen ver van hen leeft en denkt; onverschillig, zorgeloos en roekeloos is voor heel de gemeente en met name voor de jeugd daarvan en hen links laat liggen.

Nee, de Heilige Geest stelle u aan IN de gemeente, zegt Paulus. Dat is de plaats die u kreeg en die u dan ook helemaal in moet nemen. Midden in de gemeente en temidden van de jeugd van de gemeente, midden tussen de schooljeugd met al haar vragen en problemen, met haar vreugden en verdriet.

Deze gemeente, zo zegt Paulus, is nooit van ons, maar de gemeente des Heren. Daarom is de jeugd van de gemeente in wezen niet ónze jeugd, maar het erfdeel des Heren. Het zijn Zijn kinderen, waarmee Hij het verbond der genade heeft gesloten. Kinderen, die Zijn Naam op hun voorhoofd dragen. Waar ze ook zijn en wat er met hen ook allemaal aan de hand is, zij dragen het teken en het zegel van Zijn verbond. Daarom moet u goed weten wat u met hen doet. Al zijn het weerspanninge kinderen, opstandige of afvallige kinderen, onbekeerde, zorgeloze en goddeloze kinderen waar niets van deugt, volstrekt verloren zonen, het zijn verbondskinderen, aan wie de Drieenige God al Zijn heil heeft beloofd en dit hun ook deelachtig wil maken. Daarom vermaant Hij hen (denk aan het doopsformulier) en zet Hij onze schooljeugd onder de klem om Hem te voet te vallen en Hem alleen van heler harte te dienen.

Daarom des te meer zal heel onze schooljeugd ons een zorg wezen.

Zie toe op uzelf én op heel de gemeente. U moet zalig worden en héél de gemeente, ook heel de schooljeugd van de gemeente.

Deze taak kunnen de ouderlingen niet overdragen aan de jeugdouderling. Hij kan wel op een bijzondere wijze zich richten tot de jeugd, met name tot de schooljeugd, maar het blijft de taak van heel de kerkeraad om herderlijke zorg te bedrijven (al klinkt het woord bedrijf hier al te zakelijk).

Niet zonder reden plaatst Hogenhuis een waarschuwing aan het adres van de jeugdouderling en daarmee aan heel de kerkeraad, wanneer hij zegt: „… dat de jeugdouderling zich in korte tijd verliest in allerlei organisatorische zaken en aan het eigenlijke, het pastoraat, niet meer toekomt” (Kerk en jongeren, 175). De herders zijn echter niet alleen de ouderlingen. In wezen is het de taak van heel de gemeente om pastoraat te beoefenen aan elkaar. Moet u maar eens zien hoe vaak het woordje „elkaar” in dit verband in het N.T. voorkomt. De eerste verantwoordelijkheid voor het pastoraat ligt vooral bij de ouders van onze schooljeugd. Zij hebben beloften afgelegd voor het aangezicht des HEREN. Zij hebben beloofd hen naar de grote en goede Herder der schapen te leiden. De herderlijke zorg van de kerk kan niet zonder de rechte zorg van de ouders verricht worden. Wanneer ouders hun taak niet verstaan, wat is er dan nog te doen? Wanneer ouders hun kinderen niet opvoeden in de vreze des HEREN, heeft de kerk een bijzondere, extra zware, maar vrijwel onmogelijke taak. Ouders zullen hun kinderen moeten voorgaan naar de Here Jezus Christus. Naar Hem zelfs moeten brengen en dragen, zoals we lezen in Markus 10 : 31. Dat is een kwestie van dagelijks voorleven thuis en van het kiezen van een voortgaande opvoeding naar het verbond op een werkelijk christelijke school.

Zo hebben ook onze broeders en zusters op de christelijke scholen een mooie en zegenrijke taak om mee onze schooljeugd te leiden naar Jezus. Zij zijn niet alleen vakdocenten, maar pastores voor onze schooljeugd. Dat is niet alleen een taak van de godsdienstleraren, soms zelfs tegenover of in plaats van hen helaas.

Wij weten dat het pastoraat aan onze schooljeugd ten diepste moet komen van Hem, Die het gezegd heeft: Ik ben de goede Herder. Ik zet Mijn leven voor Mijn schapen. Ik geef hun het eeuwige leven en niemand zal ze uit Mijn hand rukken.

In de ambtsdrager komt deze goede Herder Zelf tot onze schooljeugd. Want Hij heeft zorg voor hen. Dat is pastoraat.

III. Pastoraat

Zullen we werkelijk pastoraat beoefenen, dan dienen we te weten wat dit inhoudt. Van wie zouden we het beter kunnen leren dan van Hem, Die de goede Herder Zelf is? Zonder zelf met heel ons hart aan Hem verbonden te zijn en uit Hem te leven, redden we het niet. We zullen zelf er weet van moeten hebben wie Hij is.

In Zijn Woord laat Hij Zichzelf zien en door Zijn Geest doet Hij ons ook ervaren wie Hij is en wat Hij doet. Zo mogen wij volgelingen van Hem zijn. De herder heeft ZORG voor de schapen. Hij staat daarbij tegenover de huurling. De schapen zijn niet van hem; ze zijn vreemden voor hem. Voor hen zal hij dan ook zijn leven niet in de waagschaal stellen. De huurling (dat is de ambtsdrager die geen echte herder is) probeert zijn eigen leven te redden als het er op aankomt. Hij heeft de schapen niet lief en mist daarom de rechte zorg voor hen. Maar de echte herder, de goede herder heeft zijn schapen lief en stelt zijn leven voor zijn schapen. Liefdevol verzorgt hij hen, ook al zijn ze erg lastig en bijzonder dwaalziek. Hij kent zijn schapen bij name. Dat betekent dat hij individuele zorg besteedt aan elk van de schapen. Hij zorgt ervoor dat het een kudde is, blijft en al meer wordt. Hij houdt de hele kudde in het oog, ook als hij met een enkel schaap bezig is.

Zó is de Here Jezus Christus de goede Herder. Zó moeten wij pastoraat verrichten aan onze schooljeugd. Hiervan geldt het ook: „Ik zet mijn treden in Uw spoor, opdat mijn voet niet uit zou glijden; wil mij voor struikelen bevrijden en ga mij met Uw heillicht voor”.

We zijn er voor elk van de kudde, maar houden tegelijk het geheel van de kudde in het oog. Bij het verzorgen van heel de kudde mag de zorg voor de enkeling niet in het gedrang komen. De herder zal in het voetspoor van de Heiland zelfs de 99 in de stal achterlaten om het éne verdwaalde en door eigen schuld verstrikte schaap op te zoeken. Hij brengt het weer bij de kudde.

Daarom zien we bij het pastoraat aan onze schooljeugd tegelijk naar het geheel van de kudde. We zijn er niet voor een groep, ook niet voor een groep jongeren, maar voor heel de kudde. We mogen in ons pastoraat de jongeren niet van de ouderen losmaken en de ouderen niet van de jeugd isoleren. De jeugd bepaalt het tempo van de kudde niet, noch hun ouders, noch hun grootouders. De herder weet wat goed is voor heel de kudde, al zullen de lammeren vaak extra zorg nodig hebben. „In Zijn arm de lammeren” geldt niet alleen voor de allerkleinste schapen.

De liefde tot en de zorg voor heel de kudde en daarom voor de schooljeugd zal vooral in twee dingen uitkomen, nl. in het weiden en in het beschermen.

a. Weiden:

Zonder eten en drinken blijven de schapen niet in leven. Ze moeten beide op tijd ontvangen. De schapen zijn vaak eigenwijs, vooral de jonge schapen en willen daarom dáár eten en drinken zoeken waar ze het zelf het lekkerst vinden. Maar alle lekkere dingen zijn nog geen goede dingen, weet de herder. De schapen moeten sterk worden en daarom zoekt niet het schaap, maar de herder naar de beste weidegronden. De herder weet waar hij wezen moet. Dat mag van een herder verwacht worden. Hij gaat de schapen voor en zij volgen hem. Dat vraagt gehoorzaamheid aan de herder. De herder heeft niet voor niets een stok en een staf. Hij slaat er niet op los, maar weet de schapen wel tot gehoorzaamheid te leiden. Dat begint met luisteren. En wie niet horen wil …

Levend voedsel en stromend water is goed voor de schapen. Daarom zal de ambtsdrager bidden: maak in Uw Woord mijn gang en treden vast. Want alleen het Woord bevat alles wat de schapen nodig hebben. Het eerste wat alle schapen, maar vooral de lammeren nodig hebben is het lezen van en het onderwijs uit het Woord van God.

De ambtsdrager zal er daarom op toezien dat elk schaap een bijbel heeft én deze ook leest. Geen schaap (ook geen lam) mag ’s morgens de deur uitgaan voordat het gegeten en gedronken heeft, d.w.z. voordat het uit de bijbel gelezen heeft. Wanneer ouders in gebreke blijven in dit meest wezenlijke werk elke morgen, zullen de herders moeten vermanen zowel de ouders als de schooljeugd zelf. Zonder het Woord gaat het niet, geen stap. Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad.

Jezus zegt: Mijn schapen horen Mijn stem. Willen we dus een schaap van de Here Jezus zijn, dan zullen we moeten leren luisteren, leren horen, leren gehoor geven, leren gehoorzamen.

Daarom zal de herder altijd met de bijbel komen. Niet met een tekst of een paar teksten, maar met héél het Woord om zo de schapen veelzijdig voedsel aan te reiken, opdat ze groeien kunnen, gezond en sterk zijn. Daartoe zullen de ambtsdragers zelf in het Woord thuis moeten zijn om vanuit het Woord te onderwijzen. Daarom zal de prediking altijd opening van het Woord moeten zijn om werkelijk pastoraat te beoefenen. Daarom zal op de catechisaties de bijbel geopend moeten worden en niet minder in het persoonlijke gesprek. Altijd maar weer en steeds meer het Woord, ook al willen de schapen het wel eens elders zoeken. Het Woord is geen medicijn, geen extraatje, geen toetje, maar voedsel. Het Woord is niet iets voor zieke dagen of voor momenten wanneer we met problemen zitten (zoals jongeren én helaas nogal wat ouderen al te zeer denken), maar gezond voedsel voor elk gezond schaap elke dag.

We moeten laten zien dat in het Woord de Herder Zelf tot de schapen komt, dat Jezus Christus de inhoud van het ganse evangelie is en dat we de Heiland nergens anders leren kennen dan in Zijn Woord. Daar moet vandaag sterk de nadruk op vallen nu het Woord van God thuis veel minder gelezen wordt, op de slaapkamer vrijwel dicht blijft en in allerlei bijeenkomsten al meer van zijn plaats verdrongen wordt.

Onze schooljeugd wordt werkelijk geholpen en gered in het zelf leren kennen en al meer kennen van de grote Herder. Want dit is het eeuwige leven, lezen we in Joh. 17 : 3, dat zij U kennen en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt. Om dat echte kennen van de Here zal het moeten gaan in het pastoraat, zullen we het meest wezenlijke werk aan onze schooljeugd verrichten. Juist vandaag moeten we het onze jongeren voorleven en voorzeggen dat er maar één Weg is, Jezus Christus en dat we Hem persoonlijk met heel ons hart moeten leren kennen. In het pastoraat aan onze schooljeugd kunnen noch mogen wij daarom heen gaan. De liefde van Christus zal ons dringen en niet minder de liefde tot de schapen, die aan onze zorgen zijn toevertrouwd. Daartoe zal het niet minder nodig zijn de weg naar Hem hun voor te houden. De vraag: „hoe kom je bij Hem?” wordt vandaag op velerlei wijze beantwoord, niet zonder nogal bedenkelijke kanten. Onze jongeren zijn gebaat bij en worden werkelijk geholpen wanneer de weg naar Hem duidelijk verkondigd wordt zowel ’s zondags als in de week. Daarom is het voor onze schooljeugd belangrijk en heilzaam wanneer grondig aandacht wordt besteed aan de orde des heils. Het is nodig dat de roeping van God tot het heil sterke nadruk ontvangt. Niet ik begin met God, maar Gód begint met mij. Hij is de Eerste. Hij heeft onze schooljeugd lief en vanuit een hartelijke bewogenheid met hen roept Hij onze schooljeugd tot Zich met alle ernst die in Hem is. Onze jongeren mogen en moeten het weten dat Hij meent wat Hij zegt, dat het echt waar is. Daarom mogen (en moeten) zij en wij tot Hem komen.

Ik denk aan vroeger. Wat heeft het een indruk in mijn leven gemaakt het telkens weer te horen, vooral in de prediking: wie de Here vroeg zoeken, zullen Hem zeker vinden. Daarin kwam de ernstige roep van de Here tot mij. Hij zocht mij en mijn behoud. En niemand heeft het recht om God te laten roepen zonder te antwoorden, vooral omdat de HERE de God van het verbond is, Die recht op ons leven heeft. Onze schooljeugd staat voluit voor de eis van het verbond: je moet de HERE zoeken. Je mag zelfs geen andere kant op. Je bent gedoopt en daarom …

Juist nu vandaag in veel jeugdkringen de wedergeboorte weer wordt beklemtoond (omdat het vaak niet eens meer genoemd wordt, laat staan als noodzaak gepreekt wordt?) is het niet alleen goed te zeggen wat wedergeboorte is en dat niemand zonder wedergeboorte het koninkrijk van God kan binnengaan, maar moet met name verkondigd worden dat deze wedergeboorte nu uitgerekend in het verbond der genade beloofd wordt en bij onze doop zo troostvol is toegezegd. De HERE zegt: Ik zal het stenen, onverschillige, koude hart uit je wegnemen en je een viesen, gelovig hart geven. Je mag erom vragen, want Ik heb het je vast en zeker beloofd. En als je het Mij vraagt, krijg je het ook. Daar behoef je niet aan te twijfelen, want Ik heb het je toch beloofd? Tegenover allerlei groepen moet hier de rijkdom van het verbond beklemtoond worden in het pastoraat aan onze schooljeugd. Dat is troost van de bovenste plank.

Vooral nu het woord bekering is vervlakt, niet in het minst door de „bekering” van een tweetal van de Beatles tot de transcendente meditatie is het meer dan ooit nodig in het pastoraat duidelijk te maken wat de bijbel onder bekering verstaat, nl. een eerste én een voortgaande bekering, een bekering van het hart tot de Here én een bekering in de praktijk van het leven.

Wanneer onze jongeren over geloof spreken bedoelen ze wat anders dan u vaak denkt. Geloof is een woord voor een algemeen iets geworden. De één heeft een christelijke gereformeerd geloof, de ander een rooms-katholiek geloof, terwijl een derde moslim is.

Vanwaar komt geloof? Vraag dat maar eens aan onze schooljeugd en u zult als antwoord ontvangen: van onze ouders. Daartegenover moeten zij leren wat de bijbel geloof en geloven noemt. Het gewone geloof (zo zou je het kunnen zeggen tegen hen) komt van je ouders, maar het echte, ware geloof komt van de Heilige Geest, Die het in je hart werkt door de verkondiging van het evangelie. Onze jongeren moeten heel goed weten dat geloof een echt kennen van de Here is, een kennen door ontmoeting, een strikt persoonlijk kennen door de omgang met Hem. Omgang hebben is luisteren en spreken en zo iemand kennen. De Here kennen is luisteren naar Hem, zodat geloof meer is horen en gehoorzamen en zo niet minder vertrouwen op Hem met heel je hart. Dan wordt geloof ook zéker weten i.p.v. niet-zekerweten, zoals vele jongeren denken en zeggen.

Hier kan dan over rechtvaardigheid gesproken worden op een wijze die onze schooljeugd niet (meer) verstaat. Rechtvaardig behoef je alleen maar te zijn tegenover je medemens. Maar tegenover God? Dat kan toch nooit, zeggen serieuze jongeren. Wat is het dan echt evangelie brengen om onze schooljeugd naar Jezus Christus te leiden, veel goeds van Hem te vertellen, Hem als het ware voor ogen te stellen en pastoraal te spreken: „Het is volbracht”. Wie in Christus is is een nieuwe schepping, het oude is voorbijgegaan, zie het is alles nieuw geworden. Als je in Hem gelooft, BEN je nu al rechtvaardig voor God. Dat geeft een intense vreugde, die jongeren nauwelijks voor mogelijk houden in deze wereld. Dat is echt evangelie voor hen. In het pastoraat moet dit aan hun hart worden neergelegd, zodat ze maar één toevlucht overhouden: niet maar een Jezus, Die alleen maar vriend of helper is temidden van hun problemen, maar Christus als de volstrekte Zaligmaker, Die vrede met God door Zijn zoenbloed verwierf.

Juist nú hebben we de meest heerlijke boodschap voor jongeren op school. Hij maakt alle dingen nieuw.

Jongeren zoeken echte levensvernieuwing. Daarom mag en moet hen de levensheiliging verkondigd worden als een met Christus sterven en een met Christus opstaan. Niet in de sfeer van een activisme, zodat alles alleen van mij moet komen en de vreugde geheel teloor gaat. Nee, hier mogen ook jongeren leren leven uit Christus in een vernieuwd leven van liefde. Buiten Christus om is het ook voor onze jongeren niet te doen. Maar vanuit Hem kan het niet anders. Daarom moeten ook zij geheel anders leven dan de wereld om hen heen, zoals Paulus daar zo praktisch over schrijft in o.a. Efeze 4 en 5.

Zo mogen jongeren getroost worden met de totale verheerlijking. We gaan niet naar de totale vernietiging, zodat er reden is tot pessimisme. We zijn als christenen ook geen optimisten vanuit de gedachte dat we wel evolueren naar een koninkrijk Gods op aarde, dat wij stichten. Nee, onze jongeren mogen moedig de toekomst tegemoet gaan, want wie in Christus gelooft beërft alles, zelfs een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont. Dat geeft dan ook zin in het leven. Werkelijk nieuwe mensen op een nieuwe aarde, waar alles vrede is, omdat het dan helemaal goed is met God.

b. Waken:

Behalve het weiden is het ook de taak van de herders te waken over de kudde. De kudde moet veilig zijn, rustig kunnen eten en drinken en niet minder rustig in de schaapskooi kunnen slapen en uitrusten.

Er zijn veel vijanden, die op de loer liggen om de kudde te verstrooien en de schapen te verslinden. Laatst zei iemand: het lijkt wel alsof de herders vandaag toezien hoe de wolven de schapen aanvallen zonder één hand uit te steken. Men is bang geworden om te vechten voor de schapen. Herders moeten in dit opzicht vechtjassen zijn, uit zorg en liefde voor de kudde. In deze tijd zit vooral onze schooljeugd in een hoek waar de slagen vallen. Onze jeugd leeft zo verschrikkelijk onbeschermd en staat bloot aan allerlei gevaar. De drie doodsvijanden van de kerk zijn de eeuwen door wakker geweest, maar schijnen vandaag niet van slapen te weten. De schapen mogen getroost worden dat de goede Herder hen goed vast heeft en vast houdt. Niemand van Zijn schapen gaat verloren, ook de jongere niet. Toch is geloven in de trouw van de Herder niet genoeg. De herders moeten hun ogen open hebben voor de gevaren die de kudde bedreigen, terwijl ze de schapen moeten attenderen op de gevaren en ze moeten wapenen. De schapen moeten leren uit de buurt van de vijanden te blijven en voor de vijanden van de kudde metterdaad op de vlucht te gaan.

Ook voor onze schooljeugd moeten drie vijanden gesignaleerd worden:

1. de wereld: onze schooljeugd wordt meegezogen door wat „men” doet. De Schrift zegt: doet niet met hen mee. Dat is erg moeilijk, niet alleen op schoolavonden en werkweken. Onze jongeren falen vaak. Ze moeten leren niet wereldgelijkvormig te zijn, zoals een ieder van ons dat elke dag moet leren. Op school heeft „men” het over bedfeestjes en sexbelevenissen, leest „men” van alles en nog wat, gaat „men” van bar tot bar totdat het al te bar wordt, probeert „men” ook eens drugs, koopt „men” elpees en draait deze op schoolavonden en op eigen kamer, in een verzamelnaam popmuziek genoemd, waarbij vier gevaren (die in deze popmuziek tot uiting komen) onze schooljeugd bedreigen:

a. de politieke revolutie, via Rock ’n roll en Rolling Stones, wanneer vallende rotsblokken op deze maatschappij moeten worden gegooid;

b. de psychedelische revolutie, waarbij men ontvlucht aan de barre werkelijkheid in de wereld van de drugs. Jimmy Hendrix stierf aan overdosering en Timothy Leary zei: „Noem één popgroep die in zijn repertoire geen lofzangen heeft op LSD of marihuana”;

c. de sexuele revolutie, waarbij je moet proberen aan je trekken te komen ten koste van de ander en (om het slechts in één zin te zeggen ) door de manager van the Rolling Stones is beweerd: „Pop is sex en je moet er de jeugd mee in het gezicht timmeren”;

d. de religieuze revolutie, waar een vlucht komt in de oosterse mystiek, o.a. door de bekering van John Lennon en George Harrison (twee van de Beatles). Via „Good vibrations” moet je één-worden met het goddelijke in je, terwijl de Sladepopgroep de satansreligie aanprijst en de Rolling Stones zongen: „Sympathy for the devil” en via „Devil in the darkness” de weg wordt gewezen naar de magie en het occultisme.

Hadden onze jongeren alleen maar met déze wereld te maken. Van alle kant echter komt de wereld op hen aan. Een paar dingen wil ik slechts noemen: via yoga als een vorm van het Hindoeisme en transcendente meditatie als een vorm van het Boeddhisme (waarbij men een mantra ontvangt, die levensgevaarlijk is) wordt onze schooljeugd gewonnen voor de goden dezer eeuw. Kranenborg heeft zijn studie terecht „Zelfverwerkelijking” genoemd. Je moet het zelf doen en het bij jezelf vinden. Zo wordt onze schooljeugd naar zichzelf terugverwezen i.p.v. naar Jezus Christus, de Heiland der wereld.

Zowel op school als via vakantiereizen en nog meer bij de intrede in het bedrijfsleven, vooral in de sector van de verzorging, krijgen onze jongeren te maken met sensitivity training.

In „De Wekker” hebt u hier ook het één en ander over kunnen lezen. Het uitgangspunt, de norm en het doel bij deze gevaarlijke trainingen is de mens, of het nu puur humanistisch gepresenteerd wordt of socialistisch getint of zelfs met een christelijk sausje overgoten. Ook hier geldt het voor onze schooljeugd (en de herders zullen hen daarbij helpen en voor hen vechten): doet dan niet met hen mee; gij geheel anders, gij hebt Christus Ieren kennen.

2. aan de duivel heeft onze schooljeugd de handen vol. Hij probeert het, met zijn eeuwenlange ervaring op alle mogelijke en onmogelijke manieren. Hij kan als een leeuw verschijnen, maar ook „poeslief” te voorschijn komen. Zelfs als een engel des lichts via handoplegging, waarbij duistere machten worden overgedragen op onze jongeren en verscheidene jongeren (niet alleen in seances) het slachtoffer worden van boze geesten. De duivel is zo listig. Onze schooljeugd mag wel een bijbel hebben, als men er maar niet meer in leest. Er mag zelfs godsdienstles op school gegeven worden, maar daarbij moet de bijbel vooral dichtblijven. En het mooist van alles is nog de bijbel anders te interpreteren. Dan wordt het anders gezegd. De bijbel is dan niet meer een boek van God aan ons, waarin Hij Zich aan ons bekendmaakt, maar een boek van mensen over God, waarbij niets meer zeker is en wonderen uiteraard niet hebben plaatsgevonden. Dat is slechts een verhaaltje. Dat kan immers niet waar zijn? De wetenschap zegt het toch zelf? De bijbel het Woord van God? Dat kunnen we toch niet meer geloven? Dat is toch een verouderd idee?

Vreselijk moeilijk hebben onze jongeren het soms in hun eigen klas op school. Ze staan op een christelijke school meermalen tegen een overmacht.

De duivel zaait (als in het paradijs) twijfel aan het Woord van God. Is het wel waar dat God dat gezegd heeft? Geldt dat nog wel voor ons mensen vandaag? Paulus leefde toch in een andere tijd? Wij weten nu toch beter? Je kunt toch niet alles letterlijk nemen? Je kunt toch niet geloven dat God de hemel en de aarde in zes dagen geschapen heeft? Je kunt toch niet geloven dat Hij alle dingen leidt naar Zijn plan? Je kunt toch niet geloven dat God liefde is, dat Hij almachtig is en alles uit Zijn hand je toekomt? Enz.

Wie komt er vandaag met de tien geboden aandragen? Die golden toch voor Israël in de woestijn? Je moet toch rekening houden met de tijd waarin je leeft? Gezag? Weg er mee. Doodslaan mag niet? Abortus moet soms toch wel en euthanasie is soms toch nodig? Scheiden zou zonde zijn? Zonde om bij elkaar te blijven. We beginnen niet eens aan trouwen en wonen gewoon bij elkaar. Moet je toch zelf weten? Stelen? Je mag toch best terughalen wat van jou gestolen is door de werknemers? Bezit is diefstal. Vals getuigenis? Wie kan dat achterhalen in een wereld van steekpenningen? En begeren? Toe nou. Je doet toch waar je zin in hebt?

Zo probeert de duivel de geboden van God en daarmee heel het Woord van God aan de kant te schuiven, de aartsleugenaar.

Hoe druk heeft hij het niet om vooral onze schooljeugd in zijn macht te krijgen (en te houden) via horoscoop lezen, occultisme, spiritisme en magnetisme! Waarom zou je het ook niet eens proberen. Baat het niet, het schaadt toch niet? Niet zo ouderwets. Toe, niet zo preuts. Durf eens wat.

Wees eens een kerel. ’t Is in één woord: duivels.

3. ons boze hart moeten we maar niet vergeten. Dat zegt: ik weet wel hoever ik gaan kan, ik ben er zelf ook nog bij.

Eigenwijsheid en hoogmoed kunnen zo sterk bij onze schooljeugd aanwezig zijn. Onze jongeren kennen zichzelf nog niet. Ze vallen zichzelf wel eens tegen, maar geloven het nog niet dat ze onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Onze schooljeugd ziet nog niet zo veel van de totale bedorvenheid van ons leven door de zondeval en weet nog niet van de geweldige haat tegen God en Zijn evangelie in eigen hart. Onze schooljeugd zegt: ik doe waar ik zin in heb, ik doe wat ik wil, ik zal zelf weten waar ik heen ga en ik heb met een ander niets te maken. U kent deze zinnen, niet alleen als klanken van onze schooljeugd, maar ook als volzinnen uit uw eigen leven. Ons eigen hart is boos, ook als het religieus is. In hoogmoed kan het gezegd worden: ik kies voor Jezus, ik ga getuigen, ik doe het zo goed. Ons boze hart is een vijand.

Temidden van al deze gevaren en vijanden moeten de herders waken en waarschuwen, uit liefde voor de schapen. Meer dan ooit moeten herders vandaag vechten alsof hun leven er van afhangt, in ieder geval het leven van de schapen. En „er is nog zwaarder weer op til, maar Heer, geloven doet men het niet meer; men lacht en danst, en taalt naar U niet meer”.

Herders moeten nu tussen de kudde en de vijanden instaan. Juist de lammeren, die de gevaren veelal onderkennen, moeten terdege beschermd worden. De goede Herder stelt Zijn leven voor de schapen. Tegen de bende in de hof van Gethsemané heeft Hij het gezegd: „indien ge dan Mij zoekt, laat dezen heengaan”. Zó lief had Hij Zijn schapen.

Zullen wij dan niet in Zijn voetspoor gaan? Koste wat het kost? Omdat wij de schapen zo liefhebben? Dan staat de goede Herder achter ons met Zijn Woord: niemand zal ze uit Mijn hand rukken.

IV. Zorgvuldig

Tenslotte (er zou nog veel meer te zeggen zijn, maar ik heb een beperkte opdracht en een bepaalde tijd gekregen) willen we nog nadenken over de wijze waarop het pastoraat moet geschieden. Is het wel mogelijk daar regels voor te geven? Elk schaap heeft z’n nukken en elk deel van de kudde haar eigen-aardigheden. Elk schaap moet op een eigen wijze aangepakt worden. In een kudde met zoveel variatie is geen enkele methode „af”.

Het ene schaap is bang, het andere overmoedig; het ene lam voelt zich stikeenzaam, terwijl het andere nooit tot zichzelf komt. Er zijn hopeloze en moedeloze jongeren. Er zijn jongeren die dicht bij de Here leven en van Hem getuigen, er zijn er ook die ver van Hem de weelde zoeken. Ieder heeft z’n eigen karakter en structuur. De één heeft dit gebrek, de ander weer wat anders. De één heeft een gebroken poot (ik spreek in schaapstaai), de ander kan niet goed zien. De één vóélt meer, de ander dénkt meer.

De ambtsdrager moet deze verscheidenheid aanvaarden. We moeten leren omgaan met elk schaap van de kudde. Anders kunnen we wel ophouden. Of men nu zo mak is als een lam of zo bokkig als maar mogelijk is, we zijn herders van heel de kudde.

De één moet zacht, de ander hard aangepakt worden. De één heeft veel meer aandacht nodig dan de ander, ook al snapt niet elk schaap van de kudde dit. De één eet dit het liefst, de ander is daar dol op. Sterke schapen moeten wel eens met alle macht die in ons is vastgehouden worden, terwijl de zwakken soms gedragen moeten worden.

De herder weet dit allemaal. De herder heeft nl. hárt voor de schapen. Je moet daarom helemaal hérder zijn; in de leer gaan en almeer gaan bij de grote Herder om te zien hoe Hij de schapen aanpakt (vaak heel anders dan wij zouden denken of doen). Hij is uitgesproken de góéde Herder.

Wij moeten doorwoond worden met de Geest van Jezus Christus. Doordrenkt worden met Zijn herderlijke zorg.

Slechts één ding is beslist en zeker voor te schrijven aan alle herders: leven uit Hem en door Hem. Dan gaat het altijd om Hem en is Hij ook in ons te zien.

’k Geloof dat er geen enkele methode bij voorbaat goed is. Er zijn wel uitgesproken slechte methoden (denk bv. aan sensitivity training).

Het methodisme heeft het vroeger geprobeerd met tickets. Het Leger des Heils heeft daar een tik van overgehouden (je begint op de zondaarsbank totdat je bevorderd wordt tot heerlijkheid) en in verscheidene jeugdbewegingen vinden we weer veel van het methodisme (denk bv. aan de bekeringsmethoden van Billy Graham en Youth for Christ). Afgedacht nog van hun opvattingen over de kerk, het ambt, het verbond en de sacramenten zijn er veel gevaren aan hun methode verbonden. Ook de Vier geestelijke wetten van Campus Crusade for Christ zijn mij te methodistisch.

Pastoraat moet zorgvuldig geschieden. Wanneer wij geroepen worden om pastoraat aan onze schooljeugd te verrichten moeten wij wel proberen hun taal te spreken. We moeten ons verstaanbaar (kunnen) maken. Zelf probeerde ik het Kort Begrip in de taal van vandaag te zetten, terwijl ds. Velema voortdurend sleutelt aan zijn al meer verkochte catechisatieboekjes om zo dicht mogelijk aan te sluiten bij het beeld en woordgebruik van onze schooljeugd, ’t Is echter niet allereerst een kwestie van taalgebruik. Dat blijkt wel op het voetbalveld. „De afstand van jongeren tot hun kerk wordt niet allereerst bepaald door het taalgebruik; als dat het alleen was, zou het probleem niet moeilijk op te lossen zijn”, schrijft Marie-Christine Cadiot in een opstel over „De taal van de jongeren en de taal van de hiërarchie” in de bundel: „De jongeren en de kerk”, 49.

’k Zou het pleit willen voeren voor voldoende mankracht en tijd om onze schooljeugd te begeleiden. Daarom moet een gemeente niet groter zijn dan 500 leden, althans wanneer er één predikant is. Maar ook dat is dé oplossing niet.

Onze jongeren zoeken deskundigheid, maar vooral betrouwbaarheid, zoals ze het mij bijna unaniem van alle kant gezegd hebben. Je behoeft niet iedere keer met de herder te praten, als hij maar aanwezig is, zegt een schaap van de kudde. Er is behoefte aan veiligheid en als de nood aan de man komt moet je naar de herder kunnen gaan.

Al zijn er geen goede methoden te bedenken, een paar dingen zou ik graag willen noemen ter overweging voor een zo zorgvuldig mogelijk pastoraat:

a. Als herders moeten we vooral luisteren. Wij moeten niet voortdurend aan het woord zijn. Dat kan irriterend werken. We moeten luisteren naar de nood van het schaap. Wanneer ouderlingen komen spreken over de motieven om belijdenis te doen en jongeren geen enkele gelegenheid krijgen om te spreken „hoeft het van hen niet meer”. Dan gaat onze schooljeugd zwijgen en dat is veel erger.

Schapen moeten (leren) luisteren naar de stem van de Herder, maar de Herder kent Zijn schapen ook bij name. In Zijn spoor gaande zullen de herders hun oor te luisteren leggen om zo te horen wat het schaap mankeert, welke problemen er zijn en wat nodig is. Luisteren brengt zowel in blijde als in zorgvolle dagen (die er ook zijn in het leven van de lammeren) tot echt mee-leven.

b. Herders zijn gesteld als voorbeelden voor de kudde. Jongeren verwachten dat ook van de herders. Ze verwachten dat u zelf oprecht de Here vreest en werkelijk godvruchtig bent. Niets deukt het leven van onze schooljeugd meer dan de zonde van de ambtsdragers. Dat had je van zo’n man toch niet verwacht. Wat is dan nog echt en waar?

Onze schooljeugd verwacht van ons niet alles. Wel dat we op de Here lijken, werkelijk leven uit Hem en door Hem. Zij moeten het leven met de Here voorgeleefd zien om er zich aan te kunnen optrekken. Misschien hadden onze jongeren het in dit opzicht vroeger beter dan nu. Men heeft geen mens (als voorbeeld). Met veel piëteit denk ik terug aan ds. Op den Velde, die jarenlang mijn herder was. Wat maakte vooral diepe indruk op mij? Zijn vroomheid, zijn voorleven van de vreze des Heren. In hem ontmoette je als het ware de Here Zelf.

c. Jongeren verwachten van herders dat zij leiding geven. Niet dat u op alle vragen een antwoord weet, maar wel leiding geeft en ze niet met een kluitje in ’t riet stuurt. Men verwacht dat u de weg wijst, dat u de weg zelf weet en daarop meegaat. Jongeren willen echt wel opgevoed worden, maar dan moet dát ook gebeuren. Dan moet de herder weten waar hij naar toe wil, het doel in ’t oog hebben en vooral zelf de weg niet kwijt zijn of nog niet zien. Er zit iets in van het onderwijzen hen die dwalen en brengen in het rechte spoor, zoals psalm 25 zegt.

Wanneer u uw gezag laat géiden schiet het bij onze schooljeugd in het verkeerde keelgat, maar wanneer u gezag uitóéfent zal men iets ervaren van wat men zei van Jezus: Hij leert ons niet als de Schriftgeleerden, maar als gezaghebbende.

Dan is beslistheid in het leiding geven nog iets anders dan halsstarrigheid. Dan is voorzichtigheid niet hetzelfde als slapheid.

d. Onze schooljeugd mag van u verwachten dat u uw werk grondig verricht. Het wordt u niet in dank afgenomen wanneer u maar wat aan de oppervlakte blijft. Als ze met u niet meer kunnen dóórpraten, met wie dan wel? Onze jongeren behoeven niet altijd gelijk te hebben, als ze maar weten waarom.

Grondig pastoraat verrichten kost veel gebed, bijbelstudie, tijd en energie, om maar niet meer te noemen. Maar dan kunt u ook recht op de man af uw werk doen en is niet alleen een jongere meer blij (om het maar zacht uit te drukken) met een grondig bezoek van een kwartier dan met een hele avond „geleuter”.

e. Eén ding is wel specifiek voor de herder, nl. geduld. Een schaap is niet zo maar volwassen. Wat kunnen schapen moeilijk zijn en je handen vol werk geven, dag in dag uit. Een schaap is niet zo’n lief dier als men soms denkt, bleek mij eens toen een boer net bij een stel schapen vandaan kwam. En een kúdde schapen is helemaal wat. Wanneer wordt het nu eens een kudde? Wanneer is de herder klaar? Je bent altijd herder. Soms moet je een schaap wel eens even vast laten lopen of een poosje z’n gang laten gaan, ver van de kudde. Je zou door dán veel achter het schaap aan te lopen de weerstand tegen de herder en tegen de kudde eer vergroten dan verkleinen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.