+ Meer informatie

WIE ZIJN WIJ?

13 minuten leestijd

De christelijke gereformeerde kerken en J.H.V. zijn lange jaren achtereen bijna synoniem geweest. In de kerkelijke publicitaire wereld waren die twee onlosmakelijk met elkaar verbunden. Wie commentaar op ontwikkelingen binnen onze kerken wilde, wendde zich tot ds. J.H. Velema of werd naar hem doorverwezen. Ds. Velema kende en kent de kerken waarvan hij lid is en die hij lange jaren met grote inzet en liefde in allerlei verbanden heeft mogen dienen, door en door. Zijn actieve ambtsperiode besloeg de tijd waarin ook onze kerken, met andere kerken van gereformeerde signatuur, de in veel opzichten turbulente ontwikkelingen van de naoorlogse periode doormaakten. Die ontwikkelingen hebben niet nagelaten ook onze kerken in bepaalde opzichten een ander aanzien te geven. Een ander aanzien dan waarvan sprake was in 1947, toen ds. Velema een boek schreef onder de titel “Wat is christelijk gereformeerd?” Van dezelfde schrijver iigt nu voor mij het boek “Wie zijn wij?”, recentelijk versehenen bij Buijten & Schipperheijn in Amsterdam en bedoeld als een poging om aan te geven hoe we als christelijke gereformeerden nu, na ruim veertig tussenliggende jaren, er uitzien. De symbolisch op de omslag aangebrachte spiegel geeft aan dat de christelijke gereformeerde lezer in dit boek kan zien hoe zijn kerken er nu uitzien en welk beeld wij als leden van de christelijke gereformeerde kerken in onze wijze(n) van kerkzijn vandaag naar buiten vertonen. De “wat-zijn-we-vraag” van 1947 - aldus de schrijver in zijn inleiding - was natuurlijk niet onbelangrijk en heeft ook nu nog voluit geldigheid, maar na zo’n 45 jaar vindt de schrijver het niet alleen nodig maar ook eerlijk om nu maar eens de “wie-zijn-we-vraag” onder ogen te zien. Waarbij op voorhand de opmerking wordt gemaakt dat die vraag veel en veel moeilijker is dan de eerste. Bij de laatste vraag gaat het er namelijk om of wij als christelijke gereformeerde kerken en als leden van die kerken nu (nog) beantwoorden aan respectievelijk in ons beeld van nu “dat” vertonen, wat destijds het antwoord op de “wat-vraag” was.

Het boek telt acht hoofdstukken onder de titels “vervagende vraag”, “historische herinneringen”, “confessionele consensus”, “praktische prediking”, “organisatorische ohëntatie”, “kerkelijke kaart”, “précaire positie” en “positief perspectief”.

Er valt wat uit te leren

Grondige lezing levert naar mijn oordeel geen andere conclusie op dan dat de “wat-vraag” ook in dit boek domineert, in elk geval dat de “wie-vraag” per saldo minder aandacht heeft gekregen dan de schrijver misschien heeft beoogd. De waarde van dit geschrift Iigt dan voor mij ook méér in wat het biedt aan historische, feitelijke informatie en aan schetsen over de positie die onze kerken vanuit Schrift en belijdenis gezien binnen het geheel van de gereformeerde gezindte innemen dan in de beantwoording van de vraag wie wij als christelijke gereformeerden door de jaren geworden zijn. Zoals gezegd, kent de schrijver onze kerken als geen ander. Feiten en ontwikkelingen worden met grote precisie aangegeven, verbanden waarin onze kerken naar binnen en naar buiten aan allerlei kerkelijke activiteiten gestalle geven, worden met dezelfde nauwkeurigheid aangeduid. Over de functionering van de onder ons geldende kerkorde en de toepassing van kerkelijke procedures zal men in dit boek geen verkeerde informatie aantreffen en in de uiteenzetting over wat ons vanuit Schrift en belijdenis bindt (lees: behoort te binden) als het op prediking en pastoraat aankomt, staan heel veel behartenswaardige dingen te lezen.

Dit alles geeft mij dan ook aanleiding tegen onze jonge(re) ambtsdragers (de oudere schaffen het waarschijnlijk uit zichzelf wel aan) te zeggen: Koopt dit boek, want voor wie van de geschiedenis van zijn kerk en over de positie die wij binnen de gereformeerde wereld innemen, misschien maar weinig weet, valt er heel wat uit te leren.

Veranderingen voltrokken zich binnen de generatie van na de Tweede Wereldooriog

In alles wat zojuist werd genoemd, zit natuurlijk ook iets van een antwoord op de “wie-zijn-wij-vraag”, maar toch niet helemaal op de manier zoals de schrijver het blijkens de eerste pagina van het boek heeft bedoeld, namelijk om na 45 jaar eens heel eerlijk de “wie-vraag” onder ogen te zien. Wie zijn en waar staan we nu en waardoor is het gekomen, dat we er als christelijke gereformeerde kerken anders uitzien dan vier decennia terug? De wijze waarop de schrijver naar antwoorden op die vraag heeft gezocht, heeft mij eerlijk gezegd een beetje teleurgesteld. Er worden wel feiten, ontwikkelingen en verschijnselen genoemd, die de gang der dingen in onze kerken hebben beïnvloed en die naar buiten en naar binnen gewijzigde verhoudingen en geestelijke veranderingen hebben veroorzaakt, maar wat ik mis is een grondige analyse van de achtergronden waartegen die veranderingen in onze kerken moeten worden gezien. Met name in het hoofdstuk “Vervagende vraag” zou juist wel diep op de veranderingen in de wereld moeten zijn ingegaan, eenvoudig omdat die op heel het kerkelijk leven veel dieper invloed hebben gehad dan wij beseffen. De schrijver meent dat de omvang van het geschrift geen ruimte bood om van die veranderingen een brede schets te geven. Een brede schets niet, nee, maar het boek zou zéér aan waarde hebben gewonnen als op enkele saillante dingen grondiger was ingegaan dan nu is gebeurd. De ontwikkelingen in Kerk en wereld voltrokken zich binnen de generaties van vóór en né de Tweede Wereldoorlog, in de periode van herstel en nieuwe dreiging, van indrukken die aan massale slachtingen op de slagvelden en in de concentratiekampen waren overgehouden, van scherpe tegenstellingen tussen de grootmachten, met exhorbitante bewapening in beide kampen, met ruimtevaart en maanexpeditie en betere beheersing van economische factoren in internationaal verband, onder sterke toename van wetenschappelijke inzichten, vooral op natuurwetenschappelijk gebied; van ontmoeting ook met andere culturen en godsdiensten, dankzij de moderne communicatiemiddelen. Dat alles - en nog méér - heeft niet nagelaten in het denken en in het gevoelsleven van mensen verandering te brengen. Op een heel indringende manier Steide dit alles bij veel mensen de Godsvraag aan de orde en de vraag in hoeverre de opgedane ervaringen en de nieuw verkregen inzichten op onderdelen op gespannen voet met de oude leer der kerk stonden. De hogere trap van ontwikkeling door beter en diepgaander onderwijs heeft deze vragen onder het denkende deel van de mensen alleen maar verhevigd. De maatschappelijke en politieke relevantie van het Evangelie kreeg mede daardoor bij sommigen zoveel accent, dat het persoonlijk-geestelijke erdoor in het gedrang dreigde te komen.

Enkele van deze dingen worden in het boek wel genoemd, maar het zou veel waard geweest zijn als de invloed van deze dingen op denken, doen en laten in de kerken dieper was aangeduid en als een poging was gedaan om antwoord te geven op de vraag of onder ons veel scheiding en verdeeldheid niet te voorkomen zou zijn geweest als we in de naoorlogse jaren met de vragen van toen op evenwichtiger manier waren omgegaan en elkaars intenties bij de benadering van deze vragen meer zouden hebben gerespecteerd. Alles werd onmiddellijk in de sfeer van de tegenstelling tussen modern en ouderwets, behoudend en vooruitstrevend getrokken, zonder op de indringende vragen die op ons toekwamen werkelijk in te gaan. Die vragen zijn door de jaren heen steeds indringender op ons toegekomen en krijgen nu, tot in de meest orthodoxe kringen toe, aandacht. Hadden we er samen maar eerder goed naar gekeken en geprobeerd elkaar daarin richting te wijzen. Dan was misschien veel kerkelijke eilende te voorkomen geweest.

Is het wel helemaal eerlijk om van verscheidenheid te spreken?

Op wat het boek zegt over de veranderde kerkelijke verhoudingen valt wat de aanduiding van ontwikkelingen en verschijnselen betreft niet veel aan te merken, maar ook hier had ik op onderdelen graag een wat grondiger analyse van oorzaak en gevolg gezien. En na lezing van dit gedeelte vroeg ik mij af of ds. Velema in de beschrijving van de interne kerkelijke verhoudingen wel zo eerlijk is geweest als hij wilde zijn, toen hij aan het boek begon. Om met het laatste te beginnen. Het zal bij de schrijver het verlangen om de kerken bij elkaar te houden zijn geweest, toen hij steeds weer het woord “verscheidenheid” opschreef en sterk benadrukte dat er dwars door alles heen de neiging is om elkaar vast te houden, erop wijzend dat men elkaar op kerkelijke vergaderingen nog altijd als broeders ontmoet en begroet. Natuurlijk is van “verscheidenheid” sprake, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat die “verscheidenheid” allengs het karakter van “gescheidenheid” heeft aangenomen, van geestelijk onherkenbaar zijn voor elkaar, van miskennng en uitsluiting ook. Ontmoeting en begroeting op kerkelijke vergaderingen zijn er wel, maar de ontmoeting is er dikwijls één tussen verschwende geestelijke werelden, waarin men aan wat van de ander is, nauwelijks toegang biedt. Je kunt elkaar in Christus’ kerk alleen dàn als broeder en zuster zien, als er werkelijk sprake is van geestelijke herkenning en erkenning. Ik ervoer de aanduiding “verscheidenheid” nogal als flatteus. De schrijver heeft er primair natuurlijk mee bedoeld de verschillende manieren van kerkzijn, de Varianten in liturgische vormgeving, de toepassing of afwijzing van nieuwe bijbelvertaling, nieuwe psalmberijming ern rythmisch zingen, de ruime en terughoudende benadering van de avondmaalsviering en wat al niet meer. Deze dingen worden ook wel genoemd. Graag had ik gezien dat in het boek eindelijk eens krachtig afgerekend was met het gekissebis over liturgische vernieuwingen die nog steeds als scheiding-makend worden aangemerkt. Men mag ze voorstaan of ertegen zijn, maar er zijn op synodale vergaderingen, waarin over elke zitting de naam van de Here God werd uit- en aangeroepen, besluiten over genomen, die niet als produkten van “kakelende kippen” mogen worden aangemerkt, maar die bedoeld zijn geweest om de “verscheidenheid” aan wensen binnen onze kerken op het punt van de liturgische vormgeving legitiem te rnaken.

Zonder elkaar iets dwingends op te leggen. Laten deze en andere op pagina 28 genoemde dingen nu eens niet langer betrokken zijn bij het gesprek over wat scheiding maakt binnen onze kerken. Het is beter ons op dieperliggende zaken te richten, allereerst op de vraag, die ook in dit boek uitvoerig aandacht krijgt, namelijk of in onze kerken werkelijk sprake is van prediking waarin niet of te weinig recht wordt gedaan aan de noties van zonde en genade, zoals die in de Heilige Schrift en in de oude belijdenissen van de kerk zijn vervat en of veel prediking werkelijk zo arm aan “bevinding” is als door velen wordt gedacht. In zijn zorg hierover kan ik de schrijver bijvallen, al zal men in het oordeel hierover voorzichtig moeten zijn.

In dit verband wijs ik graag op de waarde van hoofdstuk IV over praktische prediking, waarin zeer waardevolle dingen worden gezegd. Elke met toezicht op de prediking belaste ambtsdrager kan met wat in dit hoofdstuk Staat zijn winst doen. Want in de praktijk komt in mijn gevoel van dat toezicht niet veel terecht.

In het hoofdstuk over de kerkelijke kaart in ons land is gepoogd wat de voornaamste geloofsstukken en de functionering daarvan in de prediking betreff, de verschillen tussen gereformeerd, gereformeerd-vrijgemaakt, nederlands-gereformeerd, gereformeerde gemeenten en christelijk-gereformeerd aan te geven. In grote trekken zullen de aangeduide verschilen wel juist zijn, maar bij het doornemen van de opsomming van de naast elkaar staande en aan elkaar tegengestelde kenmerken, ontkwam ik er niet aan om wat voor of van de ander geldt, hier en daar ook op (delen van) de eigen kerken van toepassing te verklaren, met name waar het de onder ons geldende opvattingen rond het genadeverbond betreft. In de verwarring déérover (waarin een onlangs onder ons versehenen dogmatiek overigens goed licht verschaft) ligt waarschijnlijk de diepste oorzaak van de kerkelijke verdeeldheid. Déérover zou eindelijk eens een Schriftuurlijke en confessionele consensus moeten kunnen worden bereikt….. ’t Zou een goed uitgangspunt zijn voor het gesprek over wat ons verder gescheiden houdt.

Ambivalentie

De samensprekingen met andere kerken (gereformeerde kerken-vrijgemaakt en de Nederlands-gereformeerde kerken) blijven in het boek niet ongenoemd. De magere resultaten en de oorzaken daarvan, worden uitvoerig besproken. Zakelijk en feitelijk vindt de lezer daarover juiste informatie. Wel verschil ik enigszins van me-ning met de schrijver als hij het heeft over de intentie waarmee deputaten eenheid van onze kerken door de jaren heen die samensprekingen hebben gevoerd. Van harte en met overtuiging, heet het. Dat zal er bij sommigen zeker zijn geweest, maar grosso modo - denk ik - ook met veel ambivalentie. De roeping was er, het moest, maar veelal met weinig hoop en verwachting (de verhoudingen en strueturen kennend) en met weinig aanmoediging vanaf de “zijlijn” in de kerken. Het is hier niet de plaats om daarop uitvoerig in te gaan, maar het zou interessant zijn hieraan nog eens breder aandacht te geven.

Dwars door al het menselijke heen toch zegen

Als je het boek uit hebt, ben je, alles overziende, geneigd te denken dat de geschiedenis van de kerk, ook die van onze kerken, de geschiedenis van mensen is. Ten dele is dat natuurlijk ook zo; voor een belangrijk deel, naar het soms schijnt. De kerk bestaat uit mensen. Ze zijn daarin op heilzame manier dienstbaar aan de komst van het Koninkrijk Gods; ze laten zich soms daarin gelden op minder heilzame manier, dominerend, in de verkeerde richting stimulerend. De persoonlijke geestelijke instelling en visie van een enkeling of groepen van mensen is soms koersbepalend voor een deel of het geheel van een kerk. Mensen lopen ook in de kerk tegen mensen op, waarvan de geschiedenis van de kerk heel wat voorbeelden kent. Een kleine kerkgemeenschap als de onze, waarin iedereen iedereen kent, is op dit punt al heel erg kwetsbaar. Maar het zou negatief zijn om met die conclusie te eindigen.

Dwars door al het menselijke heen, in weerwil van alles waarover wij landelijk en plaatselijk tegenover de Here der Kerk en tegenover elkaar spijt moeten betuigen, heeft God toch veel zegen willen geven. Door prediking, pastoraat, catechese en onderling gesprek over de dingen van geloof en leven zijn mensen bekeerd, verdiept in hun geloof, verinnigd in hun verbondenheid aan de Here, bemoedigd in hun moeilijke levensomstandigheden, rechtgezet als men geestelijk uit het lood stond, gecorrigeerd als het leven niet met de leer overeenkwam, getroost in situaties van ziekte en doodsdreiging en vanuit het Evangelie begeleid op hun sterfbed. Dat gebeurde ook in de jaren tussen toen en nu.

Wie zijn wij, christelijke gereformeerden? Mensen als alle andere mensen, die allen aangewezen zijn op het offer van Christus voor onze zonden, wil het met ons voor tijd en eeuwigheid goed zijn.

Dat te weten maakt ons nederig en bescheiden. In het diepe besef dáárvan ligt de eerste en beste garantie van onze onverbrekelijke onderlinge verbondenheid als broeders en zusters van hetzelfde Huis.

Naar aanleiding van “Wie zijn Wij”, ds. J.H. Velema, uitgave Buijten & Schipperheijn, Amsterdam. f 29, 50.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.