+ Meer informatie

Naarde katechisatie

7 minuten leestijd

130

VAN DE GOEDE WERKEN (3).

In de derde plaats moeten goede werken gedaan worden: tot Gods eer. Dit is dus het doel of oogmerk der goede werken.

We hebben in onze vorige les gewezen op het verschil tussen goede werken in de algemene zin, b.v. de naastenliefde enz. als burgerlijk goede werken, krachtens Gods algemene goedheid. Hiervoor geldt ook de eis van Gods Woord, dat zij ook tot Gods eer moeten verricht worden. Maar we weten het, van nature is Gods eer niet het doel van de mens, hij heeft zichzelf op het oog. Hij mist ook de rechte wortel, waaruit de geestelijk goede werken opbloeien, namelijk: het ware geloof!

Waneer echter Gods Geest de mens wederbaart, levendmaakt, dan werkt Hij het beginsel van het nieuwe leven in het hart, waardoor de uitgangen van het hart heengericht worden naar den Heere en naar Zijn dienst. Dan worden ook de v r u c h t en van het geloof openbaar, de kinderlijke vreze des Heeren in een Godvruchtige levenswandel. En daarin wordt de Heere verheerlijkt. Dat is het allervoornaamste. „Al wat Gij wrocht, zal juichen tot Uw eer.” Ps. 145. Jezus heeft Zelf van Zijn discipelen verklaard in Mattheus 5: „Gij zijt het zout der aarde; gij zijt het licht der wereld; een stad boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn, noch steekt men een kaars aan en zet die onder een korenmaat, maar op een kandelaar en zij schijnt allen, die in het huis zijn. En dan laat Christus hierop volgen: laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken. En dit geldt al Gods kinderen.

Zo schrijft de apostel Petrus in zijn eerste algemene zendbrief, hoofdstuk 2 : 12: „En houdt uwe wandel eerlijk onder de heidenen, opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in u zien, GOD verheerlijken mogen in de dag der bezoeking.” En in I Kor. 10 : 31 schrijft de apostel Paulus: „Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, doet het alles ter eere Gods.”

Wat een dure roeping legt de Heere Zijn volk op. Maar hoe staat het vaak met de BELEVING van deze roeping? Ach, dan moet dat volk zich wegschamen voor Gods Aangezicht, wanneer het ziet op de afmakingen ten deze. En daarvoor zijn allerlei oorzaken: wereldsgezindheid en gelijkvormigheid, ver van den Heere afleven, meer druk zijn met zoveel, wat toch zo onbelangrijk is. Moest de dichter van psalm 119 niet klagen: „hoe kleeft mijn ziel aan ‘t stof”. En als Gods kind dit alles dan maar tot schuld mag worden, zal het met die dichter belijden: „ai zie mijn nood; herstel mij, doe mij naar Uw Woord herleven.” Dan komt het weer op de rechte plaats: in verootmoediging voor den Heere. Maar het kan dikwijls zo traag en lauw zich openbaren. Wat zou het in deze tijd van zoveel afval en veroppervlakkiging toch gewenst zijn, dat Gods kinderen meer de kinderlijke vrees des Heeren zouden openbaren in handel en wandel! Zal daartoe de verdrukking der tijden moeten gaan dienen, om dat volk weer op de rechte plaats te brengen? En dient daartoe niet ook de persoonlijke druk, de kastijdende Hand des Heeren? Dan zegt diezelfde dichter van psalm 119: „’t Is goed voor mij, verdrukt te zijn geweest, opdat ik dus Uw Godd’lijk recht zou leren.”

Ja, wanneer de eere en verheerlijking Gods op het hart gebonden wordt van hen, die de Heere vrezen, zal het de levende behoefte des harten worden met Paulus in te stemmen: „Ik jaag ernaar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben.” Phil. 3 : 12.

De Godvruchtige betrachting van goede werken is ook zeer profijtelijk ten opzichte van de naaste. De Katechismus schrijft daarvan in Zondag 32: „En dat door onze Godzalige wandel onze naaste voor Christus gewonnen worde.”

Zo lezen we in Zacharia 8:23: „Alzo zegt de Heere der heirscharen: het zal in die dagen geschieden, dat 10 mannen, uit allerlei tongen der heidenen grijpen zullen, ja, de slip van een Joodse man, zeggende: wij zullen met ulieden gaan, want wij hebben gehoord, dat God met ulieden is.”

Maar de godvruchtige beoefening van goede werken is ook profijtelijk voor de ware christen zelf. De Heere geeft daarover getuigenis in het hart, Zijn welgevallen, Zijn vrede. We lezen in Hebr. 11, bij Abel’s meerdere offerande dan Kain, bij Henoch’s wandel met God. Van Abel: „alzo God over zijn gaven getuigenis gaf. Van Henoch: „want vóór zijn wegneming heeft hij getuigenis gehad, dat hij Gode behaagde.”

Onze Heidelberger zegt in Zondag 32 ten opzichte van de noodzakelijkheid van het doen van goede werken, (vraag 86) „Daarna ook, dat elk bij zichzelf van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij.”

Er is een „staats-verzekering” en een „standsverzekering” bij Gods kinderen. Over de „standsverzekering” gaat het hier in het antwoord op vraag 86. Wat is die verzekering „uit de vruchten van zijn geloof”?

Zij bedoelt niet een zekere conclusie-trekken, in deze zin: ja, zo zegt men, ik heb ook wel eens dit of dat mogen beleven en daarom mag ik geloven, dat ik geen vreemdeling van het genadewerk ben. Maar zulk een redenering is misleidend. Uit de vruchten van het geloof verzekerd zijn wijst op de dadelijke beleving van de godvruchtige wandel. Op die ogenblikken valt alle veroordeling weg. De liefde Gods vervult dan het hart en die neigt het hart tot hartelijke wederliefde tot God en tot Zijn dienst. Dan is er geen twijfel. Dan wordt beleefd, wat de dichter van psalm 119 zingt:


„Wat vreê heeft elk, die Uwe wet bemint!
Zij zullen aan geen hinderpaal zich stoten.
Ik, Heer’, die al mijn blijdschap in U vind,
Hoop op Uw heil met al Uw gunstgenoten;
’k Doe Uw geboón oprecht en welgezind;


Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.” Wat doet de Heere dan Zijn rijke gunst en vrede ervaren. Men zou zulk een aangename gesteldheid wel willen vasthouden. Maar ach, de praktijk is helaas anders. Er kan zoveel bestrijding op volgen en inzinkingen, waardoor de dadelijke beleving belemmerd wordt, onder de as komt. Dan wijkt de troost van de zekerheid. Daarom zong die dichter van psalm 63: „Och, wierd ik derwaarts weer geleid; Dan zou mijn mond U d’eere geven.”

Lezer(es) wat is ùw levensdoel? Waarmede is ùw leven vervuld? Een kwade boom kan geen goede vrucht voortbrengen, zegt Christus Zelf. Van nature brengen we kwade vruchten alleen voort. „Burgerlijk” goede werken zijn noodzakelijk Het is niet om het even hoe men leeft. De Heere geeft zelfs ook Zijn zegen op de onderhouding van Zijn inzettingen. Maar dit is niet genoeg voor de eeuwigheid. Wij moeten OVERGEPLANT worden en ingelijfd in de ware Wijnstok, Jezus Christus, om „geestelijk goede werken” te doen en ware vrucht voort te brengen, de vruchten des Geestes. De inlijving heeft plaats in de wedergeboorte. Smeken we om die weldaad!

En sta degene, die de Heere vreest toch meer naar het opwassen in de genade en kennis van de Heere Jezus Christus! Dan zullen de vruchten des geloofs niet ontbreken. „Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg, en alle, die vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage.”

Het is de les, die de Heere al Zijn volk leert: „Uit u in der eeuwigheid geen vrucht”, maar ook: „En uwe vrucht is uit Mij gevonden.”

Urk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.