+ Meer informatie

Blijde dankdag na een zaaien met tranen

4 minuten leestijd

"Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien" Psalm 126:5

De dichter bepaalt de aandacht bij het zaaien in Palestina, wanneer de akker roept en de tijd aangebroken is dat het zaad moet uitgestrooid worden. Ziet hoe de landman met de zaadbuidel voor het lichaam gebonden, over de toebereide akker voortgaat, om met brede zwaai telkens een handvol van het kostbare zaad uit te strooien. Zo voor het oog een schoon gezicht! Maar als u in het hart van deze landman kon lezen, gaat toch veel van dat schoons verloren. Want daar in die zaadbuidel draagt hij de gehele oogst in kiem, uit het zaad moet de oogst opkomen en die oogst is zijn welvaart, ja zijn leven. Daar hangt alles van af. Hij zaait al gaande en wenende; schreiende doet hij zijn werk. Met elke handvol koren die hij in de akker werpt, gaat er een zucht op naar de hemel, totdat zijn voorraad is uitgeput.

Hij gaat al gaande en wenende; 't geeft uitdrukking aan het standvastige van zijn aangevangen arbeid. Deze zaaier houdt niet op, blijft er ook niet bij stilstaan, maar gaat gedurig door. Zo gaat hij: al gaande en wenende. Hij gaat dus gebogen onder allerlei zorg en vrees. Zolang hij met zaaien bezig is, gaat hij al wenende. De voren waarin hij het zaad werpt, vult hij ook met zijn tranen. Het hart van de zaaier is vol zorg en kommer. Zal de weersgesteldheid gunstig zijn? Zal er regen en dauw en zonneschijn op de juiste tijd zijn? Zal het zaad ook ontkiemen, of door grote hitte verdrogen? Zal het ongedierte geen schade veroorzaken? 't Is een zaaien met tranen.

Maar uit tranen wordt vreugde geboren, doch op Gods tijd. Straks mag die landman zijn sikkel slaan in de gouden halmen die onder zijn handen vallen en die in schoven samenbinden, en met gejuich in zijn schuur dragen. Uit tranen wordt straks gejuich geboren. Zie het aan Christus, Die ook gegaan is van lijden tot heerlijkheid. Hij moest het pad der smarten gaan, om in luisterrijke glorie op te staan en ten hemel te varen. Zijn weg was een weg waarin Hij gezaaid heeft in bloed en tranen, als Man van Smarten, toen Hij betaalde aan het Goddelijke recht. Maar met gejuich heeft Hij gemaaid toen Hij verrees uit het graf als Overwinnaar en de dood verslonden had tot eeuwige overwinning. En de weg van de Borg is de weg van al Gods kinderen. Eerst is het een zaaien met tranen, het zuchten en wenen over de zonde, het roepen om genade in zielenood. Maar uit dit tranenzaad wast op een heerlijke oogst, de verlossing uit banden en straks het ingaan tot de vreugde des Heeren. „Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien." .Z

Zij zullen maaien; dit is de belofte des Heeren aan Zijn kerk. Op aarde kunnen misoogsten optreden, maar bij de Heere nooit, omdat het trouw is al wat Hij ooit beval. De wereld begint met vreugde maar eindigt eenmaal in een eeuwige misoogst, een eeuwig geween. Maar Gods kerk begint als die wenende zaaier, met een droefheid naar God, maar het loopt uit op de eeuwige vreugde. Onder het zaaien zuchten zij dikwijls: „O Heere, wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden." Maar Gods volk krijgt een blijde oogst na droevig zaaien. Als God Zijn eigen werk gaat kronen, dan wordt hun mond vervuld met lachen en hun tong met gejuich. Dan zingen zij in God verblijd: „De Heere heeft grote dingen bij ons gedaan, dies zijn wij verblijd." O, welk een vreugde wanneer die oogsttijd voor de ziel aanbreekt en het Evangelie van vrije genade in het hart geopenbaard wordt door Christus Jezus. Welk een vreugde ook als die blijde tijd aanbreekt en zij met Jakob Israël zijn geworden.

Welk een vreugde als alle gronden wegvallen en het eeuwige soevereine welbehagen des Vaders de enige, onbeweeglijke grond is, en de Heilige Geest hen gaat vertroosten en verzekeren van hun aandeel in Christus. Welk een vreugde eenmaal, als die Grote Hemelse Landman hen inzamelt in Zijn schuur en Hijzelf hun tranen van de ogen afwist. Voor Gods kerk breekt eens een eeuwige dankdag aan. Want: Die hier bedrukt met tranen zaait, zal juichen als hij vruchten maait. Die 't zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat iivenend voort en zaait het al; maar hij zal, zonder ramp te schromen, eerlang met blijdschap wederkomen, en met gejuich ter goeder uur, zijn schoven dragen in de schuur.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.