+ Meer informatie

Besprekingen van de Heilige Oorlog

6 minuten leestijd

33

Voor de heer Registreerder hielden de kapiteins alles zeer bedekt, hij wist tot nog toe niets van de grote ontwerpen van Immanuël, zodat hij onmogelijk het einde kon voorzien van zulk een slag, als die in de stad gevoerd werd. Spoedig klonk het de ganse stad door, dat het huis van Registreerder was ingenomen, zijn kamers bezet en zijn paleis tot een zetel van oorlog was gemaakt.

Voor Mensziel zag het er naar het oordeel van velen maar donker uit. Van de Prins had men harde gedachten. Het kwaad ElSchaddai aangedaan zou Hij zeker straffen. En de heer Registreerder was met al die zaken goed op de hoogte. Hij nam het, al was het vol gebrek, toch nog op voor El-Schaddai en Zijn wet, waarom Diabolus hem in de gevangenis stelde. Zou Registreerder nu hij staat onder de heerschappij van Immanuël ons iets goeds te vertellen hebben? Mogelijk heeft de Prins door hem iets goeds te vertellen omtrent Zijn plannen met de stad. Maar niets daarvan, want tot allen die bij hem kwamen sprak hij van dood en verderf. Naar zijn oordeel zou het met de stad Mensziel bitter slecht aflopen, reken maar op het ergste. En wat is dat dan? Wel, dat wij net als Diabolus met de banden des doods geworpen zullen worden in de buitenste duisternis. Een oordeel, dat door de burgers zo maar niet aanvaard werd.

„Wat,” zeide de oude heer Registreerder, die steeds meer begon te ontwaken, gij weet het immers allen, dat wij verraders zijn geweest van de beroemde, regerende en heerlijke Prins Immanuël, Die met een Goddelijke opdracht is gekomen in de stad. Nu vliedt Diabolus voor Hem. Ook is mijn huis, gelijk gij merkt tot een sterkte gemaakt tegen het kasteel waarin Diabolus zich verbergt. Gij merkt toch wel dat hij ons heeft bedrogen. Wat naar- zijn woord nooit zou komen is nu ten volle werkelijkheid geworden. Hadden we, ja hadden we maar niet naar hem geluisterd. En nu is het te laat, waarop zullen wij hopen? De schade door ons aangebracht is door ons niet eens te berekenen en nog veel minder te vergoeden. Wat mij betreft, ik heb grotelijks overtreden. Met al de burgers van de stad hebben wij schandelijk gehandeld. Ik zweeg toen ik moest spreken en heb de justitie verhinderd rechte te doen, daar het mijn taak was dat ten uitvoer te brengen, ’t Is waar, ik heb somtijds wel eens iets geleden van Diabolus handen, omdat ik de wetten van Koning El-Schaddai prees boven de zijne. Maar helaas! Wat heeft dat te beduiden? Zal dat een vergoeding zijn voor de rebellie en het verraad door mij gepleegd of in de stad Mensziel zonder tegenspreken toegelaten? O beeft, want al de gruwelstukken door ons bedreven zullen zeker door Koning El-Schaddai zwaar en eindeloos gestraft worden. Daar is voor ons in deze duisternis geen lichtpunt aan te wijzen.

Terwijl het leger met de wrake van Gods wrekende gerechtigheid door de stad trok om de Diabolisten op te zoeken en te straffen, vergaderde de oude Registreerder en de heer Verstand met enigen van de voornaamsten, te weten der genen die wisten dat zij moesten staan of vallen met de stad.

Dezen vergaderden op zekere dag en na breedvoerige besprekingen werden ze het eens om een request aan Immanuël te presenteren, terwijl Hij zich aan de poort had nedergezet. De zaken daarin vervat waren dat zij (de oude inwoners van de nu zo beklaaglijke stad Mensziel) hun zonden beleden en bedroefd waren, daar zij Zijn Prinselijke Majestiet zo beledigd hadden, biddende dat Hij hun het leven wou sparen. De tijd der genade kreeg waarde.

Met de komst van Immanuël in de stad werd ’t haar pas duidelijk en steeds meer duidelijker, dat het zich door de verbinding aan Diabolus in de naamloze ellende had gestort.

Bij het licht dat de Vorst door de majesteit van Zijn heiligheid en rechtvaardigheid verspreidde, werd het een zuchten onder de macht van Diabolus, het ongeloof en de schuld die gemaakt was. Maar dat ging gepaard met droefheid, boetvaardigheid en een smeken om ontferming. Doch hoe droevig het ook in Mensziel gesteld was, want naar aller oordeel was deze stad de ongelukkigste stad van de wereld, was zij toch door de komst van Immanuël gesteld vanuit de staat der ellende in die der genade. En zo leerde de stad vanuit de staat der genade de staat der ellende grondig kennen, en dat is voor het innerlijke leven van grote betekenis.

Wel had Mensziel in het opstellen en het presenteren aan Immanuël een ademtocht, een stille hoop op genade. Met een innig verlangen zag de stad al wenend en biddend uit naar verhoring. Dag en nacht waren zij met deze zaken bezig daar het allerergste gevreesd werd. De gedachte van geworpen te zullen worden in de buitenste duisternis greep haar van alle kanten aan vanwege de gruwelstukken die bedreven waren.

Maar die stille hoop op genade werd zwaar beproefd. Op het verzoekschrift gaf de Prins gans geen antwoord, wat hun ontsteltenis niet weinig vermeerderde.

Onderwijl arbeidden de kapiteins, die in het huis van Registreerder waren met stormrammen om de poorten van het kasteel neder te werpen. Na veel moeite en arbeid werden de poorten van het kasteel genaamd Ondoordringelijk, nedergestoten en tot splinters geslagen, waardoor de weg gebaand werd om in de schans te treden waar Diabolus zich verborgen had.

Deze tijding werd gezonden naar de Oorpoort, want daar hield Immanuël zich op, om Hem te melden dat er nu opening gemaakt was in de poorten van zijn verbüjf, waar Diabolus zich beveiligd had. O, hoe bliezen de trompetten op deze tijding door het ganse leger van de Vorst, omdat de oorlog nu zo nageeindigd en Mensziel dus in vrijheid gesteld was.

Toen rees de Prins op van de plaats, waar Hij Zich gelegerd had. Riep de helden tot Zich die Hij voor deze tocht het bekwaamst oordeelde en marcheerde naar de straat die op des Registreerders huis aanliep.

De Prins nu was bekleed met wapenen van louter goud en marcheerde zo de stad in, waarbij de standaards voor Hem heen gedragen werden. Maar Hij hield Zijn gedaante zeer bedekt de ganse weg die Hij passeerde, zodat het volk uit hetgeen het van Hem zag niet kon oordelen van Zijn haat of liefde, toom of genade.

Wel sprak Hij door daden van liefde, want Immanuël keerde zich met Zijn ganse leger tegen Diabolus en de Diabolisten, maar niet tegen de burgers van de stad. En dat was toch al een geweldige onderscheiding die opgemerkt werd. Maar waarom zweeg Hij en hield Hij Zijn gelaat bedekt? Nee, Mensziel kon niet juichen, was bezwaard vreesde ’t ergste, want daar lag een onverzoende schuld op het hart te branden. Net als bij de broeders^van Jozef. De één zeide tot de ander: „Voorwaar, wij zijn schuldig aan onze broeder, wiens benauwdheid der ziel wij zagen, toen hij ons om genade bad, maar wij hoorden niet, daarom komt die benauwdheid over ons.” Door het zwijgen van Immanuël begon het geweten steeds feller te spreken van het kwaad dat werd bedreven.

Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.